Vlinderen met Jeanne van Schaik-Willing

Toneelcritica Jeanne van Schaik-Willing meende dat kunst iets moet proberen te vangen ‘van de grote wordingsgeschiedenis van het leven, waar je als mens machteloos tegenover staat’. Max Arian, jarenlang cultuurredacteur van De Groene, brengt haar en haar bespreking van het bijzondere Deafman Glance van Bob Wilson in herinnering.

In Een schooljongen in de schaduw van de oorlog (dit jaar in eigen beheer uitgegeven) wijdt Rob van Schaik enkele mooie zinnen aan zijn moeder. De oud-ambassadeur heeft niet dezelfde ambitie om ideeën van een hogere orde te onthullen, ‘iets van het raadsel van het leven te ontrafelen’, zoals zijn moeder aan het einde van haar leven heeft geprobeerd. Zoon Rob beschrijft zijn leven als van een jongen uit een tegelijk nette en artistiek bevlogen familie, die te maken krijgt met de crisis, de opkomst van de NSB, met de oorlog, de jodenvervolging en het verzet. Hij neemt het zichzelf kwalijk dat hij niets meer heeft gedaan, bijvoorbeeld toen de joodse leerlingen van school moesten.

Zijn moeder stelde in haar eigen autobiografische boek Dwaaltocht ‘het vergeefse zoeken naar geluk’ centraal. Inderdaad ‘vergeefs’, schrijft haar zoon Rob, ‘omdat ze zichzelf niet wilde toestaan gelukkig te zijn. Mijn beste herinneringen aan haar zijn de ogenblikken dat ze straalde en even vergat dat ze niet gelukkig was.’

Jeanne van Schaik-Willing (1895-1984) is bijna zestig jaar medewerkster van De Groene geweest, als ik haar optreden in 1918 en 1919 als toneelrecensente onder de naam Gabrielle van Loenen in De Mosgroene (tijdelijke afsplitsing van De Groene) van Henri Wiessing mee mag tellen. Als meisje van amper twintig was ze al ernstig, moralistisch, vervuld van hoge idealen over wat het toneel zou moeten nastreven. Dat ze daar altijd in werd teleurgesteld maakt haar stukjes uit die tijd alleen maar mooier om te lezen.

De dramatische kunst is in haar ogen horizontaal, in vergelijking met die schilderkunst, die ze verticaal acht. Essentieel voor toneel is de beweging, voor drama is alles van belang wat naar een doel streeft en daarbij barrières op zijn weg vindt. ‘Je mag het toneel niet misbruiken als tijdverdrijf’, zei ze ooit tegen mij.

Ze hoorde bij de grote toneelcritici van na de Tweede Wereldoorlog voor wie de geschreven tekst het uitgangspunt was. De manier waarop die kon worden geïnterpreteerd kwam pas op de tweede plaats. Daarom zijn haar gebundelde kritieken nu nog heel goed leesbaar. Eind jaren zestig begon het Nederlandse toneel te veranderen. Via Mickery waren er buitenlandse groepen te zien, er werd geïmproviseerd, er ontstond politiek theater. Omdat ze het gevoel kreeg het niet meer goed te kunnen bijbenen, haalde Jeanne van Schaik jonge medewerkers bij De Groene, als Guus Rekers, Nic Brink en Walter van der Kooi. Zelf ging ze lichte beschouwingen schrijven, ‘Vlindertjes’ noemden wij die. Vooral over het ouder worden heeft ze prachtig geschreven. En over het recht dat oude dames mogen opeisen om te liegen.

In De Groene werd in het begin van de jaren zeventig (ook door mij) vooral over politiek toneel geschreven. Daar had Jeanne van Schaik bezwaar tegen, want de opdracht van de kunstenaar was in haar ogen de mensen te laten weten dat het leven zoveel dieper gaat. Ze had bezwaar tegen het brechtiaanse idee dat ongeluk een zaak was van verkeerde organisatie. Zij vond daarentegen dat kunst iets moet proberen te vangen ‘van de grote wordingsgeschiedenis van het leven, waar je als mens machteloos tegenover staat’.

In 1971 kwam er uit Amerika een geheel nieuwe avant-gardekunstenaar naar Nederland, Robert Wilson, die een ongekend, woordeloos theater maakte. Langzaam, uiterst langzaam verschuivende prachtig esthetische beelden, puur associatief, zonder een verhaal dat je zou kunnen navertellen. We waren er allemaal door gegrepen, we zaten er uren en uren naar te kijken. We liepen niet weg, zoals Parool-_criticus Hans van den Berg, die mompelde dat ‘er helemaal niets gebeurde’. Maar we wisten er ook geen raad mee. Vandaar dat Jeanne van Schaik-Willing, inmiddels 76 jaar, in _De Groene over Deafman Glance schreef (zie pagina 40 en 41). Zij wist misschien ook niet helemaal wat ze ermee aan moest, haar Vlindertje komt pas halverwege toe aan Bob Wilson en zijn levende schilderwerken, maar ze weet wel de essentie van zijn werk te pakken en is bereid mee te gaan in zijn fantasieën en beelden. •

Rob van Schaik, Een schooljongen

in de schaduw van de oorlog, Den Haag 2007, ISBN 978-90-804796-3-0