Vloedgolf

Vaak vergeet ik dat Joan Didion nog niet dood is, en ook nu merk ik mijn neiging om over haar te schrijven in de verleden tijd. Misschien is het de kracht van de reeks beelden in mijn hoofd, allemaal plaatjes uit de jaren zestig en zeventig. Didion met een sigaret losjes in haar hand, poserend voor een Amerikaanse auto (ik kan hier specifieke modellen gaan noemen, maar daarvoor zou ik moeten googelen en dat is valsspelen. Laten we zeggen: een Ford, breed en laag, crèmekleurige lak. Overigens was Didion zo bang voor invoegen dat ze de freeway, wanneer mogelijk, vermeed). Didion op een veranda, in een fauteuil, achter een zonnebril, in de ruime woonkamer van een zonnige villa. Didion, veelvuldig, met de echtgenoot en dochter die ze aan het begin van de eenentwintigste eeuw kort na elkaar zou verliezen.

In een essay over de zelfmythologisering van Truman Capote noemt schrijver en criticus Hilton Als hem ergens ‘Truman Capote, the writer and the photograph’. Datzelfde zou je over Didion kunnen zeggen. Het is bijna onmogelijk om níet te zien hoe ze haar werk belichaamt: die koele ernst, de afstandelijkheid van haar blik, de glamour en tegelijk dat ascetische, het ontegenzeggelijk Amerikaanse van haar uitstraling.

Ik vind het niet makkelijk om van Didion te houden. Die foto’s zitten in de weg. Haar patent op Californië en een tijdperk, dat aura van onaantastbaarheid – om nog niet te spreken over het oeverloze gedweep van anderen, veelal gepaard gaande met de schijnbaar onbedwingbare neiging haar stijl te imiteren. Nooit heb ik echt zin om haar te lezen. En toch gebeurt er altijd iets wonderlijks als ik het wel doe: op een gegeven moment is er een zin of een alinea die dwars door mijn weerstand breekt. Dan zie ik het, hoe fijnzinnig, complex en bij vlagen ronduit revelatorisch haar schrijven is.

Ik vind het niet makkelijk om van Didion te houden. Die foto’s zitten in de weg

Op de eerste dag van 2019 las ik – hakken in het zand – haar essay In the Islands, geschreven over een periode van tien jaar en gebundeld in The White Album. Het stuk bestaat uit een aantal berichten vanuit Hawaii, waar ze als kind al kwam met haar ouders. In 1969 is ze er met haar man en dochter, dan vier jaar oud. Het meisje mag niet gaan zwemmen omdat er een vloedgolf is voorspeld, die niet komt. ‘In the absence of a natural disaster’, schrijft Didion op die eerste pagina, ‘we are left again to our own uneasy devices. We are here on this island in the middle of the Pacific in lieu of filing for divorce.’De vloedgolf komt niet, de scheiding evenmin. In plaats daarvan heerst er een omineuze stilte waarin de echtelieden uit het raam staren en hun uiterste best doen de ander niet voor het hoofd te stoten – elkaars model van tact en terughoudendheid aan de rand van de afgrond.

Het is een onthecht tafereel, twee mensen losgezongen van de wereld en elkaar in een luxehotel op een eiland in de Stille Oceaan. Het enige wat we te weten komen is dat de vrouw – laten we zeggen: de essayistische ‘ik’ van Didion – al een poosje last heeft van ‘bad nerves’. Ze voelt zich vervreemd van de ideeën die anderen lijken te interesseren, ziet de logische verbanden tussen gebeurtenissen niet meer, is haar geloof in het sociale contract en het menselijke streven verloren.

In het titelessay van The White Album schrijft ze uitgebreider over deze conditie, die enkele jaren aanhield – jaren waarin Didion in de buitenwereld succesvol was, twee boeken publiceerde, columns schreef, werd verkozen tot Vrouw van het Jaar door de L.A. Times. Het was een toestand waarin haar geloof in de verhalen die ze zichzelf had eigengemaakt volledig verbrokkelde. Als ze zichzelf en de wereld opnieuw wilde begrijpen, moest ze op zoek naar een nieuwe manier van denken en schrijven. Niet door de oude verhalen te vervangen door nieuwe, maar door zich altijd te blijven verzetten tegen welk verhaal dan ook. Dat ze zelf zo’n icoon is geworden, en daarmee per definitie óók een hapklaar narratief, is misschien wel de grootste ironie van haar leven.

Later in haar Hawaii-essay bezoekt Didion de krater van een uitgedoofde vulkaan vol banyanbomen en bijna twintigduizend oorlogsgraven. Het is 1970, de Vietnamoorlog sleept voort maar dringt niet meer werkelijk door tot het publieke bewustzijn. Daar, op die verstilde plek in het hart van de vulkaan, worden wekelijks nog zo’n twee tot drie soldaten begraven. ‘Niet veel’, merkt Didion op. Tijdens een korte begrafenis die ze bijwoont waait het zo hard dat de vazen met gladiolen aan het verse graf omvallen. De woorden van de kapelaan zijn niet te horen.