Filosoferen over corona #2: Zygmunt Bauman en globalisering

Vloeibaar kapitalisme

Filosoof en jurist Martijn Stronks geeft de komende weken college aan zijn studenten in quarantaine over moderne mobiliteit. Hoe moeten we daar nu over denken, in tijden van corona? Een serie essays filosofie in actie. Deel 2: Zygmunt Bauman en globalisering.

‘Het coronavirus is op ieder niveau een product van globalisering. Het benadrukt zijn karakteristieken en neigingen’, zo stelt de Franse filosoof Jean-Luc Nancy, en ik denk dat de in 2017 overleden Pools-Britse filosoof en socioloog Zygmunt Bauman dat met hem eens zou zijn geweest. Op een planeet die is doortrokken van informatiesnelwegen kan alles wat lokaal plaatsvindt immers gevolgen hebben voor de rest van de wereld.

Er zijn, zoals Zygmunt Bauman treffend stelt in zijn boekje Liquid Times uit 2007, geen terra nulla meer, geen witte plekken op de kaart. Het Noorden mag dan uit alle macht proberen controle te houden op wat wel en niet vrijelijk over de globe beweegt, ondertussen is de globe onmiskenbaar een samenhangend geheel. Of het nu gaat om het kappen van bossen in Brazilië, oorlog in Syrië, bosbranden in Australië of de verkoop van besmet voedsel op een markt in China; het kan allemaal grote gevolgen hebben voor de rest van de wereld. De wereld heeft met andere woorden niet langer een ‘buiten’ waar problemen kunnen worden buitengesloten of achtergelaten.

In een wereld die in de eerste plaats wordt geordend door de circulatie van personen, kapitaal en goederen, hebben gebeurtenissen op de ene plaats onvermijdelijk een impact op het leven van anderen elders. Et voilà, als het coronavirus iets bewijst dan is het wel de onderlinge verbondenheid en afhankelijkheid van de wereld: ‘Er is geen plaats waarnaar men kan ontsnappen’.

Een virus laat zich in een wereld die zo onderling verbonden is simpelweg niet buitensluiten, het is een indringer in de bestaande geglobaliseerde orde. De Indiase schrijfster Arundhati Roy verwoordde dit treffend in de Financial Times toen ze schreef dat het virus ‘de spot (drijft) met grenscontroles, biometrie, digitale surveillance en ieder andere vorm van data-analyse, en – vooralsnog – de rijkste, machtigste landen van de wereld het hardst (trof), waarmee het kapitalisme trillend tot stilstand kwam’. Maar wanneer deze indringer is verjaagd, zal de orde er dan nog net zo uitzien als voorheen? Wat zal de coronacrisis betekenen voor het mondiale kapitalisme, de globalisering en de door sommigen zo vurig gewenste terugkeer naar de natiestaat?

Het zijn vragen die zich goed laten stellen aan de hand van het werk van Zygmunt Bauman. Ons samenleven in deze geglobaliseerde wereld wordt in toenemende mate gekenmerkt door een fundamentele openheid, stelt hij. Al heeft de globalisering een geheel nieuwe betekenis gegeven aan de ‘open samenleving’ zoals de Oostenrijks-Britse filosoof Karl Popper deze destijds bedoelde in zijn beroemde boek The Open Society and Its Enemies. Vroeger duidde deze gevleugelde uitdrukking op de zelfbeschikking van een samenleving die haar eigen openheid koesterde. Bauman, zelf beroemd om zijn gevleugelde uitdrukkingen en prikkelende beeldspraak, stelt dat in onze ‘vloeibare moderniteit’ de openheid van de samenleving ons juist kwetsbaar maakt voor het van elders geëxporteerde noodlot.

Waar de problemen van buiten komen, of een globale omvang hebben, lijkt het onmogelijk om beslissingen te nemen die deze kwalijke ontwikkelingen het hoofd bieden. Zelden las ik een treffendere en beknoptere samenvatting van het probleem van globalisering dan bij Bauman, die schrijft dat er een steeds groter gat bestaat tussen het vermogen om effectief te handelen (power) en het vermogen om te beslissen wat er moet worden gedaan (politics). De macht om problemen op te lossen is in toenemende mate globaal, terwijl de politieke besluitvorming om te kiezen wat moet worden gedaan lokaal is gebleven. Dat is in een notendop het door velen ervaren probleem van globalisering.

En zie daar de bron van fundamentele onzekerheid en angst: grote problemen als klimaat, economische ongelijkheid en de verschillen in mobiliteit zijn globale problemen waarvoor lokaal geen oplossing paraat is. Dit terwijl juist lokaal de gevolgen worden ervaren. Tel daarbij op de gestage afbraak van door de staat gevoede vormen van sociale zekerheid in veel noordelijke landen en het afwentelen van verantwoordelijkheden van globale problemen op de schouders van vrije, rationele individuen en we hebben de door Bauman beschreven ‘vloeibare moderniteit’ bij de kop.

Het huidige economische, door noordelijke landen gedomineerde bestel is gericht op vooruitgang, en dat betekent niet: geluk voor meer mensen, zoals het Verlichtingsideaal wil; nee, in de cynische analyse van Bauman betekent vooruitgang in de vloeibare moderniteit het tegenovergestelde: vooruitgang wordt gekenmerkt door de noodzaak om steeds minder mensen te laten delen in de voorspoed. De rijkste 26 mensen in de wereld bezitten in 2019 evenveel als de armste 3,8 miljard mensen. Sinds de financiële crisis van 2008 is het aantal miljardairs verdubbeld.

Dit terwijl de rijksten de afgelopen decennia steeds minder belasting zijn gaan betalen. De gemiddelde hoogste inkomstenbelasting was in de rijkste landen in 1970 nog 62 procent; in 2013 was dit gezakt naar 38 procent. In een land als het Verenigd Koninkrijk betaalt de armste tien procent inmiddels een hoger percentage van hun inkomen aan belasting dan de rijkste tien procent, zo blijkt uit het meest recente rapport van Oxfam Novib. Het grootste geluk voor het kleinste aantal, luidt het devies van deze tijd. En dat komt treffend naar voren als we kijken naar het vermogen van de rijkste mens op aarde. Jeff Bezos, de oprichter van Amazon, was in 2018 de rijkste man ter wereld, met een vermogen van zo’n 112 miljard dollar. Eén procent van zijn rijkdom staat zo ongeveer gelijk aan het budget van de gezondheidszorg van een land als Ethiopië, een land met 105 miljoen inwoners.

De vloeibare moderniteit wordt met andere woorden gekenmerkt door afvalproductie. Net als een iPhone niet wordt gemaakt voor levenslang gebruik, zo wordt een arbeider een flexwerker, iemand die bij de eerste kras kan worden afgedankt. Afvalproductie is de kern van de moderniteit, zo schrijft Bauman in Wasted Lives. Toen Michelangelo werd gevraagd hoe hij toch van die mooie beelden kon maken zou hij gezegd hebben: ‘Ik hak gewoon het overbodige weg’, zo houdt Bauman ons voor. Kenmerkend voor de vloeibare moderniteit is vooral het ziedende tempo waarmee afval wordt geproduceerd.

Zygmunt Bauman overleed in 2017 op de respectabele leeftijd van 91 jaar. Hij heeft de coronacrisis niet meer hoeven meemaken en hij heeft dus ook niet kunnen reflecteren op de betekenis van deze crisis voor de wereldorde. In hoeverre is de analyse van Bauman nog betekenisvol voor de wereld in en na de coronacrisis?

Terugkerend element in Baumans analyse van de moderniteit is zijn nadruk op de institutionalisering van angst. Juist omdat staten zich geconfronteerd weten met problemen die door globalisering van macht hun controle te buiten gaan, raakt politiek gericht op het voeden van angsten om de aandacht af te leiden van het gebrek aan controle. Door angsten voor terrorisme of vreemdelingen te vergroten kan op de korte termijn, tot de volgende verkiezing, nog electoraal succes worden geboekt terwijl de echte problemen worden verdoezeld.

Dit is wat Naomi Klein ‘Disaster Capitalism’ heeft genoemd. ‘Het meest evidente resultaat van het anti-terrorismebeleid was de razendsnelle toename van de omvang van de angst die de samenleving verzadigde’, is de prikkelende stelling van Bauman. In hoeverre dat waar is, lijkt me moeilijk te staven. Belangrijk lijkt mij vooral dat hij de vinger legt op een politiek van afleiding van de werkelijke problemen die tegenwoordig schering en inslag is.

Misschien dat die angstpolitiek nog wel beter zichtbaar wordt wanneer we kijken naar de omgang met mobiliteit. Asielzoekers en economische migranten zijn collectieve replica’s van de nieuwe elite van de geglobaliseerde wereld, zo luidt andermaal een opwindend aforisme. De nieuwe elite van noorderlingen die zich vrijelijk over de globe kunnen bewegen, welteverstaan, niet alleen miljardairs als Bezos valt dit privilege toe. Beide groepen – asielzoekers en de mondiale elite – maken gebruik van, of proberen gebruik te maken van, globale mobiliteit. Ze symboliseren de ‘space of flows’, zoals Manuel Castells dat heeft genoemd, al is het op tegengestelde wijze. De asielzoekers en economische migranten zijn de slechteriken in dit mondiale toneelstuk, daarmee verhullend dat het de mondiale elite is die het systeem in stand houdt waarvan de elite zo gulzig profiteert. De angst voor migratie leidt de aandacht af van de werkelijke problemen van de vloeibare moderniteit: klimaatproblemen, fundamentele ongelijkheid en precarisering van een steeds grotere groep mensen.

Maar zien we dan niet juist op dit punt een verschuiving plaatsvinden in de hedendaagse politiek? Waar de globalisering volgens Bauman gekenmerkt werd doordat macht en politiek zich niet langer op hetzelfde niveau afspeelden, lijkt nu juist daar een verandering plaats te vinden. Neem het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015; de afgelopen vijf jaar is er gesteggeld over maatregelen om de verdere opwarming van de aarde te voorkomen. Wat jaren van onderhandelingen, politieke discussies en lobbyen niet voor elkaar kregen, heeft het coronavirus in een paar weken bewerkstelligd. De afgelopen jaren verleenden landen steevast het primaat aan internationale handelsbelangen en de economie om zo maar stevige klimaatactie te ontlopen. Vooral een land als Nederland bediende zich vaak van het argument dat nationale actie geen gewicht in de schaal zou leggen en dat globale problemen vroegen om een globale oplossing.

Maar dat ligt nu plotseling anders. Op internet circuleren foto’s van de CO2-uitstoot boven Noord-Italië en China voor en na de lockdown. Opeens blijkt wat nationale actie kan bewerkstelligen. Niet dat het nu een goede zaak is dat de economie volledig stilligt; er zijn wereldwijd miljoenen mensen werkloos geraakt. Duidelijk is alleen wel wat nationale politiek vermag in zo’n kort tijdsbestek. En niet alleen het klimaat kan als voorbeeld dienen voor de plotseling aanwezige slagkracht van staten, ook in de gezondheidszorg en de sociale zekerheid is er ineens van alles mogelijk waar de afgelopen jaren slechts van gedroomd kon worden, al zijn er grote verschillen tussen landen. Of het voorbeeld van Portugal dat vanwege de volksgezondheid besloot onrechtmatig verblijvende vreemdelingen te regulariseren. En wat te denken van Hongarije dat de crisis aangrijpt om in feite een permanente noodtoestand in het leven te roepen en verdergaande inperkingen van de rechtstaat mogelijk te maken?

Voor wie verlangt naar een terugkeer naar de natiestaat zullen dit wellicht hoopvolle signalen zijn. Net zoals solidariteit vooraleerst lokaal op gang lijkt te komen, spelen ook de beperkingen van mobiliteit zich af binnen de landsgrenzen. Zo zijn aard en omvang van de specifieke restricties van de mobiliteit getekend door een couleur locale. Overal in het Noorden zien we de landsgrenzen weer met scherpe lijnen terugkeren. Op het eerste gezicht lijkt dit een zet terug naar de fase van solide moderniteit, waarin politiek en macht plaats hadden binnen de grenzen van de natiestaat. Herwint de natiestaat weer controle over de grote problemen van onze tijd? Het lijkt erop dat politiek en macht op een aantal punten inderdaad weer wat meer binnen de kaders van de staat zijn terug te vinden, maar of dit ook een tanende globalisering en de terugkeer naar de natiestaat met zich mee brengt, lijkt me maar zeer de vraag.

Het lijkt me dat er ook een belangrijke overeenkomst is tussen de pre- en post-coronamoderniteit. Naomi Klein waarschuwt in een opiniestuk in Vice met de veelzeggende titel ‘Coronavirus Is the Perfect Disaster for “Disaster Capitalism"’ dat het zeker niet vanzelfsprekend is dat de crisis tot fundamentele verandering zal leiden, integendeel. Klein waarschuwt dat de Amerikaanse reactie op het virus er een was van verwarring zaaien, het maximaliseren van de schok, waarna het aan de vrije markt wordt overgelaten om de problemen op te lossen.

Economische maatregelen zijn bovendien bedoeld om bedrijven te redden, niet zozeer om werkgelegenheid veilig te stellen. Ook zijn ze gebaseerd op belastingverlagingen, terwijl het dan weer precies de belasting is die nodig zou zijn om de enorme gaten in het Amerikaanse sociale zekerheidsvangnet provisorisch te dichten. Met andere woorden: de grondstructuur van het vloeibare kapitalisme blijft ongewijzigd. Eén op de tien mensen in de VS zit zonder baan sinds de coronacrisis, volgens schattingen raken deze maand in Amerika 20 miljoen mensen hun baan kwijt.

Maar ook in een land als Nederland, met een veel steviger sociale zekerheidsstelsel en een regering die een veel daadkrachtigere aanpak heeft, is het maar de vraag of de grondstructuren van de vloeibare moderniteit na de crisis niet gewoon in stand blijven. Het is immers nogal ironisch – zoals reeds door velen opgemerkt – dat het lijstje met cruciale beroepen in deze coronacrisis vooral bestaat uit beroepsgroepen die de afgelopen decennia het doelwit waren van eindeloze bezuinigingen en beknibbelingen. En Minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat mag dan teruggefloten zijn voor zijn uitspraak dat zzp'ers zelf gekozen hebben voor zelfstandigheid, toch is het maar de vraag of dit ware gezicht van het vloeibare kapitalisme niet evengoed weer terugkeert na de crisis.

Als macht en politiek ten dele weer terug te vinden zijn binnen de grenzen van de natiestaat, wie garandeert dan dat de overige elementen van de vloeibare moderniteit niet evengoed van kracht blijven, of zelfs aan kracht winnen? Het lijkt me niet ondenkbaar dat nationale staten ook na de coronacrisis weer met elkaar gaan concurreren om internationale bedrijven binnen te hengelen. Dat doen ze dan natuurlijk net als voorheen met verlaagde belastingen, verborgen steun en regelvrije zones. Belastinggeld dat dan niet kan worden besteed aan de cruciale beroepen. Nee, goede kans dat de verplegers, artsen, onderwijzers en politieagenten na de crisis een applaus, een handdruk en een knuffel krijgen, zodat we daarna weer kunnen terugkeren naar de vloeibare orde van de dag.

Onder het mom van wat meer nationale zeggenschap blijven de economische grondstructuren globaal, worden de sociale zekerheid en publieke taken verder uitgekleed vanwege de noodzakelijke post-crisisbezuinigingen, worden globale risico’s afgewenteld op het individu zodat de precarisering slechts toeneemt. Vloeibaar kapitalisme laat zich nu eenmaal niet beteugelen door landsgrenzen. En zo is er alleen maar meer reden om de angsten aan te wakkeren voor dat wat van over de grenzen komt; naast terroristen en migranten komen immers ook virussen van buiten.