Ger Groot

Vloek

In zijn imposante essay De vloek van Oedipus (uitgeverij Van Gennep) schrijft Michiel Leezenberg: ‘Veel hedendaagse taaltheoretici gaan ervan uit dat taalgebruik in diepste wezen een op samenwerking en wederzijds begrip gerichte bezigheid is. (…) De onderliggende gedachte dat “normaal” taalgebruik letterlijk en serieus, harmonieus en conflictvrij is, is ook anders uit te drukken: onze taal wordt hier voorgesteld als een soort sociaal contract.’

Vreemd is dat volgens Leezenberg niet. Deze taalopvatting kwam vrijwel op hetzelfde moment naar boven als de gedachte dat mensen van nature vrije, ongebonden individuen zijn, die pas sociale wezens worden door de sluiting van een maatschappelijk verbond. We zijn dan in de vroege moderniteit, die wordt bezegeld door de eeuw van de Verlichting. De taal als neutraal, machtsvrij instrument van communicatie gaat hand in hand met de ideologie van het liberale individualisme.

Dat heeft verregaande consequenties, want stel dat het er met de taal in werkelijkheid heel anders voor lag. Stel dat ze geen gewichtsloos medium was dat alleen maar diende om gedachten over te brengen, maar een eigen kracht en zwaarte had. Dan zou ze niet langer vervluchtigen in haar betekenis, maar een ding worden dat net als een wapen kon verwonden of als een balsem kon helen. Ze zou niet boven de werkelijkheid zweven, maar er deel van uitmaken. In de Griekse tragedies waar Leezenberg over schrijft heeft de taal nog die status. Het woord heeft macht omdat het zelf werkelijkheid is en daarom de wereld verandert. Vervloekingen en zegeningen doen wat ze zeggen, omdat taal daarin nog echt is.

Is dat ons volkomen vreemd geworden? Wie de afgelopen weken het Armeense debat gevolgd heeft, weet beter. Over feiten ging het daarin al lang niet meer. Wat historisch voorgevallen is, wordt door een handjevol nog maar betwist. Inzet van de controverse was alleen het woord dat ervoor gereserveerd moest worden. ‘Genocide’ werd zo tot een sjamaanachtige formule die, door het loutere uitspreken ervan de werkelijkheid markeert, zoals dat eerder al gebeurde met de woorden shoah, Endlösung en holocaust. Er mochten zelfs wetten aan te pas komen om die één-op-één-relatie tussen woord en feit te sanctioneren. Of dat laatste erg verstandig is, valt te betwijfelen. Maar duidelijk is wel dat woorden ook voor ons nog werkelijkheden zijn, al willen we daar als verlichte individuen liever niet aan en houden onbeheerste columnisten ons steevast voor dat hun schelden ons geen pijn doet. Dat laatste was de favoriete drogreden van moeders die geen andere troost te bieden hadden aan hun op school gepeste kinderen. Wij, gepeste kinderen, wisten dat die goede raad een schromelijk bewijs van onmacht was, even pijnlijk reëel in zijn onthulling als onwerkelijk in wat het zei. De pijn werd er, met dit hoogst alledaagse negationisme, intussen niet minder op.

Modern zijn wij, in onze verhouding tot de taal, dus hoogstens maar ten halve. En met ons individualisme staat het er al niet anders voor. De democratische contractsgedachte die ons tot abstracte, want in ieder opzicht gelijke partners in een politiek-maatschappelijk bestel maakt, heeft nooit kunnen wegnemen dat wij achter het neutrale masker van de citoyen nu eenmaal reddeloos verschillend zijn. Daar doet geen wetgeving iets aan, hoe heftig ze sinds een paar decennia ook opnieuw probeert datgene in zich uit te bannen wat menswetenschappen nu juist als basisdata nemen: familie en geslacht, leeftijd en klasse, afkomst, scholingsgraad en rijkdom.

Zo botst de wetgeving steeds heftiger op de realiteit, omdat zij de abstracte burger daarboven prefereert. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ook zij gelooft in de onschadelijkheid van woorden. Onder de noemer van de vrije mening wordt hen in principe onbeperkte ruimte toegekend, hoogstens in toom gehouden door al bijna overleefd klinkende overwegingen van smaad en eerroof. Abstracte taal en abstract individualisme gaan daarmee hand in hand.

Eén nadeel heeft dit modernisme wel. Het lijkt er in zijn etherische constructie eerder op afgestemd een samenleving van engelen te regelen dan van mensen. Het heeft zich van alle zwaarte, traagheid en soortelijk gewicht ontdaan en zou daarmee wrijvingsloos moeten functioneren. Dat de werkelijkheid steeds zand in zijn machine gooit, kan het alleen verklaren op grond van haar onvolmaaktheid, die om een nóg ingrijpender hervorming vraagt.

Daarmee stuurt het catastrofalerwijs op zijn eigen tragedie af. Uiteindelijk zijn feiten altijd zwaarder dan gedachten, en behoren woorden eerder tot de eerste dan de laatste. Geen controverse, zelfs geen discussie is zonder gevaar, stelt Leezenberg ten slotte vast. Conflict is de diepste maatschappelijke grondslag en één woord zet licht de ordelijke samenleving in lichterlaaie. ‘Ook op ons rust nog de vloek van Oedipus.’