Vloeken

Ik kreeg een mail van een meneer. Zoals ik wel vaker mails krijg. Bijvoorbeeld over mijn Aussiebum-onderbroeken, dat mensen (oudere mannen) mij daarin wel eens willen zien, of zelfs zonder.

Van een opgewonden hovenier die vindt dat Trouw een ander over tuinen zou moeten laten schrijven, omdat ik werkelijk nergens verstand van heb. Deze meneer had Boven is het stil gelezen. Hij vond het een mooi boek, alleen jammer dat er vloeken in opgenomen waren. Dat vond hij kwetsend en het vertoornt God. Een schrijver van mijn kaliber heeft zoiets toch niet nodig? En of ik daar in de toekomst rekening mee zou willen houden?

Ik antwoord vrijwel nooit op zulke mails. Domweg omdat ik me niet geroepen voel dat te doen. Wat moet je schrijven aan iemand die mij in mijn Aussiebums (of zelfs zonder) wil bewonderen? ‘Kom maar langs’? De hovenier zou ik nog kunnen schrijven dat ik mijn plek graag een maandje aan hem afsta, maar dat is best een passief-agressieve reactie, dus dat laat ik. Over deze godsdienstige mail dacht ik toch een tijdje na. Kán ik er rekening mee houden? Zeker, want ik doe dat al in de columns voor Trouw. Daarin mag niet gevloekt worden. Dus dat vermijd ik en ik vind dat prima omdat die krant nu eenmaal een sterk christelijke inslag heeft. Als ik wil vloeken, dan moet ik maar columns gaan schrijven voor NRC, De Telegraaf of De Groene Amsterdammer. Maar in een roman? Daarin spreken en denken personages, niet ik. Dat klinkt als de schrijver die zich verschuilt achter zijn personages, maar dat is het toch niet. Die personages moeten de vrijheid krijgen, zich ontwikkelen, doen en zijn waarvoor ze geschapen zijn. Ik ben geen misdadiger, maar kan wel een misdadiger neerzetten, bedoel ik. Ik ben geen vrouw, maar ik kan en mag wel een boek schrijven waarin een vrouw de hoofdrol speelt. En als die vrouw uit een bepaald sociaal milieu komt, of humeurig van aard is, zal ze best wel eens vloeken en tieren.

Belangrijker is natuurlijk de kwestie wie de vrijheid neemt iets te zeggen of doen en wie vindt dat hij of zij daardoor dusdanig gekwetst wordt dat er een grens wordt overschreden. De meneer had bij het lezen van de eerste vloek het boek weg kunnen leggen, een béétje gekwetst kunnen zijn, niet genoeg om mij erover te mailen, genoeg om te besluiten nooit meer een boek van mij te lezen. Maar hij koos ervoor door te lezen. In een boek trouwens waarin nauwelijks vloeken voorkomen. Ik heb geen zin mijn eigen boek te gaan lezen, maar als ik er meer dan drie vind, zijn dat er al meer dan ik verwacht.

Nóg belangrijker vind ik zijn gevoel, dat denk ik geldt voor alle gelovigen die zich gekwetst voelen. Mijn vloeken kwetsen hem en vertoornen (zijn) God. Waarom? Ik geloof niet, ik kan wat dat betreft opschrijven wat ik wil. Hij leest ze alleen maar, hij leest iets wat iemand anders opgeschreven heeft. Kan hij dan niet simpelweg – al dan niet gnuivend – denken dat ík verdoemd ben? Wat kan hem het schelen of ik word opgenomen in de een of andere engelenschare of niet? Of is het zo erg dat wanneer je een vloek leest je zelf ook besmet wordt? Vanwaar toch altijd die lange tenen, lichtgeraaktheid en schijnbare twijfel bij gelovigen? Twijfel, omdat een heiden blijkbaar door iets te roepen waar hij niet eens verstand van heeft al een complete godsdienst aan het wankelen kan brengen. Waarom niet denken: dit is mijn geloof, ik geloof hierin, dit is tussen mij en mijn god en daar kan niemand tussen komen? Nog sterker: ik kán God niet eens vertoornen, omdat ik niet in hem geloof.

Ik sta er nooit zo bij stil, maar feitelijk ben ik verbijsterd als ik op het Journaal items voorbij zie komen over bijvoorbeeld IS. Ik word nogal vaak voor naïef versleten, omdat ik de dingen graag vanuit alle simpelheid bekijk. Terug wil naar de wortel of de oorzaak van iets. De meeste mensen – op tv – zitten dan al lang en breed te bakkeleien over gevolgen en wat-eraan-te-doen. Vaak mis ik een stap, en schreeuw ik naar het tv-scherm of ze alsjeblieft even de boel in context willen plaatsen. Zó verbijsterd ben ik over IS dat ik er niet eens over na kan of wil denken. Zó onbegrijpelijk allemaal. Waarom wil je mensen doodmaken omdat ze niet datgene geloven waarin jij gelooft? Laat ze! Wees blij met je eigen geloof, en alles wat daarbij hoort, maar dwing anderen niet precies zo te zijn als jij! Nooit hoor of zie ik die oprechte verbijstering terug in tv-gesprekken die over onbegrijpelijke dingen gaan. Nooit zit er eens iemand te schreeuwen of keihard te huilen. Op zulke momenten besef ik dat we allemaal – bijna allemaal – al veel te ver heen zijn; onbegrijpelijke, verbijsterende zaken voor kennisgeving aannemen en daar vervolgens in alle ernst over praten. Ergens is iets heel erg fout gegaan.

We moeten terug, vind ik. Naar een kleine, overzichtelijke, begrijpelijke wereld. De meneer die mij in feite verbiedt te vloeken in boeken vind ik onverdraagzaam en betuttelend, daar ben ik achter. Hij wil mij de wet voorschrijven op basis van een geloof dat ik niet anders kan zien dan een sprookje, opgeschreven in het best verkochte boek aller tijden. Dat is zijn goed recht. Maar het is natuurlijk evengoed mijn goed recht geen gevolg te geven aan zijn oproep. Dit was een kleine, overzichtelijke en begrijpelijke kwestie en ik heb hem opgelost.