Gastcolumn

Vloeken en tieren

Een bezoek aan de expositie Paramaribo Perspectives in Rotterdam is een politieke daad. Ga er naartoe! Bouterse is nog niet van ons af.
ONDER de titel Paramaribo Perspectives ging op donderdag 9 september in Tent in Rotterdam een grote groepstentoonstelling van jonge Surinaamse kunstenaars van start: installaties, schilderijen, foto’s, sculpturen, en video’s. Over afkomst, toekomst, politiek, identiteit.
Je kunt er langzaam doorheen dwalen en meepeinzen. Er zijn persoonlijke stukken, van een jongeman die het leven van zijn grootmoeder gedenkt, viert bijna. Een aandoenlijke ode van een kleinkind. Er zijn ook opstandige werken die vrij direct en zonder vrees verwijzen naar de recente drama’s van de Surinaamse geschiedenis, zoals de installaties van Kurt Nahar over de decembermoorden.
Ik kon niet langzaam dwalen door de ruimten van Tent. Ik raasde er bijna stampvoetend doorheen en ik peinsde niet, ik vloekte en tierde. Niet omdat wat tentoongesteld werd niet fascinerend was. Integendeel: ik raad iedereen aan een bezoek te brengen aan Tent, de tentoonstelling blijft tot eind oktober staan. Serieus, men moet er naartoe, want de kans bestaat dat het heel lang zal duren voor we in Nederland weer de kans krijgen het werk te zien van jonge Surinaamse kunstenaars.
Daar gaat mijn irritatie over: het feit dat je, met het aantreden van Bouterse als president, de banden hoort knappen waar je bij bent. Het gaat snel. Kurt Nahar vertelde tijdens een debat in Tent dat hij nu al voelt dat hij voorzichtiger te werk moet gaan. Dat hij niet alles kan maken wat in hem opkomt. Hij zei dat hij nu ‘subtieler’ werkt, omdat het huidige regime niet graag herinnerd wordt aan zijn wandaden, zijn gebrek aan moraal, zijn kwaadaardigheid.
Het debat werd op zondag 12 september gehouden en er waren twee typen meningen die het bloed onder mijn nagels vandaan haalden: er waren Surinamers die de schurken die nu aan de macht zijn het voordeel van de twijfel gunden. Het zal niet zo vreselijk zijn, we hebben erger meegemaakt, Surinaamse kunstenaars redden zich wel. Dit zijn nieuwe tijden en dus nieuwe kansen, misschien is er een heroriëntatie nodig, op de eigen regio: Venezuela, Jamaica. In plaats van Nederland dus.
Het tweede type kwam van Nederlanders, die zeiden dat het inderdaad tijd werd voor Surinaamse kunstenaars om zelfstandig te worden en op eigen benen te gaan staan. Om zich te bevrijden van het paternalisme van Nederland, de Nederlandse betutteling en bemoeizucht.
De twee opvattingen hebben eigenlijk eenzelfde grondslag: het oeroude antikoloniale nationalisme. De mythe van de soevereiniteit. De gedachte dat de wereld verdeeld is in landen, en dat er in die landen volkeren leven, en dat die volkeren hun eigen weg bepalen en op een eigen manier invulling geven aan het leven. Dus ook aan kunst en cultuur.
Het was dit nationalisme van onder anderen ex-president Venetiaan dat stelde Nederland niet meer nodig te hebben. Venetiaan was in 1975 minister van Onderwijs en voerde in die hoedanigheid de onderhandelingen over de soevereiniteitsoverdracht. In die tijd bestond de Stichting Culturele Samenwerking (Sticusa), die gans de Surinaamse cultuur financierde: alle bibliotheken, theaterzalen, muziekscholen. Er werden geen voorwaarden verbonden aan wat men las in die bibliotheken, wat men deed in die zalen, welke muziek men leerde spelen. Maar Venetiaan eiste de opheffing van Sticusa. 'Wij hebben u niet nodig. Wij zullen onze eigen romans wel schrijven’, waren zijn woorden.
Nederland legde zich erbij neer. Uit opportunisme, omdat de PVDA echt van Suriname af wilde, en uit gebrek aan zelfrespect en een gevoel van minderwaardigheid, omdat wat uit Nederland kwam nooit de moeite waard kon zijn.
Die Surinaamse romans zijn nooit geschreven. De bibliotheek werd bijna twintig jaar niet meer voorzien van nieuwe boeken, de belangrijkste theaterzaal had geen doek en geen lampen en de klapstoelen waren vermolmd. De muziekschool vloog in brand.
De algehele verloedering veroorzaakte in kunst en cultuur een achterstand van eeuwen. Elke trommelaar was weer een heuse muzikant, elke vorm van straattoneel kreeg een première met hoogwaardigheidsbekleders die in traditionele kledij arriveerden. Elk versje werd gezien als hoogwaardige poëzie, elk kinderopstelletje werd literatuur, en 'elk kuiken in een hok werd gepresenteerd als een kunstinstallatie’, om de in Suriname wonende Ellen Ombre te citeren.
Langzaam krabbelde de Surinaamse kunst weer op: Nederlandse instellingen, stedelijke fondsen en kunstacademies namen zelf initiatieven om te komen tot 'uitwisseling’: Nederlandse kunstenaars die een paar jaar in de tropen wilden werken, mochten er ook les geven, en Surinaamse kunstenaars mochten hier opleidingen volgen en exposeren. De tentoonstelling in Tent is een van de resultaten.
Maar plotseling, met het aantreden van Bouterse, is het oude nationalisme, dat een ander woord is voor isolationisme, nieuw leven ingeblazen. Bouterse cum suis hebben daar belang bij: zij willen geen Nederlandse bemoeienis, omdat hun criminele activiteiten het daglicht niet kunnen verdragen. Surinaamse kunstenaars zullen er direct onder lijden, omdat ze afgesneden raken van de buitenwereld. De enkele Surinamers die murmelen dat er ook nog Venezuela en Jamaica is, die durven daar amper naartoe, vanwege de onveiligheid. Bovendien hebben de kunstenaars het in die landen zelf al moeilijk genoeg.
Het meest ergerlijke is niet dat hernieuwde Surinaamse nationalisme, dat voortkomt uit kortzichtigheid en soms gewoon ook uit gebrek aan talent; het meest ergerlijke is de Nederlandse onderschrijving van dat nationalisme. Er zijn nog steeds Nederlanders die vinden dat ze zich niet meer moeten bemoeien met een land dat al sinds 1975 onafhankelijk is.
Onafhankelijk gemaakt. Ertoe gedwongen. Dat zeggen ze er niet bij. Een heel volk de verdoemenis in geholpen, dat willen ze niet weten.
Daarom zeg ik: ga massaal naar Tent. Steek de Surinaamse kunstenaars een hart onder de riem. Maak duidelijk dat Bouterse nog niet van ons af is. Een bezoek aan Paramaribo Perspectives is in die zin een politieke daad.