Vlucht

Het moet ergens in het voorjaar van 1987 zijn geweest dat mijn zusje, onder een viaduct, een jonge duif vond. Hij lag versuft naast twee dode soortgenoten. Thuis werd hij in een doos gelegd, waar hij in een hoekje bleef knikke­bollen. Mijn moeder dacht dat hij het niet zou redden, maar mijn zusje en ik gingen naast de doos zitten en lazen hem sprookjes voor. We gaven hem de strijdlustige naam ‘Rocky’. Dat werkte wonderwel. ’s Avonds waren zijn oogjes weer helder. In de dagen die volgden begon hij te piepen en door zijn doos te scharrelen. We voerden hem stukjes brood en water. Hij at flink. Tenslotte kreeg Rocky zijn eigen huisje op het balkon: een grote kooi die we zo lang van een buurman mochten lenen. Als hij beter was, zei mijn moeder, moesten we hem weer loslaten. Mijn zusje en ik waren het daar volledig mee eens. Natuurlijk mocht Rocky weer gaan.

Maar zijn herstel verliep wel erg voorspoedig. Al na een week of twee zat hij, achter de tralies, verlangend naar de verte te koeren. We twijfelden. Hij was toch nog wel jong. Hij zou kunnen verdwalen, in die wijde hemel. Een kat zou hem te grazen kunnen nemen. Uiteindelijk kwamen we tot de conclusie dat hij eerst een proefvlucht moest maken, een soort revalidatie. We bonden dus een lange, wollen draad om zijn pootje en zetten hem op de reling van het balkon. Hij keek even om zich heen, bromde een beetje en klapwiekte toen weg, heel nonchalant, alsof wij twee willekeurige meisjes waren, bij wie hij zomaar even had gelogeerd. We lieten de draad vieren, zo snel mogelijk, alsof we een levende vlieger oplieten, maar Rocky was te sterk. Hij trok de draad stuk en verdween met een sierlijke bocht uit ons blikveld. Verbijsterd bleven wij achter. Nog wekenlang hebben we elke dag op het balkon gestaan om hem te roepen. Het hielp niet: hij kwam nooit meer terug. Inmiddels zal hij 25 zijn. Dat is behoorlijk oud, voor een stadsduif. Maar hij leeft nog, ergens. En hij is gelukkig. Ik weet het zeker.