Vlucht

Omdat ik om drie uur ’s nachts wakker lig, hoor ik het dak reigeren in de storm. Het is gevoelswindkracht 8. Ik woon in een huurwoning die een aantal jaar geleden vooral optisch is gerenoveerd, wat je kunt herkennen aan de gekozen materialen. Zo zou je hier in huis bijna geloven dat er muren zijn, maar er zijn geen muren. Er zijn alleen maar wandjes. Bakstenen zijn steenstrips, houten balken stickers en het plafond is eigenlijk vooral een eindigheidsgedachte. Het meest zorgwekkende is het dak, dat reigert als het waait. Iedereen die wel eens zo’n vogel op heeft zien vliegen, langs een slootkant of vanaf het dak van een schuurtje, kan zich daar een beeld van vormen. Dat moment vlak vóór vertrek, daar gaat het om bij reigeren. Het is nooit de vlucht, maar steeds die poging op te stijgen, iets tussen klapwieken en luchtfietsen in. Met een luid ‘kiedong, kiedong’ rukt het dak aan de gepande vleugels, in de hoop zich los te maken van de ondergrond. Een onrustbarend geluid. Een dak dat reigert is een dak dat liever elders was geweest.

Nu deel ik dat verlangen te vertrekken, zij het vooral richting de donkere vergetelheid aan de andere kant van het bewustzijn. Maar ik kan er niet mee ophouden hier te blijven. Ik denk aan het poppenhuis dat ik rond sinterklaastijd in een speelgoedwinkel zag staan. Je kon het rode dak openklappen om vier houten kindertjes in hun stapelbedden te leggen. De houten kindertjes hadden kleine, zwarte oogjes waarmee ze onophoudelijk staarden en monden die onophoudelijk lachten. Ze droegen gestreepte pakjes. Gevangenen, dacht ik. Maar het zou ook kunnen dat het pyjama’s waren. Op de zijkant van het poppenhuis zat een sticker. Het was afgeprijsd, wegens ‘lichte beschadigingen’. Het dak kon niet helemaal dicht, zag ik. Er was een scharnier verbogen.

Ik weet al wat er komt, morgen, als ik nu niet slaap. Ik weet dat ik weer ergens heen zal moeten op een steeds onmogelijker wordend tijdstip. Ik weet dat ik wateriger zal kijken, humeuriger zal zijn, minder oplettend, minder werklustig. Dat er kinderen naar school moeten, waar een heel leger schijnbaar uitgeslapen ouders de wenkbrauwen optrekt bij het zien van mijn wallen, mijn haar, mijn hijgend afgezette kleuter. Mijn slapeloosheid past nooit in de planning van andere mensen, de bioritmen van andere mensen, de verwachtingen van andere mensen. De oorzaak van slapeloosheid is vaak niet veel meer dan de angst ervoor. Maar zelfs dat helpt soms niet. Ik maal. Ik pieker. Het dak reigert (‘kiedong, kiedong’) en ik klik tegen beter weten in mijn nachtlamp aan. Om half vier in de ochtend lees ik Johanna Geels.

Vluchtinformatie

Hier volgt een bericht voor mensen
die het ook niet weten
’s avonds hun gezicht afleggen
in de spiegel boven de wc,
het doorspoelen als een goudvis:

Alles om ons heen is bedacht

Voor meer informatie
druk hier

Om deze pagina te verlaten
druk ESC

(Johanna Geels, uit: Wildberichten, 2014)

Boven mijn hoofd klinkt een luide knal, alsof er iets losschiet. De goten rammelen als kettingen. Zo gaat dat: het gevaar zit niet in de naderende storm, maar in de kleine onderdelen. Lichte beschadigingen. In mensen die het ook niet weten en behoefte hebben aan vluchtinformatie. Ik zou best mijn vinger op de pagina willen leggen, op het onderstreepte ‘hier’, maar het is al te laat. Mijn hoofd zit veel te vol, buiten klappert alles onbedaarlijk door. Over een uur of wat word ik wakker zonder dak. Een reuzenkind zal zwijgend naar binnen gluren, ik zal een gestreept pakje dragen en een gezicht hebben dat niet meer af te leggen valt. ESC. Je moet niet méér bedenken dan noodzakelijk is, midden in de nacht. Je moet het licht uit doen. De pagina verlaten.