Raadselen rond de moord op de Indonesische mensenrechtenactivist Munir

Vlucht GA974

De moord op de Indonesische mensen rechtenactivist Munir is nog altijd niet opgelost. Alles wijst op een complot. Maar het motief ontbreekt.

AKARTA/ AMSTERDAM – Op Schiphol is de ochtendploeg net aan de slag wanneer een levenloos lichaam van boord wordt gedragen. Het is dinsdag 7 september 2004. Op de vlucht van luchtvaartmaatschappij Garuda is een Indonesische man een akelige dood gestorven. Stuiptrekkend van de buikpijn was hij met kalmeringsmiddelen in slaap gebracht. Enkele uren later, ergens boven Hongarije, kwam een stewardess tot de ontdekking dat hij was overleden.

Voor de Nederlandse autoriteiten is er op dat moment nog geen aanleiding om kwade opzet te veronderstellen. Op de luchthaven is niemand ervan doordrongen dat het lichaam toebehoort aan een van de bekendste en moedigste mensenrechtenactivisten van Indonesië. Een arts komt vertraagd naar Schiphol om de doodsoorzaak vast te stellen. De passagiers van de GA974 kunnen niet langer worden vastgehouden. De politie neemt alleen getuigenverklaringen op van degenen die direct met de man in contact zijn geweest. Onder hen zijn leden van het cabinepersoneel, een Indonesische hartspecialist die heeft bijgestaan en een Nederlandse farmaceut die naast de overledene heeft gezeten.

Munir Said Thalib was op weg naar Nederland voor een vervolgstudie rechten aan de Universiteit van Utrecht. Hij zou tot 2008 wegblijven en zich concentreren op het vakgebied «mensenrechten». Volgens vrienden was hij van plan de terreur van de binnenlandse oorlog in Atjeh te kiezen als speciaal aandachtsgebied. Hij had van de hulporganisatie ICCO een beurs gekregen en was blij ertussenuit te kunnen. Meer dan vijftien jaar had hij het opgenomen voor de verschoppelingen in Indonesië.

Munir begon zijn carrière in 1989 bij de rechtshulporganisatie YLBHI, toen president Soe harto nog vast in het zadel zat. Hij verdedigde de dissidenten die tegen het dictatoriale regime van Soeharto in verzet kwamen. In 1998 richtte Munir de commissie KontraS op, die zich verzette tegen verdwijningen. Soeharto lag onder vuur van studentendemonstraties en tientallen actievoerders werden door speciale militaire eenheden ontvoerd. Ook na de val van Soeharto bleef Munir onverminderd actief. In juni 2002 stichtte hij met medestanders de mensenrechtenwaakhond Imparsial.

Munirs werk werd niet door iedereen op prijs gesteld. Hij werd herhaaldelijk bedreigd, maar liet zich niet intimideren. In augustus 2001 gooiden onbekenden een brandbom in zijn huis in Malang. De kantoren van zijn organisaties werden verschillende keren aangevallen door bendes die de computers vernielden en de staf onder handen namen.

Na zijn dood aan boord van het vliegtuig neemt het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) proeven van Munirs bloed. Het wordt gepresenteerd als standaardprocedure omdat de doodsoorzaak niet direct kan worden vastgesteld. Met toestemming van de familie wordt autopsie verricht. Daarna blijft het stil. Onder zijn vrienden wordt de dood van de 38-jarige Munir al bijna geaccepteerd als een triest maar natuurlijk verlies. De voor de hand liggende gedachte dat de activist zou zijn geliquideerd, vindt steeds minder gehoor.

Na ruim twee maanden, op 11 november 2004, komt uit Nederland de onheilstijding. Via NRC Handelsblad wordt bekend dat Munir is vergiftigd. Het NFI had een hoge concentratie arsenicum in zijn bloed gevonden, 3 milligram per liter. In zijn maag werd nog eens 465 milligram van het gif aangetroffen. Het was vele malen de dodelijke hoeveelheid. Munir had nooit een kans gehad.

De complottheorieën komen direct op gang. De moord op Munir was gepleegd in de tijd dat de eerste directe presidentsverkiezingen van Indonesië in volle gang waren. Een politiek motief lag voor de hand. Na een eerste ronde in juli waren twee van de vijf kandidaten overgebleven, regerend president Megawati Soekarnopoetri en haar uitdager en voormalige minister van Veiligheidszaken Susilo Bambang Yudhoyono. De finale van de historische stembusgang was op 20 september gehouden, twee weken na de moord op Munir.

Andere theorieën zien een relatie met Munirs vertrek naar Nederland. Hij zou mogelijkerwijs over cruciale informatie beschikken over de systematische mensenrechtenschendingen in Atjeh, Oost-Timor of Papoea of over een grote corruptiezaak. Wellicht zou hij die inlichtingen in het relatief veilige Utrecht wereldkundig gaan maken en vanuit Nederland een internationale campagne opstarten. De activist moest voortijdig uit de weg worden geruimd.

Of is er een persoonlijk motief? De moord zou uit wraak kunnen zijn gepleegd. Volgens zijn vrienden zou Munir de carrières hebben gebroken van verschillende ambitieuze legerofficieren. «Munir had veel vrienden, maar ook heel veel vijanden. Hij vernederde de militairen keer op keer», aldus mensenrechtenadvocaat Todung Mulya Lubis.

Geen van de scenario’s wordt onderbouwd met overtuigende feiten. Maar tot ieders verbazing komt binnen enkele dagen een aantal onmogelijke toevalligheden aan het licht die de richting van het onderzoek naar Munirs dood definitief zullen bepalen.

De echtgenote van Munir, Suciwati, herinnert zich een telefoontje van een man die zich als Polly had geïntroduceerd. Hij vroeg haar op welke dag Munir naar Nederland zou vliegen. Met tegenzin had ze hem geantwoord. Toen ze het later aan haar man meldde, zei Munir dat hij wel eens eerder door Polly was benaderd. «Het is een rare snuiter. Hij doet alsof we vrienden zijn», had Munir haar verteld.

Bij Imparsial herinneren de medewerkers dat een man met de naam Pollycarpus na de dood van Munir op het kantoor was langs geweest om zijn condoleances over te brengen. Op Munirs mobieltje wordt verschillende ke ren hetzelfde onbekende binnengekomen nummer gevonden. Het blijkt het nummer van Pollycarpus.

Pollycarpus Budihari Priyanto (37) wordt al snel gevonden. Hij lijkt zich van geen kwaad bewust. Hij is als piloot in dienst van Garuda. Op 6 september was hij naar Singapore gestuurd in verband met een gestrand vliegtuig op de luchthaven Changi. Hij zegt Munir te hebben herkend en hem zijn business class stoel te hebben aangeboden.

Het verhaal is van meet af aan on geloof waardig. Pollycarpus spreekt zichzelf bij herhaling tegen. Hij ontkent Munir te hebben gebeld, ondanks de feiten die spreken uit het geheugen van Munirs simkaart.

De piloot van Garuda heeft een opmerkelijke loopbaan achter de rug. In de jaren tachtig vloog hij voor christelijke missieorganisaties in Irian Jaya (Papoea). In 1999 was hij betrokken bij de evacuatie van Indonesiërs uit Oost-Timor terwijl het leger en milities moordend en brand stichtend een spoor van vernieling trokken nadat het volk voor afscheiding had gestemd. Desgevraagd verklaart de beruchte militieleider Eurico Guterres dat hij Pollycarpus heeft gekend.

In de Indonesische media wordt druk gespeculeerd over de toedracht van de moord. Steeds vaker wordt het leger als dader genoemd. Het levert de weduwe Suciwati een dreigement op. In november wordt bij haar thuis een ontlede kip afgeleverd. Op het bijgevoegde briefje staat: «Pas op. Beschuldig het Indonesische leger niet van Munirs dood. Of wil je ook zo eindigen?»

Onder druk van activisten en het parlement besluit de nieuw gekozen president Susilo Bambang Yudhoyono in december tot de oprichting van een speciaal onderzoeks team, TPF. Het team telt twaalf leden, onder wie activisten, juristen en ambtenaren onder leiding van politiebrigadier-generaal Marsudi Hanafi.

Het team krijgt de taak in zes maanden zo veel mogelijk feiten en aanwijzingen te verzamelen. De feiten dienen aan de president te worden gerapporteerd en zullen ten dienste staan van het tegelijkertijd lopende politieonderzoek. Het is een vreemde constructie, die wordt gezien als een diskwalificatie van de politie. Zoals zou blijken niet geheel zonder reden.

Een simpele reconstructie geldt als uitgangspunt. Munir was na het eerste traject in de business class en een transit in Singapore op zijn oorspronkelijke stoel 40G in de econo my class gaan zitten. Volgens ooggetuigen werd hij na vertrek al snel ernstig ziek en begon hevig over te geven. Munir vroeg om de hulp van een medepassagier, de hartspecialist Tarmizi die hij in Singapore had ontmoet. Even later werd hij opnieuw naar de business class verhuisd. Een Nederlandse man met Indonesische achtergrond naast wie hij eerder had gezeten, gaf hem water te drinken. Tarmizi diende kalmeringsmiddelen toe. Veel meer is niet bekend.

Al snel is duidelijk dat het verhaal van Pollycarpus praktisch onmogelijk is. Hij was met de vlucht van 21.40 uur uit Jakarta naar Singapore gevlogen en had vanuit Singapore de eerste ochtendvlucht om 6 uur terug naar Jakarta genomen. Hij had onmogelijk zijn opdracht voor Garuda kunnen uitvoeren.

De schriftelijke autorisatie als «aviation security officer» van Garuda wekt bevreemding: hij was getekend door de president-directeur Indra Satiawan. Nooit eerder kreeg een piloot instructies rechtstreeks van de CEO van de nationale luchtvaartmaatschappij.

Een tweede brief autoriseerde Pollycarpus om op elke Garuda-vlucht mee te kunnen. De brief was gedateerd 4 september, twee dagen voor Munirs vertrek. Maar nadere inspectie van de administratie van Garuda wees uit dat de brief moest zijn geantidateerd. Volgens het logboek was de brief acht dagen na de moord op Munir geschreven en op 17 september getekend.

Over de betrokkenheid van Garuda kan geen twijfel meer bestaan. Maar daarmee is er nog geen verklaring voor de moord. «Garuda heeft geen reden om Munir te vermoorden. De vraag is: wie is machtig genoeg om Garuda voor eigen doeleinden te gebruiken», vraagt TPF-lid Rachland Nashidik zich in de pers hardop af.

Datzelfde geldt voor Pollycarpus. De piloot had mogelijk de taak om zeker te stellen dat Munir op stoel 3K in de business class kwam te zitten. «Dat maakt hem niet automatisch de moordenaar of de enige betrokkene. Het is best mogelijk dat zijn taak daar ophield», aldus Rachland, een goede vriend en collega van Munir.

Terwijl het speciale onderzoeksteam opmerkelijk veel aanwijzingen boven water krijgt, loopt het politieonderzoek verbazingwekkend stroef. De arrestatie van Pollycarpus laat maandenlang op zich wachten en telefoonnummers worden niet nagetrokken. De rechercheurs accepteren blindelings dat er geen opnamebanden zijn van de beveiligingscamera’s op het vliegveld van Jakarta.

Het hoofd van de transnationale veiligheid, brigadegeneraal Pranowo Dahlan, heeft een andere verklaring voor het gebrek aan vooruitgang. Hij stelt dat Nederland het onderzoek bemoeilijkt. Voor de overhandiging van het originele autopsierapport en de getuigenverklaringen eist minister van Justitie Piet Hein Donner dat Indonesië niet de doodstraf zal toepassen als een dader gevonden is. In Den Haag wordt touwgetrokken tussen Donner en minister Ben Bot van Buitenlandse Zaken, die zijn uiterste best doet de betrekkingen tussen Nederland en Indonesië te verbeteren.

Eind maart, na veel diplomatiek verkeer, komt procureur-generaal Abdul Rahman Saleh met het verlossende woord: «We garanderen de doodstraf niet te zullen opleggen.» De documenten worden overhandigd, maar het speciale onderzoeksteam loopt nauwelijks warm voor de inlichtingen uit Nederland. «De politie staart zich daar bewust op dood», zegt een TPF-lid op basis van anonimiteit: «Dan hoeven ze namelijk niet naar de werkelijke toedracht te zoeken.»

Waar het spoor wél naar leidt is overduidelijk: de Indonesische inlichtingendienst BIN. Als Pollycarpus in maart eindelijk wordt gearresteerd, wordt er een schat aan nieuwe informatie gevonden. In het geheugen van zijn mobiele telefoon worden nummers aangetroffen van hoge BIN-functionarissen. Het blijkt dat de hoofdverdachte zowel kort voor als kort na de moord herhaaldelijk telefonisch contact had gehad met generaal-majoor Muchdi Purwopranjono, tweede man van de inlichtingendienst en voormalig bevelhebber van de gevreesde speciale strijdkrachten Kopassus. Muchdi was betrokken geweest bij de gijzeling van activisten gedurende de studentendemonstraties van 1998. Het was onder anderen Munir geweest die zijn rol had onthuld. Een militaire commissie zag zich gedwongen de ontvoeringen te onderzoeken en onthief Muchdi uit zijn functie.

Bij nader verhoor geeft Pollycarpus toe nauwe banden met BIN te hebben. Maar het schijnbare complot wordt steeds complexer. Bij hem thuis is een notitieblokje gevonden met een schets die lijkt op de stoelenverdeling in een vliegtuig. Ernstiger is de vermelding van twee politiekolonels die nota bene deel uitmaken van het rechercheteam dat met de zaak-Munir is belast. Achter de namen staan twee opdrachten gekrabbeld: om twijfel te zaaien over de uitslag van het forensisch onderzoek in Nederland en om de weduwe van Munir te benaderen, zo meldt een lid van het TPF op voorwaarde van anonimiteit. Binnen de politie blijkt inderdaad niet iedereen de moord te willen oplossen.

Het onderzoeksteam zit met een nieuw dilemma. Als Pollycarpus in opdracht van BIN heeft gewerkt, dan heeft hij er een rotzooitje van gemaakt. Hij heeft geen enkel alibi en kan zijn betrokkenheid redelijkerwijs niet meer ontkennen. Pollycarpus heeft veel te veel sporen achtergelaten. Heeft hij alles fout gedaan? Of is het opzet om alle schuld op hem te laden?

Ondanks herhaaldelijke oproepen weige ren de functionarissen van BIN vragen te beantwoorden van het TPF. Het presidentiële mandaat wordt genegeerd. Ondanks alle aanwijzingen maakt de politie geen aanstalten om hen als verdachten te arresteren.

Nog altijd kijkt de politie liever de andere kant op. De aanbevelingen en verzoeken van het TPF-team worden zelden opgevolgd. In plaats daarvan wenst de recherche twee getuigen te horen, Lie Khi Ngian en diens echt genote, beiden van Chinees-Indonesische afkomst, maar in bezit van het Nederlandse paspoort. Lie had vanaf Jakarta naast Munir gezeten.

In april reist Lie om persoonlijke redenen terug naar Indonesië. Inlichtingen over zijn komst zijn doorgeseind. Hij wordt op het vliegveld opgewacht en psychologisch onder druk gezet omdat hij een immigratieovertreding zou hebben begaan. Het verhoor levert niets op. «Lie kon zich geen details herinneren», verklaart de politie teleurgesteld.

Er is haast geboden. Het mandaat van het onderzoeksteam loopt op 24 juni af. Zonder overtuigend bewijs zal er voor de politie geen aanleiding zijn om de zaak bij de openbare aanklager in te dienen. Kort voor de deadline, op 15 juni, meldt het hoofd van het TPF dat er een document is gevonden waarin vier methoden voor de moord op Munir zijn uiteengezet. De herkomst van het document wordt niet bekendgemaakt. De scenario’s zijn een auto-ongeluk, zwarte magie, vergiftiging op kantoor en vergiftiging in het vliegtuig op weg naar Amsterdam. Over het motief geen woord.

Het onderzoeksteam dient het eindrapport op vrijdag 24 juni bij de president in. De bevindingen zijn vertrouwelijk. Het politieonderzoek wordt op last van de president voortgezet onder leiding van het TPF-hoofd Marsudi Hanafi.