Vluchtdier

Mariken Heitman geeft een nieuwe invulling aan een klassiek Bildungsverhaal © Jelmer de Haas

Tijdens haar studie biologie raakt Elke gefascineerd door de wateraap, een diersoort die volgens een pseudowetenschappelijke theorie de ontbrekende schakel in de darwinistische evolutieleer is: ‘Deze theorie stelde dat er in de evolutie van aap naar mens een tussenvorm was die in of bij het water leefde, een korte, natte episode die onze menswording onherroepelijk vorm gaf. Onze vroege voorouders, mensachtige primaten, zouden op zeker moment uit de bomen zijn neergedaald om het water te bezetten.’ Hoewel er praktisch geen bewijs is voor het bestaan van dit dier en haar docenten er lacherig over doen, slaat Elke’s interesse om in een obsessie. Ze besluit op de wateraap af te studeren en reist naar Wenen om in contact te komen met een Nederlandse evolutiebioloog, die ooit een monografie over deze amfibische tussenvorm publiceerde.

De obsessie van het hoofdpersonage uit De wateraap, de debuutroman van Mariken Heitman (1983), is niet alleen de drijvende kracht achter het verhaal, het is ook een vrij beladen metafoor. Elke is als vrouw geboren, maar in de puberteit werd haar lichaam androgyn: ‘Ik groeide krom en ontweek het lichaam dat voor mij bedoeld was. Er was iets mis met mij.’ Zoals de wateraap het midden houdt tussen aap en mens voelt Elke zich vrouwelijk én mannelijk. Deze gelijkenis ligt aan de basis van een onorthodoxe verwantschap, die Elke houvast biedt in een weinig begripvolle wereld.

Zo bezien gaat dit verhaal dus over genderproblematiek, maar dergelijke woorden zul je in De wateraap niet tegenkomen. Daarvoor is Heitman een te subtiele verteller, en dit boek te buitenissig. Die originaliteit zie je ook terug in de vorm. De geleedheid van de wateraap is namelijk niet alleen een cruciale component van de centrale metafoor, maar wordt ook nog eens weerspiegeld in de structuur van deze roman, die welbeschouwd uit drie onderdelen bestaat: een coming of age-verhaal, een liefdesgeschiedenis en een introspectieve epiloog.

Het eerste deel behandelt Elke’s jeugd. Van haar kinderjaren tot haar eindexamen verbleef ze vaak bij Ko, de alleenstaande zus van haar grootmoeder, om te helpen in de tuin. In een lyrische stijl wordt verteld hoe Elke de natuur ontdekt, affiniteit krijgt met haar schoonheid en wreedheid. Heitman schrijft geconcentreerd en zintuiglijk, waardoor vrijwel iedere bladzijde verrassende details en beschrijvingen bevat: ‘Alles bewoog en alles wilde kiemen, de vlokken droegen zaden en ze daalden neer, streken langs mijn wang, landden op mijn shirt, het werden er steeds meer en de lucht werd dik en wit. Mijn longen waren kussenslopen die zich vulden met dons, steeds voller, tot het in mijn mondholte kriebelde en ik hoestend alles uitblafte.’

‘Ik groeide krom en ontweek het lichaam dat voor mij bedoeld was’

Deel twee begint met Elke’s aankomst in Wenen. Ze dwaalt hulpeloos rond en vervalt in wat obligate reflecties over eenzaamheid in een vreemde stad. Wanneer zij de evolutiebioloog, die Lena blijkt te heten, eindelijk vindt, slaat de sfeer om: Lena stemt direct in om haar te helpen met het onderzoek en neemt Elke onder haar hoede. En hoewel al snel blijkt dat Elke in een ‘dode theorie’ geïnteresseerd is, mag dat de pret niet drukken. Lena is namelijk ook een enigmatische, aantrekkelijke vrouw, en Elke wordt verliefd. Tot haar verrassing is de belangstelling wederzijds: een spontane kus mondt uit in een romance.

Deze emotionele liefdesrelatie is met veel zorg beschreven, maar krijgt iets landerigs. De ontwikkeling van de verhouding wijkt niet af van het romantische standaardverhaal. De oorspronkelijke, beeldrijke stijl van het eerste deel is ingeruild voor een alledaagse, babbelige verteltrant.

In het derde deel lijkt de schrijfster zich te herpakken. Wanneer Elke door een familiekwestie abrupt naar Nederland moet terugkeren, besluit ze in het oude huis van Ko te verblijven. Daar overpeinst ze haar veranderde zelfbeeld en kijkt ze met een hernieuwde blik naar de planten en dieren in de tuin. In contemplatief en gevoelig proza maakt Elke de balans op, onsentimenteel en zonder zelfmedelijden: ‘Mijn heimwee bleef altijd onbepaald, mijn hollen ongecoördineerd. Een vluchtdier in de regen schuilde niet.’

Heitmans ogenschijnlijk simpele verhaal zit vol met excentrieke zinnen en beelden en bevat enkele memorabele gebeurtenissen en passages, zoals de bijkans socratische dialogen tussen de twee geliefden en een deus ex machina in de vorm van een genderfluïde dichter.

Met De wateraap levert Heitman een veelstemmige roman af die volstrekt eigenzinnig een nieuwe invulling geeft aan een klassiek Bildungsverhaal.