Migratiedenkers #3: Farish Noor

‘Vluchtelingen beantwoorden niet aan de marktvraag’

Hoogleraar internationale politiek Farish Noor ziet parallellen tussen de vluchtelingenstromen in Europa en ‘zijn’ Zuidoost-Azië. In beide gevallen worden vluchtelingen slechts gezien als indringers en parasieten en niet als mensen met een eigen leven.

Medium rtr4yf8c

‘Het begint met de taal’, zegt hij. ‘Als je het over bootvluchtelingen hebt en ze voorstelt als een “ramp” suggereer je dat het gaat om een onvermijdelijke situatie die niet was te voorzien, een bedreiging waardoor we worden overvallen. Politici en de media leveren het vocabulaire waarmee “de ander” als vijand wordt gezien. De manier waarop we elkaar tegenwoordig dehumaniseren is geraffineerder geworden, zelfs meer politiek correct. In het verleden kon je mensen eenvoudig terzijde schuiven, als bosneger of spleetoog. Nu gebruiken we woorden als vluchteling, economische migrant, asielzoeker, maar altijd is er het idee in vervat dat ze iets van ons willen. Ze willen opvang, ze willen onze huizen, onze banen. Alsof het verlangen naar een beter leven iets verkeerds is.’

De Maleisische intellectueel Farish Noor, hoogleraar internationale politiek aan Nanyang Technological University in Singapore, praat snel, gedreven, zijn woordenstroom wordt alleen af en toe onderbroken door zijn hoge, wat nerveuze lachje. Hij staat bekend als de hipste denker van zijn land, een Maleisische krant noemde hem onlangs de ‘rock star professor’. De vluchtelingenkwestie gaat hem aan het hart, al jaren, hij schrijft er vlammende opiniestukken over voor Aziatische dagbladen. Zijn blik is daarbij ruim: hij kijkt naar het mondiale perspectief, naar de geschiedenis, en naar de taal.

‘De definities bepalen of mensen kunnen reizen of niet’, zegt hij. ‘Ik kan de hele wereld over reizen voor mijn werk. Net als de expats, de professionals, het “human capital”. Ik ben de goede reiziger, omdat ik een dienst kan leveren waar de markt om vraagt. Vluchtelingen beantwoorden niet aan de marktvraag. De termen menselijk kapitaal en vluchteling zijn keerzijden van dezelfde medaille: het is de markt die uitmaakt wie kan reizen en wie niet. We leven kortom in een gedehumaniseerde samenleving. We hebben wreedheid genormaliseerd en het zelfs verbonden met marktwaarde.’

Noor geeft inmiddels twintig jaar college in de geschiedenis van Zuid-Azië en Zuidoost-Azië, daarvoor was hij verbonden aan universiteiten in Berlijn, Parijs en Leiden. Hij schreef provocatieve boeken en artikelen over de vorming van staten en naties, zoals The Other Malaysia en What Your Teacher Didn’t Tell You. Als historicus weet hij hoe natievorming gepaard gaat met het afbakenen van de nationale identiteit, hoe er in elk land dat hij bestudeert vragen leven als ‘wie zijn we?’ en ‘wie zijn we niet?’. De beantwoording daarvan heeft alles met politiek en macht te maken.

‘Mijn zorg is dat we vergeten dat we tot één menselijke familie behoren’, zegt hij. ‘Staat- en natievorming gaat ironisch genoeg altijd samen met ontmenselijking. Ik ken niet één natie die een identiteit heeft weten op te bouwen terwijl ze vanzelfsprekend omging met de eigen complexiteit. We zijn allemaal bastaards, maar staten kunnen daar nog steeds niet mee overweg. Daarom zoeken we naar simpele oplossingen en de meest simpele oplossing is het aanwijzen van tegenstanders, van bedreigingen.’

Farish Noor (1967) is, zegt hij met zijn lachje, zelf in ieder geval een bastaard. Al vijf generaties lang is er in zijn familie sprake van gemengde huwelijken; zijn voorouders zijn Javaans, Nederlands, Indiaas, Arabisch, Schots. ‘Voor mij was gemengd zijn de norm’, vertelt hij, ‘we zijn ook zo opgevoed. In Maleisië, en ook in China en Indonesië, werd de politiek van ras in die tijd dominant. Op school waren er voortdurende beledigingen, zelfs onder vrienden maakten we akelige grapjes. Ze hadden altijd een connotatie van erbij horen of niet. In mijn geval werd gezegd: “Ga terug naar India!” Mijn vader was Indiaas.’

Hij ging in de jaren tachtig studeren in Engeland, filosofie aan de universiteit van Sussex, daarna behaalde hij nog een master in Zuidoost-Azië-studies in Londen. ‘Thatcher was aan de macht en ook daar zag je toen de politiek van ras opkomen. In de jaren zeventig en tachtig was er de angst voor migratie vanuit de oude koloniën. Ik merkte het als ik op straat liep en een oud omaatje plotseling aan de overkant ging lopen als ze mij zag. De televisie liet voortdurend stereotypen over immigranten zien. Ik had het geluk dat de steden waar ik woonde, Londen, later Parijs en Berlijn, kosmopolitisch waren. De grote stad is per definitie hybride.’

Hij is somber over de wereld. Verschillende keren tijdens ons gesprek zegt hij dat je gek bent als je nu niet depressief bent. ‘We zijn nu op een kruispunt beland’, stelt hij. ‘Wereldwijd grijpen twee heel slechte dingen in elkaar: ons onvermogen om onze gemeenschappelijke menselijkheid te bevestigen en revolutionaire technologische ontwikkelingen. We hebben nu de technologie die ons in staat stelt ons massaal te verplaatsen, om overal informatie vandaan te krijgen en uit te wisselen. En die technologie is in handen van een mensheid die zich als beschaving nog niet geëvolueerd heeft. Ik ben doodsbang voor het internet, omdat ik ook radicale politieke en religieuze groeperingen bestudeer en zie hoe zij daarop bloeien. Facebook zou ons allemaal vrienden maken!’

Het probleem van internet is volgens hem dat iedereen in zijn eigen bubbel kan leven: kosmopolitische intellectuelen even goed als racisten. Je buren kun je volstrekt negeren, want in de virtuele wereld kun je je louter met gelijkgestemden omringen. ‘Ik weet niet wat je ertegen kunt doen’, zegt hij. ‘Zelfs de meest liberale regering op de planeet kan, hoeveel macht ze ook heeft, geen wetten ontwerpen die ons menselijk maken. Je kunt wetten opstellen die grenzen stellen aan haat, die hate speech verbieden, maar er kan geen wet opgesteld worden die mij dwingt van mijn naaste te houden.’

Soms wordt hij zo moe van de wereld, van het dominante denken, van de markt die alle domeinen van het leven binnendringt, ook dat van de universiteit, dat hij denkt: waarom hou ik er niet mee op? Hij deed dat eerder, in 2008, toen hij colleges ging geven bij een galerie op de centrale markt in Kuala Lumpur. ‘Ik was een soort academische activist op het marktplein. De respons was overweldigend. Alsof er geen betere dingen te doen zijn dan naar een stom college over geschiedenis gaan op een zondag. Zoals slapen. Maar mensen kwamen. Op de langere termijn verandert het echter niets. Ik kreeg er ook niet voor betaald en ik moet nog steeds zorgen dat er eten op tafel komt voor mijn familie.’

‘Of het nu om ­Syriërs, Irakezen, Rohingya of Bangladeshi gaat, het narratief is precies hetzelfde’

En dus probeert Noor tegengif te bieden in zijn kleine bubbel, de academie. Hij legt uit: ‘De conventie is om geschiedenis lineair te onderwijzen: één geschiedenis, vanuit één land. Wat ik daarvoor in de plaats stel is een polygenetische geschiedenis. Zuidoost-Azië was nooit één plaats, het waren altijd veel plaatsen die elkaar overlappen; er is niet één verhaal over te vertellen, het zijn verhalen die in elkaar grijpen, vooral door de Zuidoost-Aziaten. Dus we moeten de geschiedenis van mensen vertellen, en nooit van staten of koningen of machthebbers. We moeten vertellen van migratie en landverhuizingen, want migratie is de geschiedenis van de mensheid.

Onze hele regio wordt gedefinieerd door migratie. Krabbel aan het oppervlak van een Zuidoost-Aziaat en je vindt daaronder dat hij van gemengde afkomst is. Onze talen zijn hybride, cultureel zijn we in elk opzicht hybride. Het is de tragiek van het negentiende-eeuwse kolonialisme en het twintigste-eeuwse postkolonialisme. Het laatste nam de logica van het kolonialisme over: de moderne staat is een natiestaat, onze grenzen zijn nog steeds de koloniale grenzen, die getrokken waren door de Britten, de Nederlanders, de Fransen en de Amerikanen. Er was niet de neiging om te kijken naar de tijd van vóór het kolonialisme, toen de grenzen nog vloeiend waren. Daarmee zijn we onze erfenis van migratie vergeten en beschermen we onze grenzen zoals de Europeanen dat doen.’

Denkt hij echt, vraag ik, dat het helpt als we weten dat we allemaal migranten zijn. ‘Het helpt alleen al bij de erkenning dat we één universele mensheid vormen’, zegt hij. ‘De filosoof die grote invloed op me heeft gehad is Emmanuel Levinas, zijn notie van het gezicht van de ander heeft me mijn waardensysteem helpen vormen. Hij schreef over de ervaring van vervolgd worden. Op het moment dat de onderdrukker in het slachtoffer menselijkheid ziet wordt onderdrukking moeilijk. De gandhiaanse benadering: oké, als je me wil neerschieten, schiet dan, maar zodra je in mijn ogen kijkt, zie je een heel leven. En dan is het niet makkelijk om de trekker over te halen.’

Medium farish 20noor

Farish Noor volgt het Europese nieuws over de vluchtelingenstroom uit Syrië en Irak op de voet en daarbij vallen hem de parallellen op met de berichtgeving in Zuidoost-Azië over de Rohingya. Allereerst zijn er de overeenkomsten in taal. De Aziatische media refereren aan de Rohingya als ‘boat people’ en ‘homeless’, als kwetsbare slachtoffers, met alle connotaties die erbij horen: ze zijn parasieten, ze willen van ons profiteren. ‘Het benadrukken van het slachtofferschap is gevaarlijk’, vindt hij, ‘omdat het vertoog van slachtofferschap overgaat in dat van “de ander” en vluchtelingen reduceert tot hun kwetsbaarheid.’

De Rohingya vormen een minderheid in Birma, waar ze als indringers uit Bangladesh worden gezien. Ze zijn stateloos en hebben geen burgerrechten, ook al leven veel families al eeuwen in het land. De laatste jaren zijn de islamitische Rohingya systematisch vervolgd door de boeddhistische meerderheid, zozeer dat mensenrechtenorganisaties wezen op een dreigende genocide. Tienduizenden Rohingya ontvluchtten Birma per boot, waarbij ze zich overleverden aan mensensmokkelaars. Geen omliggend land wil hen hebben.

‘Dat politici zeggen dat de Rohingya geen thuis hebben vind ik tot daar aan toe’, zegt Noor. ‘Maar de media en academici in Zuidoost-Azië begonnen ook over hen als thuisloze mensen te schrijven. Hoe bedoel je thuisloos? Ze hebben, of beter: hadden een thuis, Rakthine, en dat zijn ze gedwongen te verlaten. Rakthine is een deel van Birma en behoort tot de regio, dus ze zijn Zuidoost-Aziaten, zoals wijzelf. Ze horen hier. Waar zouden ze naartoe moeten gaan? Naar Canada?’

Wat hem hoop geeft, zijn de grote aantallen ‘gewone’ mensen die de Rohingya hulp geven. ‘Ik zag dat in Thailand, Indonesië, Maleisië en Singapore. Zij verzamelden geld en vonden dat ze de Rohingya niet op zee konden laten sterven. Ik was erdoor geroerd, want in Zuidoost-Azië neemt de markteconomie een steeds grotere vlucht met de hele denkwijze die daarbij hoort en hier zag ik menselijkheid.’

‘De vraag is’, vervolgt hij, ‘waarom kunnen sommige mensen gastvrij zijn en andere niet? Dat heeft alles met angst te maken, begrijpelijke angst voor het verlies van banen en geld, voor de toekomst. De ironie is dat de welvaart van Zuidoost-Azië nu juist een vlucht heeft kunnen nemen vanaf de jaren tachtig omdat we onze economieën openden. We doen twee dingen in de regio: we halen mensen uit Bangladesh en Indonesië en exploiteren ze, we klagen erover, maar de economische groei is te danken aan goedkope vreemde arbeid. Het andere is dat we voor onze technologische vooruitgang buitenlands talent binnenhalen. Sommige groepen zijn dus welkom en andere niet. Dat is zo’n routine geworden in ons deel van de wereld dat mensen het niet eens meer als een probleem zien. We hebben het geaccepteerd.

Mijn waarschuwing is: we hebben onze welvaart te danken aan het feit dat wij, net als in Europa, al decennia geen oorlog meer hebben gehad. Terwijl onze regio net als Europa gedrenkt is in bloed. We hebben Pol Pot gehad, Soeharto, Marcos, dat waren massamoordenaars. Vanaf de jaren zeventig vond er een soort magische truc plaats en zijn we gewend geraakt aan een nieuwe norm. We hebben ons zo snel aan die nieuwe norm, vrede, aangepast, dat we ons recente verleden zijn vergeten. Maar die vrede kan voorbij gaan. En als dat gebeurt, moeten al die Zuidoost-Aziaten die de Rohingya niet willen opvangen bedenken dat zij de volgende Rohingya kunnen zijn.’

‘We geven met al onze vooruitgang en technologie geen betekenis meer aan het leven van mensen’

Er hoeft alleen maar iets krankzinnigs te gebeuren, zoals Donald Trump als president van de VS, zegt hij, en alles verandert radicaal. In Zuidoost-Azië zie je al de oplopende spanningen tussen China en de VS. ‘Je ziet aan de ene kant de afbrokkeling van Amerika als de laatste westerse imperiale macht en aan de andere kant de opkomende macht van China. Geen van beide wil inbinden, dus het leidt onvermijdelijk tot spanning. Heel Azië samen kan China en Amerika niet weerhouden van wat ze willen.’

Er is nog een parallel tussen de vluchtelingenstromen in Europa en Zuidoost-Azië en dat is de angst voor de radicale islam. ‘Bij de vluchtelingenstroom van Rohingya’, vertelt Noor, ‘waren er ook veiligheidsanalisten die waarschuwden dat er onder hen radicale moslims waren, die de crisis gebruikten om een ander land binnen te komen. Je ziet, niks is uniek, of het nu om Syriërs, Irakezen, Rohingya of Bangladeshi gaat, het narratief is precies hetzelfde.’

Maar zit daar niet ook werkelijkheid in, opper ik. Europa heeft toch te maken met jongeren die uitreizen naar Syrië om voor IS te vechten, en sommige van die Syrië-strijders keren terug. Onder de vluchtelingen kunnen zich ook jihadisten bevinden.

‘Waar maak je je bezorgd om?’ vraagt Noor. ‘Dat mensen weggaan uit hun comfort zone om te vechten? Dat gebeurde tijdens de Spaanse Burgeroorlog ook al, toen verlieten ook linkse Europeanen hun comfort zone, hun universiteit aan Oxford. Weggaan zelf is niet het probleem. We leven nu in een geglobaliseerde wereld, waarin alles verbonden is, dat maakt het bedreigender. Maar het diepere probleem is waaróm mensen uit een welvarend land afreizen. Waar zijn ze naar op zoek? Ik denk ten diepste dat alle mensen op zoek zijn naar betekenis, in de meest extreme vorm doen ze dat door eruit te stappen. “Opt out”, mensen doen dat voortdurend, ze gaan in communes wonen, houden zich in een alternatieve gemeenschap op.

Ook vanuit Zuidoost-Azië reizen mensen af, en niet alleen het lompenproletariaat, maar ook accountants, artsen, academici. Het is iets waar we niet graag over praten, omdat we de markteconomie hebben nagejaagd maar ons liever niet afvragen wat die markteconomie voor ons doet. In Zuidoost-Azië heerst vanaf de jaren tachtig het idee dat niet de staat ons gelukkig maakt maar de markt, en als je ongelukkig bent, bouw ik een nieuw vliegveld voor je, een nieuw hotel, een nieuwe golfbaan of een nieuw winkelcentrum. Maar hoeveel winkelcentra wil je hebben? Uiteindelijk is er nog steeds dat vacuüm in je leven.’

Farish Noor deed het nodige onderzoek naar radicalisering in Zuidoost-Azië, hij schreef er onder meer de boeken Writings on the War on Terror en Quran and Cricket over. ‘Als je naar de getuigenissen kijkt van strijders die zich hebben overgegeven’, zegt hij, ‘dan zie je dat ze a) denken dat ze het juiste doen, b) niet het idee hadden dat ze afreisden om kwaad te doen, ze dachten dat ze het goede gingen doen, en c) ze allemaal het idee hadden dat ze geen goed konden doen in hun eigen maatschappijen omdat het systeem hun dat niet toestond. Ze kiezen daarom voor een krankzinnig en radicaal alternatief, dat extreem gewelddadig en moreel onacceptabel is. Maar dat betekent dat er sprake is van een crisis in onze moderne kapitalistische wereld, dat we met al onze vooruitgang en geavanceerde technologie geen betekenis meer geven aan het leven van mensen. We hebben ook geen mensen meer, alleen consumenten en producenten, we zijn factoren in marktcalculaties.

Dat is wat ik zie in die getuigenissen: wanhoop en verveling, dat hun leven letterlijk geen betekenis had. Er zijn nu generaties die opgroeien met films en games over superhelden, Iron Man, Transformers, Lord of the Rings. Waar zijn hun mythologieën van menselijkheid, waar zijn hun menselijke helden? Alles wat ze kennen is de markt.

We moeten aanvaarden dat de mensen die in Syrië gaan vechten menselijke wezens zijn. Je ziet nu dat er in het politieke debat en de media de neiging is die strijders te ontmenselijken, maar juist hier hebben we de menswetenschappen nodig. Er is zo veel ontmenselijking, het maakt me depressief. Daarmee los je een probleem als IS niet op. Ik wou dat ik je een happy ending kon geven, maar ik weet het niet.’

Farish Noor was afgelopen najaar in Nederland voor het literaire festival Read My World, toen vond ook dit gesprek plaats


Migratiedenkers

Grote groepen migranten voor de poorten van Europa onderstrepen het eens te meer: migratie, gedreven door de vlucht voor geweld of door de hoop op een betere toekomst, is een van de belangrijkste mondiale vraagstukken van dit moment. Op zoek naar de betekenis en gevolgen van migratie in de 21ste eeuw gaat De Groene Amsterdammer de komende tijd in gesprek met prominente denkers over migratie. Na Ian Goldin en Slavenka Drakulic deze week Farish Noor.


Beeld: (1) Rohingya-bootvluchtelingen dobberen rond op de Andaman Zee (Soe Zeya Tun / Reuters); (2) Farish Noor. ‘Waar zijn de menselijke helden?’