Een tikkende tijdbom van menselijke ellende

Vluchtelingenhel

In Griekenland is een parallelle wereld van vluchtelingen ontstaan. Tweederangsburgers die door de politiek grotendeels worden genegeerd, met alle inhumane gevolgen van dien.

Terwijl het toestel van Aegean Airlines – het piepkleine regionale vliegtuigmaatschappijtje dat nog over is van het ooit trotse Olympic Airways – daalt, kijk ik naar beneden: pikdonker, slechts een paar lichtjes. We scheren ver buiten de bebouwde kom van Thessaloniki over verlaten industrieterreinen en vervallen loodsen waar sinds maart tienduizenden mensen zijn neergeplempt. Ik zie niets, maar weet dat ze er zijn. Ik probeer me voor te stellen hoe getraumatiseerde vluchtelingen reageren op onze loeiende vliegtuigmotoren pal boven hun hoofd. Ongetwijfeld katapulteert de herrie menigeen terug naar de razende bommenwerpers waar ze ooit voor vluchtten.

In mijn archiefmapje zitten de laatste artikelen die begin dit jaar in de Nederlandse media verschenen, toen Fyrom, zoals de Grieken het voormalig Joegoslavische buurrepubliekje koppig blijven noemen – Macedonië is en blijft volgens hen een Helleense naam waar niemand anders recht op heeft – de grens met Griekenland sloot. Dat ging niet zomaar in één keer. Verslaggevers die toen nog massaal naar de grens bij Idomeni trokken, rapporteerden zakelijk over de feiten: ‘Macedonische regering laat alleen nog maar Syriërs, Afghanen en Irakezen toe’; ‘Boze Pakistanen, Bangladeshi, Somaliërs en Nigerianen raken slaags met Macedonische grensbewakers’; ‘Eén dode na vechtpartijen aan de Grieks-Macedonische grens’; ‘Duizenden niet-Syrische vluchtelingen slapen op de treinrails bij Idomeni met uitzicht op het nu voor hen ontoegankelijke Macedonië’; ‘Niet meer dan vijftig mensen per dag mogen de Grieks-Macedonische grens over’.

Over hoe ijzig koud, nat, vies en modderig het daar indertijd aan die grens was, zonder sanitaire of andere voorzieningen; over hoe hoogzwangere vrouwen moesten achterblijven om te bevallen terwijl man en kinderen alvast de grens overliepen; over hoe talloze minderjarigen, die tijdens de oversteek op zee van Turkije naar Griekse eilanden hun ouders hadden verloren door de verdrinkingsdood, ten prooi vielen aan ronselaars voor de Noord-Europese seksindustrie is sporadisch geschreven.

Ik lees voor de zoveelste keer het krankzinnige verhaal over hoe de deportatie afgelopen maart en april van meer dan zestienduizend gestrande grensvluchtelingen is verlopen: vrolijk uitgedoste clowns (!) dartelden rond tussen doodvermoeide families, compleet met opa’s, oma’s en kinderen die plaats moesten nemen in bussen die hen naar een onbekende bestemming ‘ergens in de buurt van Thessaloniki’ zouden brengen. Volgens de overlevering reden diverse buschauffeurs uren vertwijfeld rond, schreeuwend achter het stuur door hun mobiele telefoons, omdat hun niet duidelijk was verteld waar ze hun menselijke lading af moesten leveren.

Sindsdien is het akelig stil in de media. Niemand is nieuwsgierig naar waar al die mensen naartoe zijn gebracht of naar hoe ze daar nu leven. Op 8 juli publiceerde het Griekse Nationale Centrum voor Ziektepreventie en Controle (keelpno) een alarmerend rapport dat niemand heeft opgepikt. Na onderzoek en controle van zestien vluchtelingenkampen rondom Thessaloniki concludeerde het instituut dat er sprake was van ‘acuut gevaar voor de nationale volksgezondheid’ – dus niet alleen voor de vluchtelingen, maar ook voor de Grieken – en adviseerde het de regering dringend alle locaties per direct te sluiten en de vluchtelingen in Griekse gemeenten te integreren.

De mensen zitten overal, zonder uitzondering, aldus het rapport, veel te dicht op elkaar, slechts gescheiden door gespannen dekens of tentzeilen; op alle locaties is de luchtverversing niet goed geregeld, de meeste vluchtelingen hebben long- en ademhalingsproblemen; schurft en andere huidziektes zijn geconstateerd; er wordt onvoldoende vuilnis geruimd; er is nauwelijks toegang tot schoon water; op sommige locaties, zoals in een oude afgedankte leerlooierij, komt ronduit giftig water uit de kraan en slapen mensen onder daken van asbest op door chemicaliën vervuilde vloeren. De ‘kampen’ liggen ver van de bewoonde wereld, dikwijls vlak naast plekken met stilstaand water waar miljoenen muggen leven die het risico op ziektes nog groter maken.

Het rapport is naar de Griekse ministers van Migratiebeleid, Gezondheid en Defensie gestuurd, lees ik. Waarom Defensie? Het Griekse leger schitterde door afwezigheid vanaf begin 2015, toen vooral het eiland Lesbos door meer dan zevenhonderdduizend vluchtelingen werd overspoeld, en de bewoners het tot de herfst van dat jaar zelf maar moesten oplossen, samen met een paar buitenlandse vrijwilligers en spontaan lokaal opgerichte ngo’tjes. Maar Defensie krijgt nu een keelpno-rapport? Weer een vraag voor het Press Office.

Voor vragen over binnenlands en buitenlands beleid, om ministers of burgemeesters te interviewen, en om officieel toegang te krijgen tot welk vluchtelingenkamp in Griekenland dan ook, moet je via het Griekse Press Office in Athene per e-mail toestemming vragen. Er werken allervriendelijkste Engelssprekende meisjes en jongens – iedere keer weer iemand anders – die zich voortdurend verontschuldigen voor the delay. Het is me nog nooit gelukt binnen vier weken toestemming te krijgen voor bezoek aan de kampen rondom Piraeus, en ook niet op Lesbos voor het beruchte kamp Moria, dat na de deal van de EU met Turkije in een detentiecentrum is veranderd, en waarin alle vluchtelingen die na 18 maart aanspoelden gevangen worden gezet. Daar moeten ze wachten op deportatie terug naar Turkije. Op dit moment zitten 66.000 vluchtelingen in Griekenland vast die geen kant uit kunnen.

Ook deze keer ben ik zonder papieren naar Thessaloniki vertrokken. Ik heb zelfs geen lijst van kampnamen en adressen gekregen, want the authorities are overburdenend and understaffed, een van de standaardzinnetjes die de Press Office ad nauseam aan buitenlandse journalisten mailt als verklaring voor het niet beantwoorden van vragen of het uitblijven van papierwerk. Dankzij Iannis, een lokale fotograaf annex chauffeur – zonder eigen vervoer mét gps en iemand die de regio kent is het onmogelijk de locaties te vinden – en Ahmed, een in Griekenland geboren Syriër die voor de Griekse ngo Solidarity Now vertaalt, staan we de volgende dag voor de poort van Vassiliki Camp: 1550 mensen, terwijl er plaats is voor 750, dertig kilometer buiten de stad, recht tegenover een autokerkhof, naast een snelweg. Treurige oude loodsen waarin ooit grote hoeveelheden medicijndozen en reuzenpakketten vloer-, keuken- en badkamertegels werden opgeslagen, omheind door een nieuw hek, spiksplinternieuwe slagboom en frisnieuwe wachthuisjes bij de ingang.

De politiebewaker zegt zoals verwacht: ‘Geen papieren, geen toegang.’ Maar Ahmed heeft al vaker met dit bijltje gehakt. Hij overtuigt de verveelde man ervan dat wij óók voor de ngo werken, alleen nog niet zijn geregistreerd. Dat lukt. Ahmed, zuchtend: ‘Gelukkig zat déze agent er. Bij die andere was het niet gelukt. Die haat pottenkijkers.’

In een busje op het kale terrein vol papiertjes en plastic afval voor de grote loodsen wacht de rest van zijn team: twee maatschappelijk werkers en een psychologe, allen eind twintig. De juriste die vluchtelingen helpt bij de ingewikkelde en vooral ondraaglijk trage asielprocedure is vandaag afwezig: burn-out.

‘Overal protesteren Griekse schoolouderverenigingen tegen de komst van vluchtelingenkinderen op “hun” scholen’

Terwijl we naar de loodsen lopen zegt psychologe Nestoria: ‘Het grootste probleem is de gekmakende onzekerheid waarin die mensen hier verkeren, het gillende gebrek aan informatie wat betreft hun asielaanvraag, het uitzichtloze wachten.’ Ze somt op: ‘Angst- en paniekaanvallen, heftige ptss, nachtmerries, slapeloosheid, melancholie, lethargie, verlamming, depressie, agressie, suïcidaliteit, en heel veel kinderen die in de kampen zijn gaan bedplassen.’

Er valt weinig aan te doen. Op grote schaal worden pillen uitgedeeld. Soms angstremmers op recept, vooral kalmeringsmiddelen. Voor de bedplassers zijn er speciale programma’s. En de ouders krijgen ‘technieken’ aangereikt hoe daarmee om te gaan. Maatschappelijk werkster Maria, bleek, doodmoe, vertelt: ‘We lopen rond, luisteren naar hun wanhoop, kijken wie we kunnen troosten, wie behoefte heeft aan een arm om zich heen, een schouder om op te huilen. Soms is er een crisis, dan krijgt iemand een fit of laait er een gewelddadige ruzie op.’

Haar collega’s haasten zich uit te leggen dat dat ‘normaal’ is, dat de omstandigheden zo ellendig en onmenselijk zijn, dat je als je óns, Noord-Europeanen, op deze manier bij elkaar zou stoppen, precies dezelfde uitbarstingen zou krijgen. Ahmed vertelt monotoon dat de meeste mensen nu wel geregistreerd zijn. Dat betekent dat ze zijn ‘ingeschreven’ bij de unhcr, die samen met Griekse en buitenlandse juristen de asielprocedures regelt, en dat ze een keuze hebben gemaakt uit achttien EU-landen, waarvan er acht in volgorde van voorkeur mogen worden aangevinkt met een ‘motivatie’. Dan is het soms maanden wachten op een ‘eerste gesprek’ bij de respectievelijke ambassade in Athene, waar ze met speciale bussen naartoe kunnen reizen. Ja, ook terug. Daarna is het weer maanden wachten op een tweede gesprek.

Naar ‘voorkeur’ wordt helemaal niet gekeken, weet inmiddels iedereen, en van de door de EU beloofde family reunion komt in de praktijk ook niets terecht. ‘We durven niets meer te zeggen over hoe lang ze nog moeten wachten, want dan komt er opstand’, zegt Ahmed. ‘Toen ze hier kwamen is hun verteld dat het voor één of twee maanden zou zijn. Zeven maanden zijn al voorbij. God weet hoe lang het nog duurt. De doorstroom naar andere EU-landen lijkt volledig vastgelopen.’

Terwijl het team ons meeneemt naar de grote zwarte ingang van een van de loodsen houden moeders met kindjes in hun armen Ahmed aan. Hij wordt bekogeld met schreeuwvragen, papieren worden op zijn borst gedrukt. Met zachte stem probeert hij hen te kalmeren. ‘Nee, nee, ze is ziek, komt morgen weer, we kunnen nu niets doen.’ Iedereen wil de afwezige juriste spreken.

We horen luid gekrijs. Enkele vrouwen in veel te warme – de Griekse zon brandt aan de hemel – lange jurken en hoofddoeken hollen naar Nestoria. Grote consternatie, geroep en geduw. Het team rukt uit. Iedereen weet waar naartoe. Naar Fatima. Binnen in de loods, waar honderden witte gescheurde oude legertenten zonder bodemzeil staan, met gammele veldbedjes erin en ervoor, ‘woont’ Fatima. Ze heeft sinds ze weet dat haar man nog in leven is nu íedere dag een soort psychotische aanval.

Fatima is beeldschoon, rank en sierlijk als een Arabische sprookjesprinses, ondanks de vale huidskleur van haar betraande gezicht en de diepe zwarte kringen onder haar ogen. Ze is 21, Syrische. Tijdens de oversteek op zee van Turkije naar Lesbos begin maart 2016, dus vóór de achttiende, is ze door de mensensmokkelaars gescheiden van haar man, die op een ander bootje terechtkwam. Háár dinghy is aangekomen bij Skala Sykamenia, het inmiddels ‘beroemde’ Lesbiaanse dorpje met tweehonderd inwoners waar in oktober 2015 op één dag ongeveer 29.000 mensen ‘aanspoelden’. Maar het bootje van haar man bleek spoorloos. Ze was hoogzwanger en heeft in haar eentje de hele reis van Lesbos naar Piraeus, van Athene naar Idomeni, en ten slotte van Idomeni naar Vassiliki Camp gemaakt.

Hier is ze in april bevallen van een jongetje, van wie ze door haar verdriet over de vermoedelijke dood van haar man niets wilde weten en dat ze resoluut weigerde de borst te geven. Terwijl Nestoria en de maatschappelijk werkers zich om haar heen scharen, haar omarmen, haar trillende handen en zwaaiende armen in bedwang proberen te houden, legt Ahmed uit: ‘Het ging net zo goed met haar, ze leek de dood van haar man langzaam te accepteren. Ze kon haar kindje weer vastpakken, ermee spelen – maar een maand geleden kregen we te horen dat haar man leeft. Zijn bootje was teruggeduwd naar Turkije. Ze hadden hun mobiele telefoontjes voor de overtocht moeten verkopen, dus hij kon haar niet bellen.’

Fatima’s man heeft de overtocht nog drie keer gemaakt, alleen de laatste is gelukt, vier weken terug. Omdat hij na de Turkije-deal is aangekomen, zit hij nu gevangen in kamp Moria, en moet hij volgens de wet worden teruggestuurd naar Turkije. Sindsdien wil Fatima maar één ding: hem zien. Maar dat mag niet.

Ze herhaalt als een mantra ‘ik wil naar hem toe, naar hem toe, naar hem toe’. Buurvrouwen zitten met haar inmiddels flinke baby – hij lacht en kirt – tegenover haar en kijken gelaten toe. Ze zijn het gewend. Het team overlegt, belt met de zieke juriste: ‘Hoe staan de zaken nu?’ De stem door de smartphone vertelt zakelijk dat er nog geen verandering is, dat de advocaat op Lesbos in samenwerking met Solidarity Now-juristen een aanvraag voor gezinshereniging in Vassiliki Camp heeft ingediend, samen met een dringend verzoek om voor Fatima’s man een uitzondering te maken, op grond van ‘een schrijnende situatie’.

Nee, ze heeft geen flauw idee hoe lang dat allemaal zal duren. Nee, het is absoluut geen goed plan dat Fatima in haar eentje met de baby naar Lesbos vertrekt, want ze heeft geen papier waarmee ze door Griekenland mag reizen, en in Moria mogen gevangenen van niemand bezoek ontvangen, ook niet van familie.

Ahmed zegt zachtjes: ‘Ik werk hier nu drie maanden. Als ik thuiskom weet ik niet meer waar ik het zoeken moet, móet ik naar buiten. Op straat, waar het leven gewoon doorgaat, terrasjes vol kletsende zakenmannen zitten, en moeders kinderen naar school brengen, loop ik rond alsof ik op een andere, vreemde planeet ben beland. Alsof er twee werelden zijn: die van de vluchtelingen en die van de niet-vluchtelingen. Ze zijn onverenigbaar. Mijn collega’s en ik kunnen daar steeds minder goed tegen. Steeds meer hulpverleners worden ziek. Van de stress. Omdat het allemaal zo erg is, we zo onmachtig zijn. Skata!’ (Grieks voor merde.)

‘Ongelooflijk hoe weinig vluchtelingen óns willen helpen. Terwijl ze geen zak te doen hebben’

Kostas, de enige mannelijke maatschappelijk werker, laat ons de laatste loods zien. Eind vorige week heeft het hard en veel geregend. Hij wijst naar slordige muurtjes van zandzakken voor alle ingangen. De ruimtes in de loodsen liggen behoorlijk diep onder de ingangen, alsof het half in de grond verzonken, lege zwembaden zijn. Bij de ‘ingang’ is de afstand van de drempel naar de vloer groot, maar bij de ‘uitgang’, vijftig meter verderop, is de vloer gelijk aan de grond daarbuiten. Bovendien ligt er voor de kant van alle ingangen een aflopende helling. Je hoeft geen architect te zijn om te begrijpen dat wanneer het stortregent het water regelrecht van de helling door de ingangen naar binnen kolkt, tot het aan de andere kant weer een weg naar buiten vindt.

‘We zijn allang blij dat dat vorige week alleen gebeurde bij de laatste loods’, zegt Kostas. ‘De andere zeven hebben we met zandzakken droog kunnen houden. De meeste mensen hebben al hun spullen verloren, want alles staat zoals je ziet noodgedwongen op de cementgrond. Griekse legertenten hebben nu eenmaal geen bodemzeilen.’ Hij lacht schamper. ‘Je wilt niet weten hoe het er uitzag, er kwam namelijk ook veel modder mee naar binnen. Gelukkig is het nu leeg geschept en weer warm en zonnig; van alles kon snel drogen. Ik hou m’n hart vast voor november en december, dan is het hier ijskoud, en regent het soms weken achter elkaar.’

En het keelpno-rapport? Dit en al die andere kampen moeten toch onmiddellijk gesloten en ontruimd worden? Kostas, snuivend: ‘Denk maar niet dat dát gaat gebeuren. En dit kamp, Vassiliki, is vergeleken bij andere kampen rondom Thessaloniki een modelkamp. We hebben al te horen gekregen dat de mensen hier zullen moeten overwinteren.’

Verderop zit de ngo EKO Kitchen, een groepje vrijwilligers dat dankzij donaties via Facebook gezond voedsel kookt voor de Vassiliki-vluchtelingen. Ze bereiden een maaltijd, die vanavond in honderden tupperwaredoosjes via een gat in de omheining, buiten het gezicht van de bewakers, uitgedeeld zal worden. Voor het eerst, het is een experiment. Want sinds kort is er een nieuwe ‘regel’, namelijk dat alleen ‘officieel door de overheid geaccrediteerde cateringbedrijven’ in de kampen toegelaten mogen worden om eten te distribueren. En dat zijn dik betaalde bedrijven die aan het Griekse leger leveren: verzegelde plastic-doosmaaltijden met voornamelijk koolhydraten. Ook hier is, net als in de kampen rondom Athene en op de eilanden, een nijpend tekort aan groente en vruchten, aan vitaminen en mineralen.

En hoe moet het met de ‘integratie’? Als al deze kinderen – gemiddeld één derde van de vluchtelingen is minderjarig – en hun ouders alleen maar in de kampen zitten, en daar ook les krijgen, dan krijgen vluchtelingen en Grieken elkaar toch helemaal nóóit te zien?

‘Integratie? Lees de kranten. Overal protesteren Griekse schoolouderverenigingen tegen de komst van vluchtelingenkinderen op “hun” scholen. Omdat ze vies en niet ingeënt zouden zijn, en luizen hebben. Daarom mogen ze pas die scholen betreden nádat de Griekse leerlingen naar huis zijn, en enten we nu zoveel mogelijk kinderen in de kampen in. Maar dat gaat langzaam, en er is te weinig geld’, zegt Ahmed.

Vrolijke rockmuziek uit een iPod met wireless speakers. Swingende vrijwilligers – tattoos, piercings, soms dreadlocks – staan bergen tomaten, komkommers, wortels, paprika’s en uien te snijden, of wassen gehurkt op de grond met een tuinslang stapels keukengerei in reuzenwasteilen, in een bijna muur- en dakloze ‘buitenkeuken’ op een groot kaal terrein rondom een eenzaam nieuwbouwhuis. Het is een komen en gaan van gehoofddoekte vrouwen, lachende, schreeuwende, hollende kinderen, slenterende jonge mannen. ‘De vluchtelingen zijn vrij naar buiten te gaan, er is in de verste verte niets te beleven, dus komen ze als vanzelf hiernaartoe’, zegt Quintin, een Franse jonge man met rood haar en baard. Een guitig hippiemeisje, Lia, Engels, knikt tevreden.

Jahed, 25, een Syrische kok, die zijn reis verder naar het noorden heeft opgegeven, voegt zich bij ons. Hij wijst triomfantelijk naar de ingang. Een rochelende pick-uptruck komt onder luid gejuich van toerennende kinderen het terrein op rijden. Daar zijn de net gekochte tupperwarebakjes, waarin de salades met fattoush – gebraden brood, een Syrisch gerecht – verdeeld moeten worden. Ik word voorgesteld aan de chauffeur, Jos, 27, Schot, lang en mager, het brein achter EKO Kitchen.

Leuk bedacht, ‘eko’, met een Griekse ‘k’. Dus jullie koken ecologisch verantwoord? Jos proest het uit: ‘Welnee, eko komt van het benzinestation eko, twintig kilometer onder de grens bij Idomeni, waar bijna tweeduizend vluchtelingen die eerst niet naar de kampen gedeporteerd wilden worden naartoe verkasten. Daar zijn we, toen iedereen bij de grens geëvacueerd werd, ook maar naartoe verhuisd. Om door te gaan met koken. Inmiddels hadden we dankzij donaties beter materieel, en van eko kregen we stroom. Toen onze vluchtelingen uiteindelijk ook moesten verhuizen, naar Vassiliki, zijn we gewoon met hen meegegaan.’

Hij bekent dat ze ongelooflijk geluk hadden met Alexandros, de Griekse eigenaar van het huis midden op dit terrein, pal om de hoek bij Vassiliki. Jos wijst in de verte naar de bedrijvigheid aan de andere kant van het huis. Daar is nu een kinderspeeltuin, een schoollokaal en een vrouwenruimte; de bouw van een bibliotheek is in volle gang. Alexandros vindt alles goed. Ze hadden hem leren kennen aan de grens, waar hij geregeld in z’n eentje een paar uur opdook met een auto vol spullen. De ene keer deelde hij schoenen uit die hij ergens van een groothandelaar had geritseld, de andere keer slaapzakken. Ingrediënten voor voedsel gaf hij altijd aan Jos. Toen er in april paniek uitbrak, omdat uiteindelijk ook het eko-station ontruimd moest worden, bood Alexandros spontaan zijn tuin aan Jos aan.

Jos vraagt me of ik even mee wil komen naar Alexandros, er is verder niemand die Grieks spreekt, en de weldoener wil wat. Nee, hij weet verder niets van zijn gastheer, en hij is ook nog nooit bij hem binnen geweest. Een energieke man in onderhemd – gegroefd gezicht, droeve grijsblauwe ogen – doet open. Hij is zichtbaar opgetogen met iemand die Grieks verstaat, en zegt dat Jos en zijn team van de tuinslang een kraan moeten maken. Omdat het afwassen op de grond op deze manier te vermoeiend is voor de vrijwilligers.

Binnen is een oase van rust. De zit- en woonkamer zijn groot en leeg. Op een gigantisch tv-scherm zonder geluid zijn beelden van BBC World News te zien uit de oorlog in Syrië. Nee, Engels verstaat Alexandros niet. Aangezien het Griekse nieuws bijna niets laat zien van waar al die vluchtelingen vandaan komen, kijkt hij hier maar naar. Ik hoor gekreun dat door merg en been gaat, en verstijf. Alexandros pakt me zachtjes beet en draait me naar de verste hoek onder een hoog raam. Daar, op een canapé, ligt een vrouw: onvoorstelbaar mager, kermend. Naast haar een tafeltje met een bakje vloeistof en injectiespuiten zonder naalden. ‘Dat is mijn vrouw’, fluistert Alexandros. ‘Ze is in het laatste stadium van Alzheimer, kan niet meer lopen, niet meer eten, alleen nog slikken. Ik voed haar met die spuiten.’

‘De EU heeft al haar waarden en rechtsfundamenten de laatste jaren losgelaten, weggegooid’

Verlegen vertelt hij zijn verhaal: hij is 66, net als zijn vrouw, en had samen met haar een fabriekje met dertig werknemers waar hij traditioneel-Griekse ijzeren en bronzen vijzels en stampers maakte. Terwijl de economische crisis verergerde en hij de pensioengerechtigde leeftijd naderde, werd zijn vrouw zieker en zieker. Dus stootte hij zijn fabriekje af. Al een paar jaar zorgt hij in z’n eentje voor zijn echtgenote. Door hun meer dan gehalveerde pensioentjes heeft hij geen geld voor thuishulp.

Wie paste er dan begin dit jaar op zijn vrouw terwijl hij naar de grens reed om daar spullen uit te delen? Alexandros glimlacht dromerig: ‘Als ik haar eten heb gegeven, weet ik dat ze vier uur lang vast slaapt. Eén uur rijden naar de grens, twee uur om daar vluchtelingen te helpen, en één uur om weer terug te rijden. Ik was altijd op tijd. Maar het was wel eng, stel dat haar iets was overkomen terwijl ik weg was? Daarom ben ik zo blij met EKO Kitchen in mijn tuin, en de vluchtelingen bij mij om de hoek. Zo hoef ik mijn vrouw nooit meer alleen te laten.’

Op de vraag waarom hij dit allemaal doet, antwoordt hij geïrriteerd dat iedereen die dit níet doet crimineel is.

Als Iannis en ik weggaan, duwt hij ons twee zware vijzels en stampers in handen. ‘Denk iedere keer wanneer je knoflook fijnmaalt maar aan mijn vrouw en de vluchtelingen, niet aan mij’, zegt hij terwijl hij zachtjes de deur achter ons dicht trekt. Na een afscheid van stevige omhelzingen en klapzoenen – vrijwilligers houden van knuffelen alsof het bij hun werk hoort – wil een lange gebruinde Nederlander uit Bussum, Bernt van 59 (al sinds april bij EKO Kitchen), me absoluut nog even spreken: ‘Ik weet niet hoe ik dit op een goede manier moet zeggen zonder dat het wilderiaanse reacties veroorzaakt. Weet je wat ik hier na maanden meehelpen concludeer? Het is volstrekte waanzin zoals het nu gaat. Op deze manier creëren we luie vluchtelingen. Wanhopige mensen die niets mogen, niets te doen hebben, in verschrikkelijke omstandigheden moeten overleven en geen goede informatie krijgen over wat er met hen staat te gebeuren – die gaan steeds méér verwachten, éisen zelfs, dat ánderen iets voor hen doen. En als dat niet naar wens gebeurt, worden ze boos, agressief. Ongelooflijk hoe weinig vluchtelingen óns willen helpen. Terwijl ze geen zak te doen hebben. Ik ben daar heel erg teleurgesteld over.’

Volgens Bernt moet er zwaar geïnvesteerd worden in voorlichtingsprogramma’s ín alle kampen. Vluchtelingen hebben werkelijk geen idee van Europa, van hoe mensen hier leven, met elkaar omgaan. Hij is ervan geschrokken hoe passief de meesten zich opstellen, steeds meer van de oververmoeide vrijwilligers en hulpverleners verlangen, mondiger, brutaler, lastiger, ja zelfs onhandelbaar worden. ‘Als we daar niet snel iets aan doen, gaat het mis. Andersom trouwens ook. Grieken, Duitsers, Nederlanders, Fransen – wij moeten ook verplicht voorgelicht worden over hoe vluchtelingen denken, voelen, zich gedragen. Het is én-én, schrijf dat maar eens op.’

In Thessaloniki spreken we Kostis Tsitselikis, hoogleraar en voorzitter van de Griekse Liga voor Mensenrechten. Een slanke man, knap gezicht, die zich met zorg kleedt. In een hip café, terwijl hij zijn voortdurend zoemende telefoon wegschuift, brandt hij los: ‘De EU heeft al haar waarden en rechtsfundamenten de laatste jaren losgelaten, weggegooid. Kijk naar wat de EU met Griekenland doet, en met andere landen. Het door Brussel opgelegde bezuinigingsbeleid gaat dwars tegen de mensenrechten in. Daar zijn genoeg prestigieuze rapporten over geschreven – ook door ons – maar niemand zit daarmee.’

En de vluchtelingen? Die zijn niet eens tweederangsburgers, meent hij. Ze zijn ‘ontmenselijkte dingen’ geworden, speelballen in de handen van en voor de belangen van de huidige bestuurders die samen heulen met het grootkapitaal en de multinationals; ‘instrumenten’ die als ‘wel of niet bruikbaar’ worden gezien en op grond daarvan al dan niet mogen doorstromen naar Noord-Europa. Alleen ingenieurs, dokters, verpleegkundigen, technici, ict’ers en anderszins opgeleiden, bovendien voornamelijk Syriërs – de rest moet achterblijven in dit Europese afvoerputje voor vluchtelingen.

Kostis legt uit dat de situatie in Thessaloniki extra ingewikkeld is vanwege de enorme invloed van de kopstukken van de Grieks-orthodoxe kerk die een ronduit racistische antivluchtelingencampagne voeren en de lokale bevolking opzetten tegen vreemdelingen. Hij geeft me een krant waarin de zoveelste berichten staan over ouders die hysterisch reageren op plannen om vluchtelingenkinderen op Griekse scholen te onderwijzen en inmiddels een paar schoolgebouwen hebben bezet. De Griekse Liga voor de Mensenrechten heeft steeds meer werk – bijstaan van advocaten in mensenrechtenzaken, voorstellen maken voor nieuwe wetten, het organiseren van seminars en voorlichting – maar steeds minder impact.

‘De meeste vluchtelingen blíjven’, verzucht Kostis. ‘Dat is duidelijk, dus daar zullen woningen voor gevonden moeten worden. En dat terwijl een groot aantal Griekse burgers op het punt staat massaal hun familiehuizen aan bancaire geldwolven te verliezen.’

Waarom ziet niemand dit? ‘Dat is mij ook een raadsel. Begrijpt Brussel dan niet dat we, door de vluchtelingen én de Grieken op deze manier te behandelen, door hen eigenlijk rechteloos te maken, in ons eigen vlees bijten? Als je eenmaal accepteert dat je mensen, of ze nu zwart of blank, Afrikaans of Europees zijn, op deze manier mag behandelen tegen alle EU-wetgeving in, dan zet je een deur open naar de toekomst die je niet door zou moeten willen: dan ontstaat de mogelijkheid dat iedereen, ook wijzelf, álle Europese staatsburgers dus, op dezelfde manier behandeld mogen en kunnen worden. The EU devours itself.’

Ik moet en zal naar de grens. Wil zien hoe die er nu bij ligt. Onderweg krijg ik via mijn iPhone eindelijk een e-mail van het Press Office. Vanwege overstromingen is een bezoek aan diverse kampen rondom Thessaloniki onmogelijk, want de prioriteit van het personeel ligt gezien de situatie bij de vluchtelingen, en niet bij bezoekende journalisten. Wel mag ik, als ik terug ben in Athene, de vice-president van keelpno interviewen. Een vraaggesprek met burgemeester Boutaris van Thessaloniki is door zijn woordvoerder geweigerd, want ‘Griekse gemeentes gaan niet over vluchtelingen, laat staan over de hygiëne in de kampen’.

‘Er zou een wet moeten komen die de vluchtelingen de verantwoordelijkheid van gemeenten en burgemeesters maakt’

Voor het eerst word ik furieus. Ik heb helemaal geen interview met de burgemeester over ‘hygiëne’ aangevraagd. Ik bel, foeter, schreeuw. In het Grieks. Dat helpt. En krijg daardoor alsnog het nummer van zijn secretaresse, evenals het nummer van het secretariaat van Mouzalas, de Griekse minister van Migratiebeleid.

Op weg naar de grens wil ik, kansloos of niet, toch even bij het kamp Softex stoppen. Het is genoemd naar het wc-papier dat ooit in die loodsen werd opgeslagen. Hetzelfde als Vassiliki, maar veel ‘erger’, want daar zijn niet alleen maar Syriërs. Het is een melting pot van Aziatische en Afrikaanse vluchtelingen, dertienhonderd, waar plek is voor vijfhonderd. Dus veel tenten buiten de loodsen, veel gevechten: chaos. We hebben de meest afschuwelijke verhalen gehoord over deze plek: drugshandel, verkrachtingen, kindermisbruik, mannen die hun vrouwen prostitueren en mishandelen.

Onze truc om opnieuw via een vrijwilligersorganisatie, Rowing Together, binnen te komen, mislukt. Hier is dan eindelijk het Griekse leger. In uniform. We mogen niks zien zonder toestemming van de baas, ene commandant Pitsounis, die in een belangrijke vergadering zit, ergens in een armoedig barakje naast de loodsen. Een soldaat vergezelt ons en barst los: ‘U heeft geen idee wat hier gebeurt. Steekpartijen, voedsel wordt gestolen, nog veel ergere dingen waar ik niet over mag praten. We vechten tegen een klein groepje van twintig ellendelingen, maar we hebben geen mandaat, mogen niets doen.’

Na veel gedoe ontvangt de commandant ons in zijn prefab kantoortje. Nee hoor, de informatie die we hebben gehad klopt niet, alles loopt op rolletjes. En dan (weet hij wel wat hij zegt?) deelt hij gewichtig mee dat niet de minister van Migratiebeleid, meneer Mouzalas, maar zijn eigen minister van Defensie, meneer Kammenos, in wezen verantwoordelijk is voor alle Griekse vluchtelingenkampen, inclusief dat van hemzelf. Kammenos is de man van Independent Greece – net ietsje minder erg dan de neonazistische Gouden Dageraad – die de onzalige coalitie (twee zetels) met premier Tsipras is aangegaan.

Opeens begrijp ik waarom het keelpno-rapport ook naar de minister van Defensie gestuurd is. De commandant (kaal, dik, hijgend) leidt ons rond in ‘zijn’ kamp. We hebben het allemaal al gezien. Inderdaad, het is in Softex nog erger dan in Vassiliki. Heeft hij van het keelpno-rapport gehoord? De commandant knikt: ‘In sommige kampen waren bepaalde dingen inderdaad niet goed geregeld, maar dat geldt niet voor dit kamp. Softex zal niet sluiten.’

Bij Idomeni constateer ik dankzij fotograaf annex chauffeur Iannis die ons via allerlei kronkelweggetjes naar de asfaltplaat in niemandsland weet te brengen, tot mijn verbijstering dat de toenmalige vluchtelingengrensovergang niet eens in de buurt van de officiële grensovergang was. Waar de rampspoed begin dit jaar plaats had, daar waar alle vluchtelingen vandaan gedeporteerd zijn, is ongeveer vier kilometer verwijderd van de grens voor regulier auto- en vrachtwagenverkeer. Midden in het niets, dwars door een droge rivierbedding, ver van de douane. Ik stap uit de auto, strompel door een greppel, en sta op een groot vierkant van vers cement en asfalt. Er ligt nauwelijks afval. Alleen dat al is bevreemdend. Alles is begraven en vergeten.

De omgeving is schitterend. Vredig. Bergen aan de einder, ondergaande herfstzon, krekels zingen. Grenzen zijn onwaarneembaar, zoals het hoort in de natuur. Opeens verschijnt er een politiewagen met jengelende sirenes – hoe weten ze dat wij daar zijn? De Griekse agenten zijn vijandig, dreigen ons in handboeien af te voeren naar een of ander bureau indien we niet onmiddellijk vertrekken. We gehoorzamen, want er is verder niets te zien, niets te doen. We komen langs het eko-benzinestation. Bivakkeerden hier ooit zo’n tweeduizend mensen? Alweer: geen spoor meer van te bekennen.

Iannis wil eten in een dorpje in de buurt. De eigenaresse van de taverna herkent hem als een van de vele fotografen, cameramensen en journalisten die er toen van cnn, bbc, France 2, zdf – meer kan ze niet bedenken – waren. Ze wijst naar een prikbord met foto’s en briefjes. Het is alsof ze het betreurt dat het drama voorbij is. Begrijpelijk. Haar restaurantje is nagenoeg uitgestorven.

Burgemeester Boutaris van Thessaloniki, 75, ontvangt ons in zijn nieuwe gemeentehuis. De meeste Griekse stadhuizen vallen van ellende uit elkaar, maar dit gebouw is een uitzondering: alles is nieuw en glanst. Zijn werkkamer is opmerkelijk gezellig, staat vol met boeken; zijn gigantische bureau is overdekt met voorwerpen en papieren. Hij neemt plaats in een diepe fauteuil en wijst naar de hoek van een zitbank. Zijn secretaresse en een adviseur nemen op gepaste afstand plaats, pen en papier in de aanslag. Boutaris interview je niet, met deze burgemeester voer je een gepassioneerd gesprek.

‘Natuurlijk is het niet goed dat al die vluchtelingen zo ver weg in oude fabriekshallen en vieze loodsen zitten’, zegt hij. ‘Ik zou willen dat ze in huizen en appartementen hier in de stad worden opgevangen, daar zou al het EU- en VN-geld naartoe moeten. Maar het probleem is: ik ga er niet over. Zoals het nu geregeld is hebben burgemeesters geen enkele zeggenschap over de vluchtelingen, nul.’

Vol vuur vertelt hij over hoeveel initiatieven hij wel niet heeft genomen. Schoolprojecten voor vluchtelingenkinderen, programma’s om samen met vluchtelingen te koken, voorlichting. Onlangs heeft hij uit zichzelf vuilnismannen gestuurd naar een opvangkamp waar de rotzooi zich opstapelde, en is daarvoor nota bene op zijn vingers getikt door het ministerie. Hij steekt sigaret na sigaret op, alsof die zijn frustratie kunnen verzachten.

Wat is minister Mouzalas van Migratiebeleid voor een man? Moeten ze niet meer samenwerken op het gebied van de vluchtelingen? Boutaris zucht: ‘Hij is een geweldige kerel, maar heeft totaal geen macht. Hij probeert van alles bij premier Tsipras, en in Brussel, maar krijgt nul op het rekest. En ik, ach lieve schat, ja ik zou de kar weer moeten trekken, burgemeesters moeten motiveren, naar Athene moeten reizen. Maar weet je, ik ben oud en moe, laat anderen, jongeren, dit maar eens doen. Er zou een wet moeten komen die de vluchtelingen de verantwoordelijkheid van de gemeenten en burgemeesters maakt, en de vluchtelingen zouden gerelateerd aan het aantal inwoners over Griekse dorpen en steden verdeeld moeten worden, maar maak ze dat in Athene maar eens wijs.’

En minister Kammenos van Defensie? Boutaris ontploft. Hij heeft geen goed woord over voor deze als xenofoob bekend staande minister die kennelijk, of ook, over de vluchtelingen gaat. Premier Tsipras heeft de twee zetels van deze man nodig om zijn regering overeind te houden; het wordt pijnlijk duidelijk dat Kammenos daar ongebreideld misbruik van maakt. Zijn secretaresse en adviseur trekken bleek weg en vragen me in koor alsjeblieft niet letterlijk op te schrijven wat hun baas allemaal roept, want dan is Thessaloniki binnenkort haar burgemeester kwijt.

Bij het afscheid belooft Boutaris dat hij zich persoonlijk zal bemoeien met het dossier van Fatima. ‘Ik zal er alles aan doen om haar met haar man te herenigen. Maar zelfs ik kan niets garanderen, want dit zijn genadeloze tijden voor vluchtelingen en juist daar zit de kern van ons probleem.’

Vlak voor mijn vertrek terug naar Nederland spreek ik in Athene op de valreep nog met vice-president Alexos Benos van keelpno, die ook medeoprichter is van de Solidariteit Apotheken waar Grieken en vluchtelingen gratis medicijnen kunnen krijgen. Zijn verhaal is kort en krachtig: de kampen waren ooit bedoeld als tijdelijke opvang voor niet langer dan twee maanden, in die zin waren ze ‘verdedigbaar’. Maar ze zijn absoluut niet geschikt, gevaarlijk zelfs, voor langdurige opvang en moeten dus liever gisteren dan vandaag nog dicht.

Heeft keelpno ooit antwoord gehad van de drie ministers aan wie hij zijn alarmerende rapport van afgelopen juli stuurde? Het blijft stil. De 63-jarige Benos, een grote man met een vriendelijke uitstraling en kromme schouders alsof hij een te zware last draagt, kijkt naar zijn handen en schudt zijn hoofd. Nee dus. ‘De kampen zijn als een tikkende tijdbom in Griekenland, als niemand iets doet, zal de boel ontploffen. Het is geen kwestie van of, maar van wanneer. En ik voorspel deze winter, want geen mens kan het in die kampen uithouden, zeker niet in regen en kou.’


Beeld: Vassiliki Camp bij Thessaloniki