Filosoferen over corona #1: Moderne mobiliteit

Vluchtelingenkamp

Filosoof en jurist Martijn Stronks geeft de komende weken college aan zijn studenten in quarantaine over moderne mobiliteit. Hoe moeten we daar nu over denken, in tijden van corona? Een serie essays filosofie in actie. Deel 1: Inleiding, moderne mobiliteit.

Mobiliteit is het belangrijkste kenmerk van de moderniteit, denk ik. En deze moderne mobiliteit is in de kern gespleten. Aan de ene kant – laten we zeggen, de noordelijke kant – wordt mobiliteit gekenmerkt door de verworvenheid van de mens zich vrijelijk te verplaatsen over de globe, als toerist, expat, student of avonturier. Voor deze noordelijke mens is de moderne wereld grenzeloos, tickets worden geboekt met een paar eenvoudige handelingen op het internet, voor een bodemprijs verblijft de liefhebber zo een paar maanden waar dan ook op de globe.

Aan de andere kant – de zuidelijke dus – wordt de moderne mobiliteit juist gekenschetst door de beperkingen van de mens om zich vrijelijk te bewegen over de aarde. Zo is een paspoort uit een Afrikaans land als toegang tot de mondiale mobiliteit vrijwel niks waard. Strikte visabeperkingen maken het reizen slechts mogelijk voor een zeer beperkte groep gelukkigen. En de ongelukkigen die naar het noorden wensen af te reizen vinden hekken, kampen, grenspatrouilles, push back-operaties en malafide mensensmokkelaars op hun weg.

Het vrij verkeer van personen, zoals dat in de EU heet, mag dan slechts voor een beperkte groep mensen in de wereld van toepassing zijn, het aanverwante vrij verkeer van goederen is weldegelijk volledig mondiaal. Het wordt vaak vergeten dat het in eerste instantie vaak de vrijheid van goederen is die bestaande grenzen slecht, en pas daarna de mobiliteit van sommige personen. Zo was een van de belangrijkste redenen voor het afschaffen van de Europese binnengrenzen het eindeloze wachten van vrachtwagenchauffeurs bij grenscontroles en daarmee de vertraging van het goederenverkeer.

Volgens de in 2017 overleden socioloog en filosoof Zygmunt Bauman zijn het dan ook de veranderende economische verhoudingen die de kern vormen van de geglobaliseerde wereld. In wat hij noemt de solide moderniteit waren arbeid en kapitaal nog stevig aan elkaar verankerd. Het was in de Ford-fabriek dat de perfecte allocatie van arbeid werd nagestreefd om zo tot zo groot mogelijke kapitaalvermeerdering te komen. Wie herinnert zich niet hoe Charley Chaplin in Modern Times de versnelling aan de lopende band persifleert?

De fabriek in dit Fordisme werd terecht bekritiseerd om de uitbuiting van de arbeider en de kapitaalvermeerdering van de bourgeois. Bauman verwijst dan ook niet naar de fase van solide moderniteit om deze te verheerlijken, maar veeleer om een verandering te tonen met het tijdgewricht waarin we nu verkeren. In de huidige vloeibare moderniteit zijn kapitaal en arbeid vrijwel volledig van elkaar losgezongen. Waar in de solide fase arbeid en kapitaal aan elkaar waren geklonken in de fabriek, bleven ze ook lokaal. Kapitaalvermeerdering was mogelijk door de arbeid efficiënter te maken binnen de muren van de fabriek. Arbeiders waren levenslang gebonden aan de werkgever, die er belang bij had ze ook aan de plaats te binden, zoals bijvoorbeeld Philips veel betekende voor Eindhoven.

In de vloeibare moderniteit daarentegen is juist het ontkoppelen van arbeid en kapitaal de kern. Kapitaal kan worden vermeerderd door arbeid ‘te outsourcen’, door de bedrijfsvoering te ‘rationaliseren’ of simpelweg door arbeid te vervangen door algoritmen en robots. Als het voor een bedrijf goedkoper is om de arbeid te verplaatsen naar een land waar de lonen lager zijn, dan zal het dat onmiddellijk doen. En zie daar hoe de mobiliteit van goederen grenzen slecht: onderdelen van complexe producten kunnen op verschillende plekken worden gemaakt en geassembleerd om dan vervolgens over de hele wereld te worden verplaatst voor de verkoop.

Niet alleen betekent dit dat in het kielzog van deze goederen mensen de oude landsgrenzen voortdurend moeten doorkruisen, ook heeft dit tot gevolg dat een kleine elite steeds welvarender wordt. En zoals peper, nootmuskaat en kruidnagel de luxegoederen van de elite waren in de zeventiende eeuw, zo is nu mobiliteit het kenmerkende teken van welvaart. Wie welvarend is gaat ‘shoppen’ in New York, zoekt zingeving in Tibet of het avontuur in een wildreservaat in Zuid-Afrika. Terwijl de vrije mens zich steeds beweeglijker begeeft over de globe, des te beperkter is de mobiliteit van de ‘verliezers van de globalisering’. Grenzen verworden zo, om een metafoor van Zygmunt Bauman te parafraseren, tot ‘asymmetrische membranen’, de elite kan er vrijelijk doorheen, terwijl ‘het menselijk afval van de moderniteit’ wordt buitengehouden.

En nu is de gehele moderne mobiliteit binnen een mum van tijd tot stilstand gebracht, door een virus, welteverstaan.

Wat de zuidelijke mens al sinds de aanvang van de moderniteit aan den lijve ondervindt, geldt nu plots voor het leeuwendeel van wereldbevolking: een drastische beperking van de vrijheid om te bewegen. Het is een van de stelligste, meest vergaande beperkingen van de vrijheden van de moderne mens, zou ik denken: de beperkingen van diens mobiliteit.

Veel westerse landen besloten al snel strikte beperkingen van bewegingsvrijheid in te voeren. Eerst werden de buitengrenzen gesloten, al gauw werden daar ook algehele beperkingen van het vliegverkeer aan gekoppeld. Op 17 maart hadden honderdvijftig landen wereldwijd maatregelen genomen om het vliegverkeer te beperken. Volgens de International Air Transport Association kwam dat neer op zo’n tachtig procent van het mondiale vliegverkeer.

Aan deze beperkingen van mondiale mobiliteit werden al ras ook beperkingen toegevoegd van de bewegingsvrijheid van mensen binnen het grondgebied van natiestaten. Scholen, cafés, bioscopen, sportverenigingen werden gesloten en in sommige landen werden ook maatregelen genomen om het openbaar vervoer en verkeer te beperken. In enkele landen werd besloten tot een ‘volledige lockdown’, al is er geen eenduidige definitie van wat dat precies betekent. En mensen met een verdacht kuchje werd geboden zich onmiddellijk in quarantaine af te zonderen.

Zo kon de noorderling de ene dag nog een kop koffie drinken in Florence, een weekje op vakantie naar India, of voor een conferentie naar Californië; de volgende dag kon hij zijn huis niet meer uit. Dat wil zeggen, de allerrijksten schijnen zich met privévliegtuigen in veiligheid te brengen op kleine eilanden in het Caraïbische gebied, zoals de Sloveense filosoof Slavoj Žižek fijntjes opmerkte. Wat overigens niet wil zeggen dat men in privéisolatie vrij is van gevaar, zoals mag blijken uit het tragische bericht dat een telg van de roemruchte Kennedy-familie het leven liet tijdens het kanovaren in zelfverkozen quarantaine. Hoe dan ook, voor het merendeel van de noorderlingen geldt: immobiliteit is de nieuwe norm om zo het noodlot op afstand te houden.

Op het eerste gezicht schaart de noorderling zich daarmee naast de zuiderling voor wie bewegingsbeperking al sinds jaar en dag de norm is. Toch is dat goed beschouwd zeker niet het geval. De immobiliteit in een vluchtelingenkamp – misschien wel hét symbool van de immobiliteit van de zuiderling – is in tijden van corona immers het tegenovergestelde van de immobiliteit in een welvarende gemeenschap. Waar de maatregelen in het Noorden erop gericht zijn om door middel van de beperking van mobiliteit en het invoeren van sociale afstand de overdracht van het virus in te dammen of tenminste te vertragen, daar lijkt niemand te geven om het besmettingsgevaar in vluchtelingenkampen.

Zo heeft de Griekse regering op 18 maart de bewegingsvrijheid van asielzoekers op het eiland drastisch beperkt, slechts één persoon per familie mocht het kamp verlaten per dag. Asielzoekers worden zo gedwongen de gehele dag dicht op elkaar te verblijven in onhygiënische en overvolle kampen. Net als dat mobiliteit in de kern gespleten is, zo blijkt ook immobiliteit schizofreen. In het Noorden leidt immobiliteit tot beperking van het besmettingsgevaar, in een vluchtelingenkamp leidt immobiliteit tot een vergroting van het besmettingsgevaar.

Wat is de verhouding dan, tussen het vluchtelingenkamp en de toestand in het Noorden? Ze kunnen niet los van elkaar worden gezien, zou ik met de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben denken. Is de immobiliteit in het kamp wellicht de meest extreme variant van wat uiteindelijk iedereen die een te groot risico vormt te wachten kan staan? Wie denkt aan de verhalen over triage in de noodsituaties in ziekenhuizen in Noord-Italië waar mensen in afzondering sterven omdat er onvoldoende capaciteit is ze te helpen, ziet wellicht een begin van de vergelijking. Zouden we kunnen zeggen dat het vluchtelingenkamp de nomos, de verborgen matrix, is van de mobiliteit in het Noorden, zoals het kamp dat volgens Agamben is van de moderniteit? Het valt nog te bezien, er zijn alleen al grote verschillen tussen de vluchtelingenkampen in het Noorden en die in het Zuiden, maar het is de moeite van het overpeinzen waard.

De coronacrisis is een evenement, een gebeurtenis (‘event’), zo merkte de Italiaanse filosoof Rocco Ronchi op. Een evenement is geen feit, noch wordt het simpelweg gekenmerkt door een aaneenschakeling van feiten. Anders dan eenvoudige feiten brengen gebeurtenissen iets teweeg, ze produceren veranderingen die voorafgaand aan de gebeurtenis ondenkbaar waren. In zekere zin worden ze pas een gebeurtenis post-facto, pas nadat de feiten hebben plaatsgevonden en een nieuwe toekomst zich aandient. In die zin zou je kunnen zeggen dat de coronacrisis nog geen gebeurtenis is, we zitten er immers nog middenin. We zitten met onze neuzen bovenop datgene wat nog in volle gang is, het lijkt dan ook te vroeg om precies te zien wat voor een verandering deze gebeurtenis teweegbrengt.

Toch wil ik proberen in deze essays – daarmee de naam van het genre eer doend – een begin te maken met het beschrijven van veranderingen waar we nog middenin zitten, veranderingen in de betekenis van mobiliteit. Er zit een zekere charme in dergelijke filosofie in actie, je ziet het op dit moment overal, in kranten, op journaals, blogs, en binnen families en tussen vrienden. We leven zo bezien in filosofische tijden, we proberen allemaal greep te krijgen op datgene wat juist nu in zo’n ziedend tempo in beweging komt.

Deze pogingen vloeien voort uit een vak dat ik op dit moment geef aan studenten aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Dat wil zeggen, de campus is gesloten en de studenten zitten verspreid over de hele wereld in verschillende gradaties van quarantaine. Het vak bestaat daarom uit online colleges en de immobiliteit van de studenten is het vertrekpunt om de vraag naar mobiliteit te bezien vanuit vijf verschillende filosofische invalshoeken.

De eerste is de al even aan bod gekomen vraag naar de economische of beter gezegd vloeibare kant van onze moderniteit aan de hand van het werk van Zygmunt Bauman. Zien we de aard van globalisering onder onze vingers van vorm veranderen? In ieder geval zien we dat de noodtoestand wijdverbreid is en overal stevige beperkingen van vrijheden worden afgekondigd om het virus het hoofd te bieden.

Wat heeft dat te betekenen; is dit een tijdelijke inperking, of is de noodtoestand permanent geworden, zoals Giorgio Agamben ons al jaren voorhoudt? En wat is in de analyse van Agamben dan de betekenis van het kamp, en meer in het bijzonder voor de betekenis van mobiliteit? De betekenis van de uitzonderingstoestand is het tweede onderwerp.

Nu iedereen via het nieuws een dagelijks pushbericht kan ontvangen met het aantal nieuwe geregistreerde zieken en doden lijkt niemand meer te kunnen ontkennen dat we in tijden van biopolitiek leven. De biopolitiek die Michel Foucault beschreef, waarin de registratie en controle van leven, dood, ziekte en gezondheid tot de kern van de politieke surveillance en disciplinering is geworden, lijkt in ieder geval zichtbaarder dan ooit.

Of zien we juist ook veranderingen in de verhouding tussen de macht en het ‘naakte leven’ door het coronavirus? Biopolitiek en ‘governmentalité’ zijn het derde onderwerp van discussie.

Nu de mondiale mobiliteit van personen en goederen deels tot stilstand is gekomen heeft dit onmiddellijke repercussies voor het klimaat. Wat jaren van klimaatonderhandelingen niet voor elkaar kregen, wist een virus in enkele weken te bewerkstelligen: drastische inperkingen van de mobiliteit en economische productie. Het vierde onderwerp is het klimaatregime dat de Franse filosoof en socioloog Bruno Latour tot speerpunt heeft gemaakt van zijn meest recente werk.

En dan tot slot, nogmaals de vraag naar het momentum van deze crisis aan de hand van het werk van Ulrich Beck. Lopen we in deze crisis tegen de grenzen van wereldrisicosamenleving aan? Is dit een heus kosmopolitisch moment?

Ik ben benieuwd.


Martijn Stronks studeerde rechten en filosofie en is als universitair docent werkzaam bij het Amsterdam Centre for Migration and Refugee Law van de Vrije Universiteit Amsterdam