Vluchten

Het immense vluchtelingenprobleem dat Europa deze zomer bezighoudt, maakt één ding duidelijk: we kunnen niet meer wegduiken voor de grote vragen.

De beelden zijn zo indringend, de aantallen zo groot, de vraagstukken eromheen zo complex dat ik mezelf erop betrap soms te vluchten in wrange details. Waaraan zou de Oostenrijkse grenspolitie een verdachte vrachtwagen herkennen nu ze heeft besloten vrachtwagens extra te controleren na in één ervan 71 in verregaande staat van ontbinding verkerende lichamen te hebben ontdekt? Aan de geur? Dan is het toch te laat?

Behalve de zomer van de noodhulp aan Griekenland was het dit jaar de zomer van de asielzoekers, vluchtelingen, gelukzoekers en arbeidsmigranten, de zomer van de vele jongemannen in primitieve tentjes bij Calais, de overvolle bootjes op de Middellandse Zee en de menselijke ladingen in vrachtwagens. En ook, net als bij de noodhulp aan Griekenland, van de moeizame weg van de Europese Unie naar gezamenlijke afspraken.

De stromen mensen die Europa proberen binnen te komen confronteren ons – Europeanen – met tal van vraagstukken. Neem de verdeling van de asielzoekers over de landen in Europa. Die is niet ‘eerlijk’. Zo nam Zweden vorig jaar met 78 mensen per tienduizend inwoners de meeste asielzoekers op, staat Hongarije met 42 asielzoekers op de tweede plaats en het rijkere Nederland met ‘slechts’ 13 asielzoekers op de tiende. Die cijfers rechtvaardigen niet het hek dat de president van Hongarije om zijn land wil zetten, maar tonen wel de noodzaak van een eerlijker verdeelsleutel.

De meeste asielzoekers die naar Europa komen ontvluchten het oorlogsgeweld in Syrië. Van de Syriërs mag dan ook bijna iedereen blijven. Een groot deel van de asielzoekers komt echter uit landen als Kosovo en Servië. Dat is op z’n minst vreemd te noemen, want daar is het geen oorlog. Sterker nog, Servië is al kandidaat-lidstaat van de Europese Unie en Kosovo is op weg naar die status. Van de asielaanvragen van de Kosovaren werd vorig jaar ook maar zeven procent gehonoreerd. Waarom blijven ze dan toch komen, ook dit jaar weer, al vijftigduizend in de eerste drie maanden?

Premier Aleksandar Vucic van Servië gaf op die vraag vorige week in de Frankfurter Allgemeine Zeitung een antwoord. Serviërs krijgen als asielzoeker in Duitsland gedurende de periode dat hun aanvraag in behandeling is een geldelijke vergoeding. Die vergoeding is volgens Vucic hoger dan de vierhonderd euro die een Serviër gemiddeld per maand in eigen land verdient. Vucics advies: verlaag de vergoeding en de stroom vanuit zijn land zal vanzelf opdrogen. Zou het zo simpel zijn?

De roep om ‘meer’ Europa is door de instroom sterker geworden

Vucics theorie is koren op de molen van hen die alle asielzoekers op een afkeurende toon gelukzoekers noemen. Gelukzoekers zijn we uiteindelijk allemaal. Maar voor het draagvlak in een samenleving is het belangrijk onderscheid te blijven maken, hoe moeilijk soms ook, tussen hen die oorlog en geweld ontvluchten en mensen die hun land verlaten om elders een beter bestaan op te bouwen. De eerste groep heeft opvang nodig en daar ook recht op, de tweede heeft werk nodig maar daar geen recht op.

Maar ook met dat onderscheid tussen vluchtelingen en arbeidsmigranten is het draagvlak voor het steeds opnieuw opnemen van buitenstaanders, uit zowel de eerste als de tweede groep, niet eindeloos. Of, zoals vvd-staatssecretaris Klaas Dijkhoff van Veiligheid en Justitie zaterdag in de Volkskrant zei: ‘Iedere samenleving is begrensd.’ In het politieke debat daarover zou het dan niet alleen over bedden, huizen of banen moeten gaan en de vraag of die er wel voldoende zijn, maar ook over de sociale cohesie. Daar oog voor hebben staat allerminst gelijk aan xenofoob gedrag, rellen of brandstichting.

Iemand zei tegen me dat Europa de stroom asielzoekers aan zichzelf te danken heeft. Hadden we maar op tijd moeten ingrijpen in Syrië. Daar is van alles op te antwoorden. Zoals het te berde brengen van de huiver voor militair ingrijpen gezien de slechte ervaringen in andere landen in het recente verleden. Of het stellen van de wedervraag welke groepering in Syrië het Westen dan had moeten steunen in de strijd tegen president Bashar al-Assad.

De opmerking kan echter ook gezien worden als aanknopingspunt voor een discussie over het buitenlandbeleid, van Nederland en van de Europese Unie, en hoe dat beleid kan bijdragen aan het indammen van de asielzoekersstromen. vvd-fractievoorzitter Halbe Zijlstra gaf daar in maart al een aanzet toe door te pleiten voor een realistisch buitenlandbeleid waarin niet direct met het opgeheven vingertje wordt gewezen richting militaire regimes. Hij werd weggehoond. Maar het politieke debat over welk beleid dan wél blijft hard nodig.

Net als het noodlijdende Griekenland zet de grote stroom asielzoekers ook de vraag welk soort Europa daar sturing aan kan geven hoog op de agenda. De roep om ‘meer’ Europa is door de instroom sterker geworden. Zo pleitten twee Duitse sociaal-democraten voor een uniform asielbeleid, gezamenlijk grensbestuur en EU-standaarden voor de opvang van asielzoekers. Hun pvda-collega Samsom sprak zich ook uit voor een gezamenlijke buitenlandpolitiek.

Wat is een eerlijke verdeling van asielzoekers over Europa, hoe voorkom je oneigenlijk gebruik van de asielzoekersopvang, wat doe je met de arbeidsmigranten onder de asielzoekers, waar ligt de grens voor het draagvlak in de samenleving, welk soort ‘Europa’ is nodig om de stroom in goede banen te leiden maar vooral ook om te voorkomen dat vluchten voor geweld nodig is? Als deze zomer één ding duidelijk heeft gemaakt, is het dat vluchten voor deze vragen niet meer kan.