John Wray

Vluchten of blijven?

John Wray, De rechterhand van de slaap

Vertaald door Guus Houtzager Uitg. De Bezige Bij, 360 blz., ƒ40,75

Op de eerste bladzijde van Mein Kampf (1925), geschreven door een Oostenrijkse vluchteling die Rijks-Duitser wordt en in 1923 in München meedoet aan een mislukte putsch, staat het al: «Duits-Oostenrijk moet terugkeren naar het grote Duitse moederland, en niet uit economische motieven. (…) Eén bloed eist één Rijk.» Met medeweten van Hitler, die dan als onbetwiste Führer van Duitsland in Bayreuth een opvoering van Wagners Das Rheingold bijwoont, probeert een groep roekeloze Weense SS'ers op 25 juli 1934 een coup te plegen. Kanselier Engelbert Dolfuss, die in 1933 de Oostenrijkse NSDAP heeft verboden, wordt vermoord, maar de coupplegers krijgen geen steun van het leger. Veel Oostenrijkse NSDAP-«illegalen» vluchten naar nazi-Duitsland om pas vier jaar later triomfantelijk terug te keren. Want op zaterdag 12 maart 1938 is het eindelijk zover: de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland, gevolgd door een golf van terreur waarbij die andere Oostenrijker, Adolf Eichmann, een hoofdrol achter de schermen speelt.

Dit is de historisch geladen achtergrond van De rechterhand van de slaap, de opmerkelijke debuutroman van John Wray (1971), zoon van een Oostenrijkse vader en een Amerikaanse moeder en zowel inwoner van de VS als van Oostenrijk. De roman speelt zich af in het cruciale jaar 1938. In maart van dat jaar, enkele dagen voor de intocht van Hitler en Himmler in Wenen, keert Oskar Voxlauer, zoon van een mislukte componist en een operettezangeres, na twintig jaar afwezigheid terug naar zijn geboortedorp Niessen bei Villach. Hij is als soldaat aan het Italiaanse front eind 1917 uit de Eerste Wereldoorlog gedeserteerd en als idealist en potentiële bolsjewiek naar de Oekraïne gevlucht. De sovchoze waar hij met minnares en «koelak» Anna terechtkomt, is een hardhandige leerschool in overlevingskunst.

Oskar Voxlauer is gevlucht voor de benepenheid en het verstikkende bestaan in Oostenrijk, «de religie van prullaria en penitentie». Maar hoe wordt hij gezien als hij in 1938 terugkomt, welke sfeer hangt er? Zijn tegenspeler en rivaal in de liefde Kurt Bauer — SS'er, deelnemer aan de putsch tegen Dolfuss en net als Hitler een Oostenrijkse vluchteling die Rijks-Duitser wordt en in 1938 Obersturmführer is — omschrijft hem aan het slot zo: «De staat contra Oskar Voxlauer, deserteur, zoon van de befaamde zelfmoordenaar, slaafse volgeling van de bolsjewieken, ellendige jodenvriend. Verhoren opgeschort sinds 1918.»

Dit is de welhaast vanzelfsprekende taal in De rechterhand van de slaap. De nazi-terminologie sijpelt het dagelijkse leven binnen, verzet daartegen helpt niet, de toekomst is aan de zwarthemden. Oskar probeert als kluizenaar en jachtopziener van oom Pauli Ryslavy («een jood en een homoseksueel») te ontkomen aan dat wat hij in 1917 al ontvlucht dacht te hebben. Na zijn ontsnapping aan het stalinisme meende hij buiten de geschiedenis te staan. «Die holbewoner dacht ook dat hij zich van de wereld kon ontdoen zoals je een broek uittrekt.» Maar voor hem ligt geen ontspannen alpenkuur in het verschiet.

Het verhaal van de terugkeer van Oskar Voxlauer en zijn hardhandige kennismaking met het «nieuwe» Oostenrijk wordt onderbroken door cursieve fragmenten. Aanvankelijk zijn dat indrukwekkend beschreven herinneringen van Oskar aan de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, zijn vlucht naar de Oekraïne en zijn hongerbestaan op de sovchoze. Die fragmenten, gericht aan zijn dode vader, worden afgesloten door een sprookje dat zijn vader vroeger vertelde, een profetisch verhaal: «Er was eens een stad. Er woonden alleen marionetten.»

Daarna wordt het echt menens in De rechterhand van de slaap en stevent Wrays roman onherroepelijk af op een confrontatie waarin het persoonlijke en het politieke dodelijk op elkaar botsen. De geschiedenis valt niet te ontlopen. Oskar Voxlauer ontdekt dat de dochter van zijn minnares het kind is van Obersturmführer Kurt Bauer. De cursieve gedeelten die dan het verhaal van Oostenrijk anno 1938 onderbreken, blijken het adembenemende verhaal te bevatten van de SS'er Kurt Bauer. Hij haalt herinneringen op aan de Dolfuss-moord, zijn vlucht naar Beieren en zijn zegevierende terugkeer naar Oostenrijk. Deze prozafragmenten, geschreven met een groot gevoel voor ogenschijnlijk betekenisloze details en voor het toeval in de historie, vormen een hoogtepunt in Wrays debuut.

De rechterhand van de slaap gaat over vluchten of blijven en lijkt daarmee indirect te verwijzen naar een controverse tussen Elfride Jelinek en Robert Menasse: emigreren of niet nu Haiders racistische fpö regeringspartij is geworden? Wat moeten we nog in «het land zonder eigenschappen» (Menasse) dat de last van het zwarthemdenverleden kreunend met zich meetorst? Niet toevallig heet Menasses laatste roman Die Vertreibung aus der Hölle, een historische roman vol Spinoza over solistisch leven en het zoeken naar gelijkgestemden. Daarover gaat Wrays De rechterhand van de slaap ook. Het is een wezenlijk verhaal over vluchten om zo te ontkomen aan vervolging.