Vluchten voor de persoonlijkheid

De genadeloze portretten van J.M. Coetzee’s hoofdpersonen zijn zo vertrouwd dat je je gaat afvragen hoe genadeloos ze werkelijk zijn.

J.M. COETZEE
ZOMERTIJD
Vertaald door Peter Bergsma
Cossee, 297 blz., € 22,90

‘Meneer Vincent, voor u is John Coetzee een groot schrijver en een held (…). Voor mij daarentegen – neem me niet kwalijk dat ik dit zeg, maar hij is dood, dus ik kan zijn gevoelens niet kwetsen – voor mij is hij niets. Hij is niets, was niets, alleen maar een ergernis, een blok aan mijn been. Hij was niets en zijn woorden waren niets.’

Aan het woord is Adriana, een Braziliaanse danseres die in de jaren zeventig in Zuid-Afrika was aangespoeld. Ze is een van de vrouwen die ‘meneer Vincent’ heeft geïnterviewd voor zijn biografie over John Coetzee. De biograaf concentreert zich op de periode van 1972 tot 1977, toen Coetzee na een jarenlang verblijf in Engeland en Amerika terugkeerde naar zijn vaderland, tot zijn eerste algemene erkenning na de publicatie van zijn tweede roman In het hart van het land. Het zijn de jaren dat hij bij zijn vader woonde, in een arbeiderswoninkje in een buitenwijk van Kaapstad, en een karig mannenhuishouden voerde. Coetzee’s nieuwste roman Zomertijd bestaat voornamelijk uit het ruwe materiaal van meneer Vincent, de uitgewerkte interviews met vier vrouwen en een man. Het beeld dat daaruit oprijst van de jonge Coetzee is onbarmhartig.

Volgens Julia, een getrouwde vrouw met wie hij begin jaren zeventig een affaire had, was hij sociaal onbeholpen en geremd. Ze ontmoette hem voor het eerst in de supermarkt, hij was broodmager, had een baard, slecht geknipt haar, droeg een hoornen bril en sandalen. Julia voelde meteen dat hij geen enkele seksuele uitstraling had: ‘Het was of hij van hoofd tot voeten met een neutraliserende spray was bespoten, een steriliserende spray.’ Hij was, zoals zij het noemde, een ‘homo sapiens sapiens’, een man zonder enige dierlijkheid. De Braziliaanse Adriana beschrijft hem als week en slap, als een man die het aan mannelijkheid ontbreekt, een man die ‘ontlichaamd’ door het leven ging. Of zoals zij het uitdrukte: ‘Voor hem was het lichaam zo’n houten poppetje dat je met touwtjes laat bewegen.’ Meneer Vincent moet, zo suggereert ze, zijn biografie maar De houten klaas noemen. Voor Coetzee’s nicht Margot, die hem ongemakkelijk noemt en een alleenloper en een mislukte wegloper (‘die wegliep naar de grote wereld en nu met zijn staart tussen zijn benen komt terugkruipen naar de kleine wereld’), voor zijn nicht Margot is hij, net als de andere mannelijke Coetzees, een slapgat-man. Een man die z’n anus niet onder controle heeft, een slappeling.

‘Onbarmhartig’ en ‘genadeloos’, het zijn de woorden die voor het oprapen liggen als het over het werk van Coetzee gaat. Maar de genadeloze portretten van zijn mannelijke hoofdfiguren en zijn al of niet verhulde zelfportretten zijn inmiddels zo vertrouwd dat je je, o paradox, kunt afvragen hoe genadeloos ze nog zijn. Zomertijd is te lezen als het vervolg op Jongensjaren (1997) en Portret van een jongeman (2002), de semi-autobiografische romans waarin Coetzee zijn kindertijd in het provinciale Zuid-Afrikaanse plaatsje Worcester en zijn pijnlijke frühlingserwachen in Kaapstad en Londen beschrijft. Ook daarin is hij schuw, ongemanierd en onaangepast als jongetje, en eenzaam, stuurs en volstrekt in zichzelf opgesloten als jongeman. De naar hemzelf gemodelleerde Paul Rayment in Langzame man (2005) is een kille man, die zijn gebrek aan hartstocht en warmte in de winter van zijn leven probeert te compenseren in een hopeloze verliefdheid. En dan is er nog Señor C in Dagboek van een slecht jaar (2007), de Zuid-Afrikaanse schrijver die naar Australië is geëmigreerd, een voormalig professor, vegetariër, kluizenaar – allemaal net als Coetzee zelf – een man, kortom, die verdacht veel lijkt op zijn schepper, en net als de andere Coetzeemannen koud is, formeel, onbehaaglijk, onvermoeibaar zelfkritisch. En net als de andere Coetzeemannen vrouwloos en kinderloos is gebleven.

De vraag is wat Coetzee, de schrijver, wil met al die akelige personages die zijn naam dragen, en anders wel veel van zijn karakteristieken. Is het ijdelheid? Is hij zo gefixeerd op zichzelf dat hij het over niets anders kan hebben? Gaat hij zo gebukt onder zelfhaat? Dat is allemaal te simpel. Want hoeveel Coetzee-klonen er ook in het werk van Coetzee optreden, uiteindelijk kom je verdomd weinig over ze te weten. Hij ontleedt zichzelf niet werkelijk. Natuurlijk, zijn zelfportretten hebben veel weg van de ongenaakbare personages in vroege romans als Wachten op de barbaren (1980) en Wereld & wandel van Michael K (1984), waardoor je kunt denken dat Coetzee in zijn autobiografische boeken de bronnen van zijn schrijverschap prijsgeeft. Maar wat is het origineel en wat de kopie? Zijn Coetzee’s personages naar zijn leven gevormd, of heeft hij zijn zelfportretten gemodelleerd naar zijn fictie? De biograaf in zomertijd betitelt zijn oeuvre als ‘een massieve klomp van zelfprojectie’ – maar waar projecteert Coetzee wat?
Als Coetzee iets doet, dan is het een vilein spel spelen met de grenzen tussen werkelijkheid en verdichting, tussen het zichzelf onthullen en verbergen. Jongensjaren en Portret van een jongeman laten zich, onder meer, lezen als parodieën op schrijversmemoires – alleen de clichématige titels al. De vorm van beide boeken is ook bedrieglijk: ze zijn geschreven in de derde persoon, in de tegenwoordige tijd, waardoor de spanning tussen verteltijd en vertelde tijd opgeheven lijkt. Waarmee Coetzee een lange neus maakt naar een hele autobiografische traditie, waarin de complexe verhouding tussen het huidige ik en vroegere ik wordt gethematiseerd. Zomertijd steekt nog geraffineerder in elkaar: op wat notities van de schrijver na aan het begin en einde van de roman bestaat deze uit interviews, die allemaal handelen over John Coetzee, maar eerder mooie, afgeronde verhalen zijn over de vrouwen zelf, die ieder voor zich eigen verdriet met zich meedragen. Julia, de getrouwde minnares van weleer, is gescheiden en verbitterd geraakt. Nicht Margot heeft een gelukkig maar onvruchtbaar huwelijk, en haar man en zij hebben zichzelf afgebeuld om hun leven op hun boerderij in de Karoo vol te houden. De Braziliaanse Adriana verloor haar grote liefde, toen een roofovervaller hem met een bijl te lijf ging.

Niet alleen in de vorm, ook inhoudelijk goochelt Coetzee met het autobiografische genre. Hoe succesvol hij als schrijver ook is, de openhartigheid van veel sterauteurs is hem volkomen vreemd. Hij leeft als een monnik, laat zich niet interviewen, zelfs zijn beide Bookers – hij won als enige de prestigieuze prijs twee keer – nam hij niet zelf in ontvangst. Maar hoe weinig ook van hem bekend is, we weten dat hij wel getrouwd is geweest, wel kinderen heeft, gescheiden is en ook nu met een vrouw samenleeft. De Coetzees in de boeken leiden een grimmiger bestaan dan die erbuiten. Trouwens, de echte Coetzee leeft nog, terwijl die in Zomertijd is overleden. In het boek wordt bovendiende competentie van de biograaf in twijfel getrokken door Coetzee’s oud-collega Martin, de enige mannelijke geïnterviewde. Is het niet vreemd om de biografie van een schrijver te schrijven en zijn geschriften te negeren, vraagt hij meneer Vincent.

De Coetzees in de boeken bevinden zich in het voorportaal of vlak bij de uitgang van het schrijverschap; ze moeten nog schrijver worden of verkeren in hun nadagen, zoals Señor C in Dagboek van een slecht jaar. De kille mannen worden zo niet gered door hun literaire merites. Sterker, de geïnterviewde vrouwen, die Coetzee kenden toen hij zijn eerste krabbelende stapjes als schrijver zette, lijken eerder verontwaardigd over zijn latere roem. Adriana vraagt zich hardop af of Coetzee echt een groot schrijver was: ‘Want naar mijn idee is aanleg voor woorden niet genoeg als je een groot schrijver wilt zijn. Je moet ook een groot man zijn. En hij was geen groot man. Hij was een kleine man, een onbelangrijk mannetje.’ Julia, inmiddels therapeute geworden, zegt hetzelfde wat meer sophisticated: ‘Hier hebben we een man die in de intiemst denkbare menselijke relatie geen aansluiting kan vinden, bij tussenpozen. Maar hoe komt hij aan de kost? Hij komt aan de kost met het schrijven van rapporten, deskundigenrapporten, over intieme menselijke ervaringen. Want daar gaan romans over – nietwaar? – over intieme ervaringen.’ En zelfs Sophie, de enige geïnterviewde vrouw die van hem hield, concludeert dat Coetzee geen speciale fijngevoeligheid had, geen bijzonder inzicht in het menselijke lot: ‘Hij was gewoon een man, een man van zijn tijd.’

Coetzee, degene die de touwtjes in handen heeft, lijkt een grote ontmaskeraar. Hij ironiseert het genre van de autobiografie, en steekt de draak met de romantische idee dat de schrijver een beter, verhevener mens zou zijn. Dat laatste deed hij ook al in Portret van een jongeman, waarin de jonge hoofdpersoon instemmend T.S. Eliot overschrijft in zijn dagboek: ‘Poëzie is geen uiting van de persoonlijkheid maar een vlucht voor de persoonlijkheid.’ Maar eigenlijk wordt schrijverschap, wordt talent alleen maar raadselachtiger als er niet een groot man achter steekt. Als de schrijver even doodgewoon is als de lezer, als hij misschien zelfs een nog gemankeerder mens is. En als de schrijver middelmatig is, is elk (auto)biografisch project vergeefs. Waarom peuren in het leven van de kunstenaar als de kunst zijn schepper verre overstijgt?
Zomertijd is opnieuw een briljante roman, waarin Coetzee veel op scherp zet: de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid, tussen kunst en leven, de vraag hoe het leven te leven. Coetzee zal zijn romans waarschijnlijk niet in ernst ‘deskundigenrapporten’ noemen, maar ze zijn het wel: gevoelige verslagen van hoe mensen elkaar proberen te naderen, elkaar proberen te kennen, en daarin falen. En hoe ze verlangen, hoe ze peilloos diep kunnen verlangen. Op de achtergrond is er de Zuid-Afrikaanse werkelijkheid, het groeiende ongemak over de Apartheid, de Afrikaners die tegen de klippen op blijven doen alsof hun leven nooit zal veranderen, en het landschap van de Karoo, ruig en onherbergzaam, het landschap waar de jonge John zijn gelukkigste momenten heeft gekend.