Reportage: Dakloze psychiatrische patiënten

Vluchten voor het zottenkot

Een deel van de Nederlandse zwerverspopulatie bestaat uit psychiatrische patiënten die niet opgenomen kunnen of willen worden. Een reportage over de angst voor het zottenkot.

In de omgeving van Alkmaar loopt een man rond met haar in plakken en gehuld in merkwaardige kledij. Iedereen die hij tegenkomt, klampt hij aan. «Pas op, de hemel komt naar beneden!» Hij geniet grote bekendheid bij de plaatselijke jeugd, die hem soms bekogelt met kluiten aarde.

In de Amsterdamse Museumpleinbuurt zwerft een schreeuwend, uitgeteerd mannetje dat de welgestelde buurtbewoners hevig irriteert. Hij is vreselijk boos en krijst tot diep in de nacht met kapotte stem zijn woede in het rond, wild zwaaiend met de halveliterfles bier die hij steevast meevoert.

Rond het Haagse Centraal Station houdt zich een negroïde man op met sigaretten in zijn oren en een scheidsrechtersfluitje om zijn nek. Hij heeft dolle pret terwijl hij moppen vertelt over «domme zwarten». «Hij ziet het regelen van het verkeer rond het station als zelftherapie», vertelt een grijnzende verkoper van het Haagse daklozenblad Straatnieuws. «Hij maakt het voor onze verkopers bij het station een stuk gezelliger dan elders. Alleen worden we soms niet goed van zijn fluitje.»

Een deel van de Nederlandse zwerverspopulatie bestaat uit «psychiatrische patiënten», althans: mensen die in de ogen van anderen, met name die van de werkers in de geestelijke gezondheidszorg, «gestoord» en «geestesziek» zijn. Om hoeveel mensen het precies gaat, is nauwelijks te zeggen. Meestal zijn ze geen acuut gevaar voor zichzelf of anderen. Is dat wel het geval, dan kan iemand onmiddellijk in bewaring worden gesteld in opdracht van burgemeester of wethouder. In veel gemeenten liggen de ondertekende formulieren voor zo'n inbewaringstelling (IBS) al klaar op de politiebureaus.

De IBS is een van de uitvloeisels van de wet Bijzondere Opnemingen Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ) die in 1994 in de plaats kwam van de negentiende-eeuwse Krankzinnigenwet. Hetzelfde geldt voor de rechterlijke machtiging (RM) waarbij de rechter na tussenkomst van een psychiater die heeft vastgesteld dat de persoon in kwestie «gevaarlijk» is, het bevel kan geven tot opname. Sinds de nieuwe wet is het verschil tussen vrijwillige en onvrijwillige opname veel strikter geworden. Patiënten kunnen alleen nog vrijwillig worden opgenomen wanneer zij blijkgeven van de «nodige bereidheid tot opneming». Die bereidheid is echter doorgaans niet aanwezig bij mensen die in een zware psychose verkeren.

Bovendien is sinds bezuinigingen in de jaren tachtig de geestelijke gezondheidszorg hard getroffen; de capaciteit van de psychiatrische ziekenhuizen is sindsdien drastisch gedaald. Niet altijd kan een goede plek worden gevonden voor iemand die vraagt om opname of die daartoe wordt gedwongen. Een van de gevolgen is dat geestelijk gestoorde daklozen terechtkomen in politiecellen. De Amsterdamse politie, die meer dan andere korpsen met het probleem te maken heeft, stelde vorige week een ultimatum: als het capaciteitsprobleem in de psychiatrie niet voor 1 oktober wordt opgelost, zet ze de «patiënten» die nu haar cellen bevolken desnoods op straat. Politieagenten zijn niet toegelegd op het opvangen van «gestoorden» en cellen zijn niet geschikt voor mensen in geestelijke nood.

Tegenover het monument op het Amsterdamse Weteringplantsoen dat een fusilladeplaats uit de Tweede Wereldoorlog markeert, zit Agneta op een bankje. Luidruchtig spreekt ze voorbijgangers aan. De meesten lopen zonder sjoege te geven door. Ze bietst een shagje. Tussen de afgemeten teugjes uit een halveliterblik bier door vertelt ze met een zangerig Scandinavisch accent hoe ze in 1974 naar Nederland kwam.

Met een Zweeds diploma voor A-verpleegkunde op zak toog ze naar Amsterdam. «Ik werkte als operatieassistente en verpleegkundige in het Wilhelmina Gasthuis. Toen dat later opging in het AMC werd mijn contract niet verlengd. Ik had namelijk geen aanvullend Nederlands diploma en er moesten banen verdwijnen. Ik raakte in conflict met de Abvakabo, waarvan ik lid was, en de ondernemingsraad, omdat Nederlanders de voorkeur kregen boven mij en zij daar niets tegen deden.» Toen meldde ze zich ziek, om vervolgens nooit meer aan de slag te gaan. In die tijd werkte ze ook nog voor een Scandinavische touroperator. Ze verzorgde rondleidingen door de stad in het Zweeds en het Noors. Het reisbureau ging failliet, Agneta had helemaal geen werk meer. «Ik had in die tijd een vriend met wie ik samenwoonde, maar dat werkte niet. Ik werd dakloos, maar op straat slapen kan ik niet. Op straat kom je zo in het criminele circuit terecht. Wat me helemaal niet aanstaat is dat zo weinig mensen in het daklozenwereldje te vertrouwen zijn. Iedereen zuipt namelijk. Via vrienden kreeg ik onderdak in de daklozenopvang. Maar dat is niet aan te raden. Het kost veel geld en je zakgeld bedraagt maar vijftien gulden per week. Bij de opvang nemen ze je geld in om je onder dwang daar te houden.»

Overdag zit Agneta regelmatig op haar bankje. Ze oogt vrij goed verzorgd, met haar haar in een staart gebonden. Haar kleding is opvallend schoon en met enige fantasie zelfs smaakvol te noemen. Haar labiele psychische gesteldheid verraadt zich doordat ze halfhard in zichzelf praat — waarbij blijkt dat ze geen enkele tand meer in haar mond heeft — en willekeurig passanten aanspreekt.

Als ze vertelt over haar leven of over mensen van wie ze afhankelijk is, lardeert ze haar verhaal veelvuldig met paranoïde aannamen en vooronderstellingen. De daklozenopvang «steelt» haar geld, de Abvakabo zat in een «racistisch complot» met het AMC, ze wordt «misbruikt voor de belangen van de sociale zorg en de opvang». Er is, meent ze, «geestelijke moord» op haar gepleegd.

Agneta doet niemand kwaad. Een inrichting heeft ze nog nooit van binnen gezien. Ze vertoont slechts afwijkend gedrag, en dus wijzen veel voorbijgangers die door Agneta vanaf haar bankje worden aangesproken, naar hun voorhoofd. «Die is gek.»

Het blijkt haast onbegonnen werk om een wet in elkaar te zetten die tegemoetkomt aan de uiteenlopende noden. Omwonenden willen af van de overlast; zware psychoten willen niet worden opgenomen, voelen zich vaak niet «ziek» en ontvluchten niet zelden hun kliniek. Dat mensen die een gevaar vormen voor zichzelf en anderen desnoods gedwongen opgenomen moeten kunnen worden, daarover is de politiek het eens. En daarvoor zijn ook de instrumenten ontwikkeld. Maar wat te doen met de gevallen waarin dat gevaar pas wordt vastgesteld als de ellende al is geschied? In 1993 sloeg een verwarde man eerst zijn huis in de Amsterdamse Vrolikstraat kort en klein, om vervolgens een meisje op straat dood te slaan met een tafelpoot. Vorig jaar nog stak in dezelfde wijk een man die onder behandeling was geweest bij het Riagg een tienjarig meisje neer. «Dit soort dingen zijn altijd onvoorspelbaar», zei een Riagg-woordvoerder toen.

Veel psychiatrische patiënten die niet opgenomen kunnen of willen worden, zijn niet in staat voor zichzelf te zorgen. Sommigen komen op straat terecht. Anderen hebben een postadres en ontvangen een uitkering waarmee ze terecht kunnen in een pension.

Erik woont bijna tien jaar in zo'n «slaaphuis». Zijn slaapkamer deelt hij met vier anderen; een van hen woont er ook permanent, de andere twee bedden zijn voor wisselende gasten. Zijn bescheiden bezittingen bewaart hij in een vuilniszak onder zijn bed.

«Ik ben niet ziek, hoor», verzekert hij direct, «want dan had ik wel in het ziekenhuis gelegen.» Hij zal het nog vaak herhalen. Met drie andere pensiongasten kijkt hij gebiologeerd naar het testbeeld op de immense televisie in de smoezelige conversatieruimte. Ook tijdens het gesprek kan hij zijn ogen er maar moeilijk van afhouden. «Het enige wat hier beweegt, beweegt niet eens», klaagt hij. Steeds als er iemand binnenkomt, staat hij op en stelt zich uitgebreid voor. Niemand heeft speciale aandacht voor hem. «Voordat ik hier kwam wonen, was ik een aantal maanden dakloos. Daarvoor werkte ik als leraar Neder lands op een middelbare school, maar ik werd afgekeurd. Onterecht, vond ik, maar ze moesten me blijkbaar hebben. Ze vonden mijn ‘geestelijke gesteldheid onvoldoende’. Maar ik ben helemaal niet ziek, want dan had ik wel in het ziekenhuis gelegen. De arts verwees me naar een psychiater, maar ik heb het nooit zo op die Freud gehad, dus ik besloot te gaan zwerven. Ik dacht: 'Liever buiten niets doen dan binnen’. Na een paar maanden had ik er genoeg van, ik werd uitgebuit door andere daklozen. Ik had namelijk een hogere uitkering dan zij. Toen kwam ik maar hierheen.»

Met trillende handen draait Erik («Ik ben geloof ik 52») onhandig een onooglijk sigaretje. Zijn magere lichaam verdrinkt haast in zijn verschoten colbertje. Ooit moet het als gegoten hebben gezeten. In zijn mond is nog één tand zichtbaar. Zijn ongestructureerde verteltrant neemt derhalve letterlijk en figuurlijk de vorm van een spraakwaterval aan. De mensen om hem heen benadert hij bijna overdreven beleefd. Iedereen spreekt hij aan met «u» en hij vraagt voortdurend of hij niemand tot last is en of hij niet iemand per ongeluk heeft beledigd. De pensiongasten gaan er niet op in. Ze kijken testbeeldtelevisie.

Bedachtzaam schetst hij hoe hij tegen zijn leefsituatie aankijkt. «Ik ben blij dat ik niet op straat hoef te leven. Een dak en een bed vind ik voldoende. Meestal blijf ik overdag hier. Soms ga ik naar buiten om naar de voorbijgangers te kijken. De baas hier zegt dat ik het getroffen heb dat er voor me gekookt wordt. Volgens hem kan ik niet op mezelf wonen. Misschien heeft hij gelijk, maar ik ben niet ziek, want dan had ik wel in het ziekenhuis gelegen.»

Niet zelden nemen de «cliënten», zoals psychiaters de bewoners van inrichtingen noemen, de benen. Meestal hebben ze geen eigen huis meer en zijn ze volledig aangewezen op de zorg die hun in de inrichting wordt geboden. Wie vlucht in verwarde toestand en niemand in zijn omgeving heeft die hem of haar wil opvangen, heeft grote kans op straat terecht te komen.

Om psychisch voortvluchtigen toch de kans te geven een bestaan op te bouwen, zijn begin jaren tachtig in Haarlem, Rotterdam, Utrecht en Amsterdam wegloophuizen opgericht. Het wegloophuis in Haarlem is inmiddels ter ziele. Ook het wegloophuis in Rotterdam werd een paar jaar terug met sluiting bedreigd omdat de subsidie werd stopgezet. Na een stormachtige publiciteitscampagne werd de maatregel teruggedraaid.

Het Amsterdamse wegloophuis aan de Keizersgracht is gehuisvest in het voormalige kraakpand De Vrije Keizer. Een bewoner geeft de keuken een grondige schoonmaakbeurt. Hij praat tegen zichzelf, tegen de muur en tegen het koffiezetapparaat. «Doe toch niet zo gek, mens, zeg toch niet zoveel.» Dertig jaar psychiatrie heeft-ie erop zitten. «Ik ruik ze op dertig meter afstand», murmelt hij. Het verblijf in het Amsterdamse wegloophuis bevalt hem stukken beter dan de isoleercel en «het gespuit en geslik in de inrichting».

«De wegloophuizen zijn voortgekomen uit de kraakbeweging», vertelt vrijwilligster Zeraja Terlaan, die de bewoners begeleidt. «In de kraakpanden kwam altijd van alles binnenlopen. Ook psychiatrische patiënten die hun inrichting waren ontvlucht. In de jaren tachtig ontstond bij sommige krakers het idee dat de gevestigde psychiatrie niet voldeed.» In haar jaarverslag meldt de Stichting Wegloophuis Amsterdam dat ze is ontstaan uit de antipsychiatrie: «Wij houden ons bezig met mensen en niet met (ex-)patiënten die etiketten krijgen opgeplakt als manisch depressief, schizofreen, psychotisch, neurotisch, gestoord of gek.» De ideeën achter de wegloophuizen sluiten aan bij die van de «democratische psychiatrie». Die gaat ervan uit dat problemen die in de maatschappij zijn ontstaan ook daar moeten worden opgelost. Niet in het gesticht. «Rechterlijke machtigingen worden vaak gebruikt om iemand tegen zijn wil medicijnen te kunnen toedienen», meent Zeraja.

Vanaf een terras overziet Nona haar buurtje. Hier, in de woelige Amsterdamse Albert Cuypbuurt, zwierf ze vroeger rond. «Vroeger, dat klinkt alsof het heel lang geleden is. Maar vier jaar geleden leefde ik nog op straat», zegt ze. Ze eet een softijsje. «Het is zo'n schat», zegt Nona’s buurvrouw, die haar vergezelt, om de minuut. «Zo'n schát. Ze hebben die lieverd zó rot behandeld, daar kun je met je verstand niet bij.» Een keer pakte de politie haar zo hard aan dat haar hele linkerarm blauw was. «Toen ik in de cel zat en dat zag, werd ik vreselijk bang. Ik dacht dat er iets met mijn hart was. Ik heb veel angsten, en zeker voor de politie», zegt Nona. «Met mij is niets mis. Ik had alleen af en toe van die geestestoestanden. Dan ging ik fantaseren en dat ging soms heel ver. Wat ik allemaal bedacht, is zo ingewikkeld dat ik het niet kan samenvatten. Psychiaters noemen zoiets een psychose en zeggen dat je ziek bent. Maar het zijn onschuldige fantasieën. Ze zeiden dat ik schizofreen was en drongen me medicijnen op.»

De naam Nona is afgeleid van no name. Ze kreeg hem van een caféhouder die haar te eten gaf toen ze nog op straat leefde. Eigenlijk had ze wel vrede met dat bestaan, als het maar niet zo gevaarlijk was. «Ik ben tegen elke vorm van bezit, mensen kunnen best zonder. Maar rondzwerven is eigenlijk te zwaar voor de mens. Het maakt je kapot. Het liefst had ik geëxperimenteerd met een hutje in het Sarphatipark. Dan hou je het wel vol.»

Voordat Nona op straat terechtkwam, werkte ze in Afrika en reisde ze rond in Azië. Ze was opgeleid tot lerares huishoudkunde in de tropen. Ze bracht haar lessen in de praktijk bij de «analfabeten» en zorgde voor ondervoede kinderen. Ze kreeg grote bewondering voor de mensen met wie ze werkte. Terug in Nederland had ze er moeite mee dat iedereen om haar heen zich aanpaste aan de moderne consumerende samenleving. «Ik voelde me net een olifant in Artis», zegt ze. «Gevangen, aangepast, gedwongen tussen muren te leven.» Steeds vaker kreeg ze last van «geestestoestanden». Haar studie vrouwenstudies wakkerde haar maatschappijkritiek aan, maar ze wist niet hoe ze daarmee overweg moest. «Uiteindelijk kreeg ik allerlei gewaarwordingen. Studeren ging niet meer, dus liet ik mijn beurs maar schieten.» Toen ze op zoek ging naar hulp, kon ze die niet krijgen op een manier die goed voor haar was. «Ik wilde alleen maar rustig ergens zitten, zonder me angstig te voelen. Ik wilde uitleggen wat er in mijn hoofd omging aan iemand die zou zeggen: 'Dat is helemaal niet erg. In het hoofd van mensen spelen zich soms dingen af waarvan niemand ooit heeft gehoord. Dat is niets om van in paniek te raken.’ Maar de psychiaters zeiden: 'Jij bent gevaarlijk.’ Ze zeiden dat ik geen ziektebesef had en dat ik niet meer aanspreekbaar was. Maar ik voelde me helemaal niet ziek. Alleen wanhopig. Ik dacht: als ik stop met het betalen van mijn huur, moet er wel iemand naar me toe komen om met me te praten over wat er aan de hand is. Maar in plaats daarvan kwamen er acht mannen om me uit mijn huis te zetten. Ik was vreselijk bang en ben weggevlucht. Ze hebben al mijn spullen in een container gestopt en later vernietigd. Zelfs mijn geboorteakte. Ik was alles kwijt en moest op straat gaan leven.»

Niemand wees haar erop dat ze een beroep kon doen op een regeling waardoor haar spullen behouden zouden blijven en niemand bood haar de hulp waar ze zo naar op zoek was.

In een van de wegloophuizen zit Vladimir aan de keukentafel. Hij rookt non-stop zware shagjes en slaat sloten zwarte koffie achter over. Hij wil niet met zijn echte naam in de krant en zijn verblijfplaats mag niet bekend worden, want hij heeft een rechterlijke machtiging aan de broek en kan dus door de politie worden ingerekend. «Ik doe de deur voor niemand open», zegt hij, «want een poosje geleden was er politie aan de deur.» De agenten kwamen toen niet voor Vladimir, maar voor een andere bewoner van het wegloophuis die onder curatele stond, een nog zwaardere vorm van overheidsdwang voor psychoten dan de RM. «Die gozer dacht dat hij de zoon was van Pablo Escobar, de Co lombiaanse drugsbaas», zegt Vladimir. «Hij voelde zich onschendbaar en deed gewoon open toen de agenten aanbelden. Ze hebben hem meegenomen. Ik ben meteen de tuin in gerend en heb me verstopt in de bosjes.»

Vladimir (24) werd twee keer gedwongen opgenomen in een gesloten inrichting. Het begon allemaal, vertelt hij, toen hij in zijn Groningse woonplaats twee keer op rij in elkaar werd geslagen door een groep jongens. Vladimir viel ten prooi aan hevige angsten en een stevige psychose. Hoewel hij ervan overtuigd was dat hij kon vliegen, kwam hij een tijdlang zijn kamertje in het ouderlijk huis niet uit. ’s Nachts draaide hij soms keihard muziek, overdag lag hij meestal te slapen.

Op een ochtend zat er een psychiater aan zijn bed die hem ruw wekte. «Ik dacht: wat krijgen we nou? Ik had al nachtenlang geen oog dichtgedaan, zo druk had ik het met alle gedachten in mijn hoofd. Ben je eindelijk in slaap gekomen, word je wakker geschud door iemand die je komt vertellen dat je gestoord bent.»

De psychiater wilde dat Vladimirs moeder toestemming zou geven haar zoon gedwongen te laten opnemen. «Ik had er het volste vertrouwen in dat ze dat niet zou doen. Ze wist hoe ik dacht over psychiaters en inrichtingen.» Maar zijn moeder zwichtte voor de druk. Uiteindelijk werd Vladimir «in de val gelokt» door een vriendin van zijn moeder. Die kwam naar zijn kamertje en begon lief tegen hem te praten. Of hij niet toch eens naar beneden wilde komen? In de huiskamer wachtten twee agenten hem op.

Hij werd opgesloten in een cel op het plaatselijke politiebureau. Uiteindelijk werd hij met een RM in een psychiatrische inrichting geplaatst waar hij tweeëneenhalf jaar verbleef. Een keer probeerde hij te ontsnappen, maar versuft door de medicijnen was hij een makkelijke prooi voor het verplegend personeel dat de achtervolging had ingezet. «Ik kwam nog geen kilometer ver. Toen ze me mee terug namen, beloofden ze me dat ik niet in de isoleercel hoefde. Maar ze hebben me daar toch in opgesloten.» Uiteindelijk werd hij uit de inrichting ontslagen. Hij leefde anderhalf jaar in een beschermde woonvorm, scherp in de gaten gehouden door hulp ver leners.

Toen hij op zichzelf mocht gaan wonen, dacht hij van de psychiatrie af te zijn. Maar twee jaar later ging het opnieuw mis. Een jongen met wie hij eerder in het gesticht had gewoond, vertelde hem dat hij «homo neigingen» had vertoond. «Hij zei dat ik aan iemands snikkel had gezogen in de inrichting. Maar ik kon me daar niets van herinneren. We zaten natuurlijk onder de medicijnen.» Van de nieuwe pillen die hij kreeg toen hij zelfstandig mocht gaan wonen, werd hij langzaam maar zeker impotent. «Dat kwam slecht uit, want ik had net een nieuwe vriendin. Ik werd erg depressief.»

Sinds een klein half jaar woont Vladimir in het wegloophuis. Als hij er niet terecht had gekund, zou hij nu op straat hebben geleefd. Hij voelt zich goed en slikt geen medicijnen meer. «Het is heel lang geleden dat het zo goed met me ging», zegt hij. «Eigenlijk waren mijn psychosen heel mooi. Maar alles wat daarna kwam, al die medicijnen en die dwang, was vreselijk. En het waren geen hersen spinsels. Het was allemaal echt.»

Om redenen van privacy zijn de namen Agneta, Erik en Vladimir gefingeerd.

Voor informatie over opnameperikelen zie www.ypsilon.org/hulp/nieuws/yn0/opname.htm