Vluchtige meeuwen

Michel Krielaars, Meeuw, uitgeverij Contact, 219 blz., 336,90
Jonathan Livingstone Seagull is zonder twijfel de beroemdste meeuw uit de literatuurgeschiedenis. Ook bij Tsjechov vliegt zo'n tot de verbeelding sprekende vogel rond. De meeuw heeft, als hij in een literair werk opdoemt, meestal ‘iets met vrijheid’ te maken.

En dat (romantische) beeld vinden we ook terug in het debuut van Michel Krielaars, de roman Meeuw. Inderdaad, de meeuw is ook hierin een symbool voor het onbegrensde en het vluchten - kortom, voor vrijheid.
De drie hoofdpersonen van de roman hebben allemaal dringende behoefte aan die zo afgunstig makende meeuw-eigenschappen. Edith Hollander is een vrouw op leeftijd, die de oorlog nog heeft meegemaakt. Op een dag besluit ze terug te keren naar Brussel - de stad waar ze met haar gezin verbleef in de donkere jaren 1940-1944. Aanleiding voor haar plotse vertrek is een brief van haar dochter, Simone. Die brengt op haar beurt ook een eigen verhaal mee: zij heeft besloten te gaan scheiden van haar man Frits. Na lange jaren huwelijk heeft ze er genoeg van dat haar echtgenoot meer om zijn carrière geeft dan om haar. Frits is rechter, een toegewijd en ambitieus man. Hij zwijgt liever dan hij praat tegen Simone (tenminste) en tederheid treft men bij hem niet aan.
Deze drie mensen en hun geschiedenissen hebben meer met elkaar te maken dan op het eerste gezicht lijkt. Niet alleen komen ze allen voor een beslissend moment in hun leven te staan (Frits gaat benoemd worden tot opvolger van president mr. Dijkema, maar stort zich hals over kop in een affaire met diens dochter Charlotte; Edith ontmoet de violist weer op wie ze vroeger hopeloos verliefd was; Simone vindt haar moeder terug, van wie ze in de oorlog op brute wijze werd gescheiden), maar ook beseffen ze allemaal dat ze vastzitten in een leven dat ze het liefst zouden ontvluchten. Het is dat verlangen naar vrijheid dat hen bindt. En het is de schrijver die hen door middel van de symbolische meeuw bij elkaar brengt.
Op beslissende momenten in de roman laat Michel Krielaars (1961) een meeuw verschijnen, als (overduidelijk) symbool voor het gevoelsleven van zijn personages. Met Frits bijvoorbeeld gebeurt het volgende: ‘Frits snakte naar adem. Charlottes doortastendheid boezemde hem angst in. Hij voelde zich gekneveld, gevangen in het web van een giftige spin, die ieder moment kon toeslaan. Buiten hoorde hij het gekrijs van een meeuw. Het leek een doodskreet van hemzelf. Ontsnappen was niet meer mogelijk. (…) Weer klonk het gekrijs van een meeuw. Hij herinnerde zich dat hij vroeger soms droomde een vogel te zijn die op elk gewenst moment kon wegvliegen.’
Na de laatste zin van Meeuw, 'Hij wou dat hij een meeuw was’, hebben we de indruk dat Michel Krielaars eerst het idee had een roman te schrijven over 'drie mensen die in hun onderlinge verhouding het zwijgen tot wet hebben verheven en leven in een bekrompen wereld, vol wantrouwen en afgunst, die hen bijna tot waanzin drijft’ (achterplat), vervolgens een geschikte metafoor vond voor zijn verhaal (weet je wat, we nemen een meeuw), en ten slotte de vertelling verder is gaan invullen. Meeuw is zo geconstrueerd, met zo weinig betrokkenheid bij het vertelde in elkaar bedacht, dat het een kil en levenloos boek is geworden. En de meeuw-symboliek ligt er zo ongelooflijk dik bovenop dat zelfs de gemiddelde 3-vwo-leerling de vraag: 'Wat bedoelt de schrijver hier met die meeuw?’ zonder haperen goed kan beantwoorden. En dat is een slecht teken.