Profiel: John Negroponte

VN-ambassadeur met vuile handen

Als hij een Rus zou zijn, zou de Amerikaanse pers hem «mister Njet» dopen. Want als VN-ambassadeur van de Bush-regering heeft John Dimitri Negroponte de taak om de afwijzende houding van Washington te vertolken tegenover bijna elke multilaterale aanpak van internationale problemen, terrorisme uitgezonderd. Hij moet dus «no» zeggen tegen het Kioto-verdrag tegen global warming, «no» tegen een internationale conferentie over het Palestijnse probleem, «no» tegen het Internationaal Strafhof. Hij doet dat met overtuiging. «Als het hof ooit probeert een Amerikaan te vervolgen, zullen de VS dit als onwettig beschouwen», zei hij onlangs. En hij voegde er dreigend aan toe: «Geen enkel land mag onze vastberadenheid onderschatten.» Volgens mensenrechtenorganisaties heeft Negroponte goede redenen om het hof zo scherp te verwerpen. Zij vinden dat hijzelf op de beklaagdenbank hoort te zitten.

In Amerikaanse diplomatieke kringen is Negroponte een gerespecteerd man. «Hij spreekt vijf talen maar weet wanneer hij moet zwijgen», zo typeerde een bewonderende collega hem. Politici waarderen hem om zijn loyaliteit en omdat hij voor zichzelf geen aandacht zoekt. Hij werkt het liefst achter de schermen. Daarin contrasteert hij met zijn voorgangers Madeleine Albright en Richard Holbrooke. In vergelijking met hen lijkt Negroponte een lichtgewicht. Dat stoort de Amerikaanse regering niet. Toen hij Negroponte benoemde, besliste president Bush ook om de post van VN-ambassadeur te degraderen. Clinton had er een kabinetspositie van gemaakt, om het belang te onderstrepen dat hij hechtte aan de rol van de Verenigde Naties. Bush schrapte die beslissing, om het omgekeerde te signaleren. Zijn keuze van Negroponte signaleerde volgens mensenrechtengroepen nog iets anders: dat «respect voor de mensenrechten geen hinderpaal wordt in de agressieve verdediging van Amerika’s buitenlandse belangen», zoals de Council on Hemispheric Affairs het in haar protest tegen Negropontes benoeming uitdrukte.

Voor mensenrechtenorganisaties die zich toespitsen op Latijns-Amerika is John Negroponte de gebeten hond. Dat dankt hij vooral aan de periode 1981-1985, toen hij ambassadeur was in Honduras. Daarvoor was zijn carrière weinig opvallend. Hij werd geboren in Londen in 1939, als zoon van een Grieks-Amerikaanse miljonair, studeerde in Yale en vervoegde zich bij de diplomatieke dienst in 1960. Hij trok de aandacht van Henry Kissinger, die hem in 1971 hoofdverantwoordelijke maakte voor Vietnam in de Nationale Veiligheidsraad. In 1981 benoemde president Reagan hem tot ambassadeur in Honduras. Zijn voorganger op die post, Jack Binns, had zich onpopulair gemaakt bij de Republikeinse regering door er op aan te dringen dat Washington het militaire regime van dat land zou intomen. Binns rapporteerde dat de stafchef van het leger, generaal Gustavo Alvarez Martinez, een campagne had ontketend tegen opposanten naar het voorbeeld van de «vuile oorlog» die de Argentijnse militairen in de jaren zeventig voerden. Tegenstanders van het regime werden ontvoerd, gefolterd en vermoord, waarschuwde Binns. Dat kostte hem zijn baan. Reagan had andere prioriteiten dan de mensenrechten in Honduras. Het Sandinistische regime in Honduras’ buurland Nicaragua was hem een doorn in het oog, die ten koste van alles moest verdwijnen. Dat werd de hoofdtaak van Negroponte, ook nadat het Congres de regering in 1983 verbood om het anti-Sandinistische Contra-leger, dat beschuldigd werd van mensenrechtenschendingen en drugssmokkel, nog financieel bij te staan.

Dat Contra-leger was een creatie van CIA-baas Bill Casey, maar ook Negroponte speelde een cruciale rol. Hij sloot een akkoord met de Hondurese militairen waarbij deze laatsten het gebied dat grensde aan Nicaragua afstonden aan de Contra’s en logistieke en andere steun gaven aan het anti-Sandinistische leger. Toen de officiële kanalen voor hulp aan de Contra’s door het Congresverbod niet meer gebruikt konden worden, hielp Negroponte de illegale hulpverlening aan de Contra’s organiseren, zoals later bleek tijdens het «Iran-Contraschandaal». Hij zorgde ervoor dat een deel van de Amerikaanse hulp aan Honduras naar de Contra’s ging; dat de wapens die het Amerikaanse leger meebracht en achterliet na meer dan vijftig gezamenlijke trainingsoperaties met het Hondurese leger, in Contra-handen terechtkwamen; dat logistieke steun, zoals de aanleg van wegen in het Contra-gebied, vermomd werd als ontwikkelingshulp.

Negropontes ambassade was het effectieve hoofdkwartier van het Contra-leger. Het ambassadepersoneel vertienvoudigde in aantal, vooral door de toevoeging van militaire en CIA-attachés. Honduras werd in die mate ingeschakeld in het conflict dat het land de bijnaam «USS Honduras» kreeg, het onzinkbare vliegdekschip in de Contra-oorlog. In ruil voor zijn instemming kreeg het Hondurese militaire regime onvoorwaardelijke politieke en economische steun van de Reagan-regering. Terwijl Negroponte ambassadeur in Honduras was, steeg de Amerikaanse militaire hulp aan dat land van 3,9 naar 77,4 miljoen dollar per jaar. Miljoenen daarvan verdwenen in de diepe zakken van de Hondurese generaals. Vooral in die van sterke man Alvarez, die later vermoord zou worden door andere generaals omdat hij het Amerikaanse smeergeld niet met hen deelde.

Op aanbeveling van Negroponte werd Alvarez in 1983 door de Reagan-regering onderscheiden met «het Legioen van Verdienste» wegens zijn inspanningen ter bevordering van de democratie. Dat getuigde van een grenzeloos cynisme, want diezelfde Alvarez was niet alleen de facto een militaire dictator maar ook de oprichter van Bataljoen 3-16, een doods eskader dat Honduras terroriseerde. Of Negroponte zelf een leidende rol speelde in de activiteiten van dit doodseskader, dat door de CIA werd getraind en werd bijgestaan door Argentijnse veteranen van de «vuile oorlog», is onduidelijk. Als hij een directe rol had, zorgde hij ervoor dat er geen harde bewijzen overbleven.

Wat wel vaststaat, is dat hij systematisch loog over de praktijken van Bataljoen 3-16, het bestaan ervan zelfs ontkende en Honduras voorstelde als een paradijs voor de mensenrechten. Jose Miguel Vivanco, de directeur van de mensenrechtengroep Human Rights Watch/Americas noemde Negroponte «de struisvogel-ambassadeur»: «Hij zag nooit iets verkeerd, hij hoorde nooit iets over ernstige schendingen van de mensenrechten. Het was alsof hij op een andere planeet leefde.» Het ambassadepersoneel maakte er zelf grapjes over. Zo werd er gezegd dat het jaarlijkse rapport dat de ambassade opstelde over de mensenrechten in Honduras in feite over Noorwegen ging. De man die dat rapport schreef in 1982, Rick Chidester, getuigde later dat Negroponte hem opdroeg alle passages over verdwijningen en folteringen te schrappen en in plaats daarvan te schrijven dat dergelijke zaken in Honduras niet gebeurden.

In datzelfde jaar verschenen in de Hondurese pers 318 artikelen over moorden en ontvoeringen door het Hondurese leger. Vele waren het werk van Bataljoen 3-16. De enige Amerikaanse krant die de activiteiten van dit doodseskader grondig onderzocht, is de Baltimore Sun die twee reporters een jaar lang naar Honduras stuurde. Zij onthulden in 1995 in pijnlijk detail hoe «subversieven» ontvoerd werden, naakt opgesloten, ondervraagd met behulp van elektroshocks, verkrachting en wurging en daarna werden afgemaakt en begraven in de jungle. Volgens een rapport van de Hondurese mensenrechtencommissie in 1994 kwamen minstens 184 politieke opposanten aldus aan hun einde. Volgens de Baltimore Sun wist Negroponte heel goed wat er gebeurde en werd de plaats waar de folteringen plaatsgrepen herhaaldelijk bezocht door ambassadepersoneel en de CIA. Negroponte ontving intussen regelmatig smeekbedes van familieleden van ontvoerden om tussenbeide te komen bij de militairen. Enkele zeldzame keren deed hij dat ook, wanneer een verdwijning de aandacht van de internationale pers dreigde te trekken. Later wees hij op die tussenkomsten als bewijs van zijn inzet voor de mensenrechten. Zo bewerkstelligde hij in 1983 de vrijlating van Oscar Reyes, een journalist die verdween nadat hij kritische artikelen had geschreven over het leger. Wat Negroponte niet belette om in een ambassaderapport te getuigen dat de Hondurese autoriteiten «geen druk uitoefenen op de pers».

In 1985 werd John Negroponte beloond voor zijn diensten met een leidende functie op Buitenlandse Zaken. In 1989 werd hij ambassadeur in Mexico, waar hij volgens mensenrechtengroepen de Amerikaanse inlichtingendiensten inzette in de oorlog tegen de Zapatistas in Chiapas. In 1993 werd hij ambassadeur op de Filippijnen. Toen Bush hem in februari vorig jaar benoemde tot VN-ambassadeur werd verwacht dat het oprakelen van zijn Hondurese verleden tot stormachtige hoorzittingen zou leiden in de Senaat, die de benoeming moest goedkeuren. Er waren immers verscheidene spilfiguren van Bataljoen 3-16 die in de VS woonden, waaronder de commandant van het doodseskader, generaal Discua Elvir. Die had van de democratisch verkozen president, die de generaal liever in het buitenland had uit vrees voor een militaire coup, de post van adjunct-VN-ambassadeur gekregen. Weinigen waren beter geplaatst dan Discua om over het duistere verleden van Negroponte te getuigen. Maar voor de Senaat hem kon ondervragen, werden de generaal en de andere leiders van het doodseskader het land uitgezet. Dit wekte enige deining en de hoorzittingen werden uitgesteld. Uiteindelijk werd de benoeming van Negroponte goedgekeurd in september, vlak na u weet wel wat, toen de VS wel andere zorgen hadden.

Negroponte staat zelden de pers te woord, maar als hij het doet, laat hij verstaan dat hij over zijn rol in Honduras geen slaap verliest. Zo zei hij tegen CNN: «Die regimes zien er voor de buitenstaander misschien niet zo appetijtelijk uit als Amerikanen het zouden willen. Ze zijn misschien dictators of lijken op dictators terwijl je de democratie zou willen steunen in de regio. Maar met al de spanningen was dat misschien niet mogelijk.» Met andere woorden: in de riolen van de internationale politiek kun je niet werken zonder je handen vuil te maken. Van de handen van John Negroponte, zo zegt zuster Laetitia Bordes, die in 1982 tevergeefs een beroep op hem deed om de vrijlating van ontvoerde vrienden te bespoedigen, druipt nog steeds Hondurees bloed.