Nooit heb ik iemand met zo veel flair en gusto het einde der tijden horen aankondigen als Thierry Baudet op 25 november 2017 in de Amsterdamse rai, waar het grootste Forum voor Democratie-congres tot dan toe plaatsvond, en waar ik uit nieuwsgierigheid in de zaal zat. Op de beelden die van de dag zijn gemaakt ben ik eenvoudig te herkennen; ik ben degene die niet meeklapt.

Tweeduizend man juichte bij het zien van de door de computer gegenereerde voc-achtige schepen die samen de denkbeeldige Forum-renaissancevloot vormden, en natuurlijk voor een glunderende Baudet zelf, die naast het spelen van enkele klassieke deuntjes op de piano als ‘voorman van de partij van de liefde’ ook zelf het woord nam. Hij sprak zijn wens uit ‘de verslagenheid, de vermoeidheid, het cynisme dat je zo vaak tegenkomt om te buigen tot hoop en durf, tot dynamiek en daadkracht. Dan zullen we zien dat het beste nog komt’. Frederik Jansen, destijds voorman van de FvD-jeugd (en inmiddels aanleiding voor het grote schisma in de partij) onderstreepte de urgentie van die missie: ‘Wij zijn doordrongen van het besef dat wij de laatste generatie zijn. Als wij het niet doen, komt het nooit meer goed.’

Het zijn de kernkenmerken die alle vormen van conservatisme, klassiek of nieuwerwets, met elkaar gemeen hebben: de trots op dierbare verworvenheden uit het verleden, die ogenschijnlijk onder druk zijn komen te staan en die nu moeten worden verdedigd, voor het te laat is.

Het is niet hoop die mensen tegenwoordig bindt, maar vrees. Aldus de invloedrijke Britse conservatieve socioloog Frank Furedi, in zijn Politics of Fear (2005). ‘De politiek heeft zich de cultuur van de angst volledig eigen gemaakt’, stelde hij. ‘Daarom gaan politieke meningsverschillen vaak over de vraag welke risico’s de mensen het meest zouden moeten vrezen.’ In politieke zin is hoop een minder effectief wapen dan angst, lijkt Furedi te zeggen, omdat hoop gefrustreerd kan worden en tegenslagen moeilijk absorbeert. Met als gevolg dat een groep die zojuist nog samen hoopte, bij tegenslag al snel uiteenvalt in facties of eenlingen. Vrees doet het tegenovergestelde: tegenslagen vergroten de vrees, en maakt de groep sterker.

Furedi’s denkbeelden gingen destijds, in 2005, tegen de stroom in; in wetenschappelijke kringen was de verwachting dat generaties geleidelijk zowel hoopvoller als progressiever werden. Dat was lang ook zo geweest. Over het algemeen leidt een toename van welvaart ook tot een toename van progressief gedachtegoed. Maar er blijkt een kantelpunt te zijn geweest, zo ontdekte de socioloog Quita Muis onlangs. Muis is verbonden aan de Universiteit Tilburg, een van de universiteiten die deel uitmaakt van de European Values Studies en die sinds 1981 verschillende generaties vragen zich te buigen over vraagstukken als homoseksualiteit, abortus of echtscheiding. Uit dat onderzoek is onlangs gebleken dat jonge Nederlanders conservatiever zijn dan hun ouders.

‘Dat kantelpunt’, zegt Muis desgevraagd, ‘bevindt zich vermoedelijk in het begin van de jaren tachtig, omdat het waardepatroon dat je als volwassene aanhangt in de vroege jeugd wordt gevormd. Dus de conservatieven van nu zijn eigenlijk toen “ontstaan”. Destijds deed zich een terugslag in onze welvaartmaatschappij voor, het idee van vooruitgang kwam onder druk te staan. Zulke terugslagen zien we vaker, in de Verenigde Staten is er sprake van een sterke cultural backlash, maar die lijkt vooral van toepassing te zijn op oudere witte mannen die hun toevlucht zoeken in traditionele normen en waarden. Hier in Nederland gaat het om jonge mannen én vrouwen.’ (Etniciteit is niet meegenomen in het onderzoek.)

Hoe verklaart Muis deze verschuiving? ‘Over het algemeen zijn onze behoeftes geordend zoals in de piramide van Maslow is weergegeven: mensen moeten zich eerst veilig en zeker voelen voordat ze zich aan zelfrealisatie wagen. Veel jongeren hebben het gevoel geen stabiele basis te hebben; de huizenprijzen stijgen terwijl de lonen achterblijven. Het is volstrekt onduidelijk hoe je zult eindigen, er ligt geen pad voor je klaar, je bent zelf verantwoordelijk voor je toekomst. Ze ervaren geen structuur. Het richtingsgevoel is weg, en we weten niet meer wat ons bindt. De samenleving is erg veranderd, en jongeren lijken nu te zeggen: waar dient dat toe? Gaan de veranderingen niet te snel, waar gaan we heen? Ze verlangen naar stabiliteit, naar morele duidelijkheid. Ze moeten zich toch érgens aan vasthouden?’

Dit gevoel van desoriëntatie is soms nauwelijks te onderscheiden van angst. Al in zijn proefschrift over angst, gepubliceerd in 1991, vermeldde psychiater Gerrit Glas dat angst in veel gevallen feitelijk neerkomt op een onvermogen tot ordening. Wie geen structuur ervaart, is angstig. Wie angstig is, heeft moeite structuur te ontdekken.

‘De onzekerheid die we ervaren’, concludeert Muis, ‘wordt beantwoord met een tegenbeweging.’ Die tegenbeweging is het conservatisme.

Het conservatisme is een reactieve stroming die ontstond na de Franse Revolutie, die sommige intellectuelen een groots en lichtend voorbeeld bood, maar voor andere vooral vreeswekkend was. ‘Het werkelijke doel van de Franse Revolutie’, waarschuwde filosoof en grondlegger van het conservatisme Edmund Burke in 1790, ‘is to break all connexions (sic), natural and civil, that regulate and hold together the community’. De revolutie zou uiteindelijk tot desintegratie leiden, vreesde hij.

‘Abortus wordt normaler, de vrije seksuele moraal, de multiculturele samenleving: dat wil ik niet’

Gemeenschap (ook wel oikos) is een kernbegrip voor vrijwel iedere conservatief: een groep mensen die bepaalde regels, normen, waarden en tradities met elkaar delen en daar een gevoel van collectiviteit aan ontlenen. Vooral die tradities zijn belangrijk, niet omdat ze oud of intrinsiek lovenswaardig zijn, maar omdat ze feitelijk de historische antwoorden zijn geweest op belangrijke vraagstukken, aldus Roger Scruton, Baudets leermeester; het zijn geconcretiseerde opvattingen over wat goed voor ons is, ze vormen een accumulatie van toegepaste wijsheid. Het is niet voor niks dat Scruton conservatisme omschreef als ‘de filosofie van de hechting’. Want het bindende principe van de oikos is geen contract (sociaal of anderszins), maar iets wat nog het dichtst in de buurt komt van liefde, vindt Scruton. Vandaar dat Baudet zich zonder ironie de voorman van de partij van de liefde noemt. Het verdedigen van de oikos is volgens veel conservatieven niet alleen een plicht, maar ook een uiting van liefde.

En tegenwoordig, zo stellen conservatieven, ligt die gemeenschap onder vuur. Aan die dreiging zitten, vanuit de conservatief bezien, reële kanten. Veel steunpilaren waarop de oikos was gebouwd (van het huwelijk tot vrijetijdsverenigingen tot vaste rolpatronen in het huishouden) zijn al jaren aan het afbrokkelen, een algemene westerse trend. Sinds de Tweede Wereldoorlog werden we individualistischer en vrijer. Maar ook, zo blijkt uit vrijwel elk sociaal onderzoek, eenzamer, onzekerder en angstiger.

Vandaar dat de jonge conservatieven van vandaag vooral uit zijn op een herwaardering van het verleden, zowel in moreel-maatschappelijke zin als wat de symbolen van vroeger betreft, zoals de gulden. ‘Ons vooruitzicht was toch dat alles steeds maar beter zou worden’, legde de negentienjarige conservatief Erwin onlangs in het Algemeen Dagblad uit. ‘Alles was zo goed als uitgetekend: je zoekt een studie die bij je past, je vindt de liefde die bij je past, het moet allemaal echt leuk worden. Maar zo eenvoudig is dat niet. Vijftig jaar geleden had je als man een duidelijke positie als kostwinner, maar nu moet je een roeping hebben. Dat is lastig. Daarom zijn veel jongeren op zoek naar structuur en die vind je wel bij het rechts-conservatisme.’

De 22-jarige Urkenaar Hendrik Wakker in hetzelfde interview: ‘We zien de wereld om ons heen veranderen en progressiever worden. Een minder bijbelse wereld, abortus wordt normaler, de vrije seksuele moraal, de multiculturele samenleving: dat wil ik niet. Het is toch angst voor die verandering, voor het linkse gedachtegoed. Dat zie ik wel als een gevaar.’

In de aflevering die vpro’s Tegenlicht in 2020 aan de opkomst van de jonge conservatieven wijdde, verwoordde het negentienjarige sgp-gemeenteraadslid Tom de Nooijer het zo: ‘De mensen denken: we moeten nu de goede keuze maken, anders komt onze bevolking er over honderd jaar zo anders uit te zien, dan is ons land zo ingrijpend veranderd wat betreft cultuur, straatbeeld en dominante opvattingen. (…) Volgens mij is het niet vijf voor twaalf, maar is het al over twaalf.’

Het loon van de angst

In De bange mens gaat Daan Heerma van Voss in op de angst-vragen die hem al jaren bezighouden: is angst erfelijk? Is het legitiem dat angst tegenwoordig een geestelijke aandoening heet te zijn? Zijn we metterjaren angstiger geworden of lijkt dat maar zo? De bange mens verschijnt in april bij uitgeverij Atlas Contact. In De Groene zal Heerma van Voss, onder het vaandel Het loon van de angst, zijn onderzoek maandelijks voortzetten.

Volgens oerfilosoof Aristoteles moet de boodschap van politici aan drie voorwaarden voldoen om effectief in te spelen op de angst van de bevolking. Allereerst moet de politicus waarschuwen voor een op handen zijnde gebeurtenis of ontwikkeling die het voortbestaan van de groep bedreigt. Ten tweede moet hij of zij aannemelijk maken dat de bedreigende gebeurtenis spoedig zal plaatsvinden. Ten derde: hij of zij moet invoelbaar maken dat het misschien zelfs al te laat is, en dat het volk dringend hulp nodig heeft. Deze drie punten zien we voortdurend terugkomen in politieke redevoeringen, van een traditionele populist als Geert Wilders, maar ook van een conservatief als Thierry Baudet.

De Amerikaanse politieke wetenschapper Corey Robin, wiens The Reactionary Mind (2011) bekend kwam te staan als ‘het boek dat Trump voorspelde’, noemt dreiging zelfs de raison d’être van het conservatisme. Radicale (dikwijls progressieve) stromingen die ervan uitgaan dat snelle en grote veranderingen direct afgedwongen moeten worden, bestaan bij de gratie van hoop, die weer draait om de mogelijkheid van winst. Het is niet overdreven om te stellen dat conservatisme, de stroming die een reactie vormt op radicalisme, bestaat bij de gratie van vrees, aangewakkerd door de dreiging van verlies.

Vandaag de dag zetten de conservatieve jongeren hun eerste stappen in het politieke domein via de jongerenorganisaties van een traditionele christelijke partij als de sgp, via de pvv, maar ook via Forum voor Democratie, dat vanaf het begin inzette op jongere generaties: het was (en is) Baudets bedoeling om jongeren die misschien twijfelen over hun plek in de samenleving te voorzien van de intellectuele middelen om die twijfel om te zetten in woorden en daden. Vandaar de winterscholen en de zomerkampen, waar de veelal richtingloze jongeren werk van Roger Scruton te lezen krijgen, van Edmund Burke, van Stefan Zweig en Oswald Spengler die schreven dat ons geloof in vooruitgang misplaatst is: dat we niet alleen maar verworvenheden vergaren, maar dat we die ook kwijtraken.

Anderen, zoals de eerder genoemde Erwin, zijn afgehaakt. Twee jaar geleden sloot hij zich aan bij Forum voor Democratie, maar hij is eruit gestapt. ‘Ik hoorde een aantal speeches in Armageddon-stijl waar ik de rillingen van kreeg. Het was zo zwaar allemaal, dat wij de laatste der Mohikanen zouden zijn, de wereld zou vergaan. Allerlei doembeelden, maar het was weinig concreet.’

Forum voor Democratie, dat in 2017 nog aan het begin stond van een ongekende politieke opmars, heeft de conservatieve belofte vooralsnog niet waargemaakt. In het najaar van 2020, op de dag van de interne stemming die moest bepalen of Forum Baudets partij bleef, kwam ik hem tegen in de buurt waar wij beiden wonen. Hij droeg een rood petje en liep met zijn handen in de zakken. Hij stopte voor een praatje – we kennen elkaar zijdelings. Ik vroeg hem of hij de uitslag van de stemming vreesde. Het antwoord was nee. Om eerlijk te zijn, zei hij, zou het hem ook wel opluchten om even ontslagen te zijn van de plicht de natie te redden. En toen liep de voorman van de partij van de liefde verder.