Vocale vampier

Ik ben een vocale vampier. Ik slurp gesprekken op, en vooral ook intonaties. Zo valt het me al een jaar of tien op dat veel meisjes in de tram alleen nog maar in vraagzinnen praten.

‘Gisteren kwam ik vet laat thuis? En er was dus helemaal niks te eten? Dus toen ben ik naar de avondwinkel gegaan? Daar kwam ik Daisy tegen?’ Die toonstijging aan het eind: ik hoor het meisjes van zes al doen. Alleen de meisjes. Ik weet niet waar het vandaan komt, maar proef er wel de voorafschaduwing in van een mondiale catastrofe.

De jongens hebben nog de horkerige zinsmelodie die ik van vroeger ken. ‘Ik eruit. Hele ding naar de klote. Vet arelaxed. Komt die gast naar me toe. Wij lachen. Kapot grappig, echt.’

Het gênante aan pubers afluisteren is dat je hoort dat ze het nog aan het leren zijn. Ze oefenen zich in het nadoen van de blabla van de toffe gasten. De grondverf schijnt nog door hun sociale performances heen. Maar omdat alle jeugdige deelnemers daar even onzeker over zijn, vergeven ze elkaars onhandigheid stilzwijgend.

Eigenlijk is dat in het volwassen leven niet veel anders. Daar is het misschien allemaal niet meer zo kapot wreed en mega chill, maar ons sociale repertoire is door en door gecodificeerd in vaste kreten. ‘Fijne dagen, hè?’, ‘Wat góed om je te zíen!’, ‘Alles góed verder?’, ‘Héél veel sterkte in elk geval’, ‘Hij ligt er mooi bíj…’

Ooit hebben we het onder de knie gekregen. We hebben de formules leren nakakelen, ons in de taal leren hullen die ons moet beschermen tegen het psychische schokje dat een confrontatie met een ander menselijk wezen altijd met zich meebrengt. ‘Hartstikke bedankt en we zien elkaar snel, hè?’

En je denkt dat anderen het niet aan je horen, maar geloof me, ze horen het. Ze horen het allemaal. Jij hoort het zelf toch ook bij anderen? De grondverf schijnt door al onze optredens heen, en het is oké. Je hebt de codes leren kennen, dezelfde smileys achter je berichtjes leren plakken als die je zag opduiken in de berichtjes die je zelf ontving, dezelfde kreten en snelle gebaren leren produceren die je elders zag, en onvermijdelijk is het moment gekomen waarop je je opgelucht realiseerde dat het allemaal best meeviel.

Ons sociale repertoire is gecodificeerd in vaste kreten. ‘Fijne dagen, hè?’, ‘Wat góed om je te zíen!’, ‘Alles góed verder?’

Taal is geweldig: ze stelt ons in staat om contact te maken en tegelijkertijd afstand te houden, ons aan de groep te verbinden en er tegelijkertijd vanaf te wijken.

‘Arelexad, gast.’ Dat arelaxed stamt nog uit mijn eigen puberteit, dus ergens voelt het alsof ik er patent op heb. Destijds was het echt nog grappig en origineel om aan het vrij nieuwe concept ‘relaxed’ zo’n negatie te geven met zo’n a’tje, als een minteken voor een getal. Ooit was het nieuw, zoals het ‘vet’ voor de jongeren na mij, en het ‘kapot’ daar weer na. Elke groep pubers moet een eigen taal uitvinden. ‘Trouver une langue’, noemde Arthur Rimbaud dat op z’n zestiende. Opstand tegen autoriteiten begint met opstand tegen de taalregels.

Ze willen de vergeelde, versleten taal van hun ouders en leraren slopen omdat ze weten dat die onwaarachtig is. Probeer maar eens met een kind naast je een zakelijk telefoontje te voeren. ‘Waarom praat je altijd zo raar aan de telefoon?’ Ze horen het. Ze horen het allemaal. Jij hoort het toch ook bij degene aan de andere kant van de lijn?

Zowel de puber als de literator wil de taal weer nieuw maken. De verf eraf krabben, het valse eraf branden, tot op de grondverf, het affakkelen tot op het onbewerkte hout. Het literaire oor is een kinderlijk oor, dat jou raar hoort praten aan telefoons.

Aan politici heb je als vocale vampier niets. Bij die lui moet je juist het geluid uit zetten op je tv. Valt de gecodificeerde taal weg die voor dat menstype het specialisme bij uitstek is, dan ontwaar je ineens iets authentieks in hun fysieke onbeholpenheid. Zelfs Wilders, die met z’n tong tegen z’n wang of de binnenkant van zijn lip drukt als hij nerveus is, is met het geluid uit ineens menselijk. Je moet ze voorbij de taal leren zien, achter het vlies van de voorbedachte woorden.

In feite is dat waar elke interviewer op uit is: het moment waarop de politicus van zijn stuk gebracht is en je hem te grazen kunt nemen. Het moment dat de kijker iets authentieks uit ze kan opslurpen, onbedoeld prijsgegeven in een hapering van het praatapparaat.

Als dat gebeurt, spitsen we onze oren en vertraagt onze ademhaling, als van hyena’s in de buurt van een prooi. In ons allemaal schuilt een vocale vampier.