De strijd om het eten

Voedsel is de nieuwe olie

Terwijl drie miljard Aziaten zich opmaken voor een luxere levensstijl, zetten watergebrek en klimaatverandering de voedselproductie onder druk. Dat heeft ingrijpende politieke gevolgen. ‘De wereld schakelt over naar een tijdperk van voedselnationalisme.’

VOEDSEL IS POLITIEK: dat begreep Koning Arthur even goed als George Bush. Een overwinning in de Middeleeuwen moest gevierd worden met een feestmaal dat in omvang of in symboliek bij de grandioze dimensies van de zege paste; in de 21ste eeuw is dat niet anders. En dus droeg de Amerikaanse president op Thanksgiving Day 2003 een inmiddels beruchte gebraden kalkoen tussen zijn juichende soldaten door in Bagdad. Een paar jaar later claimde de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad een ‘goddelijke zege’ op Israël door het braden van een kruidige 'overwinningskebab’ van zeven meter.
Het Midden-Oosten geldt als de meest instabiele regio ter wereld en voedselpolitiek is hier ook het meest intens. De schaal is sinds de oude tijden veranderd - een Assyrische koning organiseerde volgens een kleitablet een feestmaal van tien dagen met onder meer zestigduizend schapen en vogels op het menu - maar het basisprincipe niet. De symboliek van eten leidde in 2009 tot de 'Humusoorlog’ tussen Israël en zijn Arabische buren, die draaide om de grondrechten op het populairste gerecht van de regio. Iets langer terug hadden we het immens corrupte Olie voor Voedsel-programma, waarin Iraks olie, westerse voedselhulp en heel veel smeergeld de hoofdrol speelden. En in de hele regio leunde de stabiliteit van de dictaturen op gesubsidieerd eten. Het was geen toeval dat de vlam van de Arabische lente werd aangestoken door Tunesische demonstranten die met stokbroden zwaaiden.
Eten heeft een grote symbolische kracht omdat het staat voor leven, voor de eerste basisbehoefte. Niets illustreerde het falen van het communisme zo als de lange rijen voor vies eten in lege supermarkten. En niets illustreert politiek succes zozeer als overvloed. Grote rijken gebruikten exotisch eten om de lange arm van hun macht te onderstrepen en ze zetten goedkoop graan in om de massa’s tevreden te houden. Nog altijd is eten voor de machtige landen van de wereld een wapen om invloed te krijgen. 'Voedsel is kracht, voedsel is vrede, voedsel is vrijheid en voedsel is hulp aan mensen over de wereld wier goede wil en vriendschap we willen hebben’, zei John Kennedy. Hij lanceerde met die woorden het Food for Peace-programma, waarmee de Verenigde Staten tijdens de Koude Oorlog loyaliteit kochten in andere landen.
De combinatie van politiek en eten is zowel effectief als gevaarlijk. Dat sneeuwde in de afgelopen decennia wat onder omdat de wereld steeds groeiende oogsten kende en bijna een halve eeuw van lage voedselprijzen. Maar dat tijdperk lijkt aan zijn einde te komen. Hoezeer dat gaat ingrijpen in de geopolitiek van de wereld is onduidelijk, maar voor de grootste alarmisten draait de wereld van morgen om voedsel - om een tekort aan voedsel, om precies te zijn. 'Er komen jaarlijks tachtig miljoen mensen bij, terwijl land en water schaarser worden en klimaatverandering voor kleinere oogsten zorgt’, zegt Lester Brown, directeur van de ngo Earth Policy Institute, in een telefonisch gesprek. 'We zien landen al reageren om zichzelf te beschermen ten koste van het algemeen belang. We gaan naar een tijdperk toe waarin internationale politiek steeds meer zal draaien om voedselschaarste.’

TAHRIRPLEIN, CAÏRO: woedende massa’s stromen dagenlang naar het centrum van de Egyptische hoofdstad, steken auto’s en bussen in brand, plunderen overheidsgebouwen en trekken op naar het presidentiële paleis, waar ze op heftig geweld stuiten van leger en politie. De protesten rollen nog dezelfde dag van stad naar stad, over heel Egypte. De beschrijving is niet van afgelopen voorjaar, maar uit 1977. Dit was de Broodintifada, een waarschuwing aan Arabische dictators om de voedselprijzen laag te houden - een waarschuwing die zij decennialang ter harte namen.
In de jaren vijftig had het ene na het andere Midden-Oosterse regime broodsubsidies gekozen om de loyaliteit van de onderdanen te kopen. Het graan daarvoor kwam doorgaans uit de Sovjet-Unie of de VS. Voor de binnenlandse stabiliteit was dat misschien mooi, maar de regio die eens de Vruchtbare Halve Maan heette werd daardoor veruit het afhankelijkst van voedselinvoer in de hele wereld.
Geen land ter wereld importeert zo veel graan als Egypte en zijn buren volgen niet ver daarachter. De ranglijst van grootste graaninvoerders per inwoner leest als de Arabische lente in steekwoorden. De eerste negen landen liggen allemaal in het Midden-Oosten, waaronder Tunesië, Egypte, Libië, Algerije en Jemen. De Broodintifada was een eerste waarschuwing welke problemen dit kon opleveren. Een tweede waarschuwing kwam in 2008, toen voedselprijzen binnen een paar maanden verdriedubbelden. In Egypte braken toen dodelijke rellen uit en dictator Moebarak bracht de broodproductie en -distributie onder bij het leger. Dankzij de wereldwijde recessie en een recordoogst stabiliseerden de voedselprijzen. Maar dat was maar tijdelijk: de afgelopen jaren klommen die prijzen weer gestaag omhoog.
En toen mislukte vorig jaar door een hittegolf de graanoogst in Rusland. Moskou kondigde een exportverbod af. 'Een paar maanden later zinkt de grootste afnemer van Russisch graan, een land met zo'n geschiedenis van aan voedsel gerelateerd geweld, weg in chaos. Je moet wel erg goedgelovig zijn als je dat nog toeschrijft aan toeval’, zegt de Canadese hoogleraar geografie Evan Fraser, auteur van Empires of Food: Feast, Famine, and the Rise and Fall of Civilizations. 'De demonstranten in het Midden-Oosten willen natuurlijk veel meer dan goedkoop eten, maar het is evident dat de hoge voedselprijzen een katalysator van het protest zijn geweest.’ Het zal geen incident zijn, denkt Fraser: 'Ik vrees dat we dit de komende decennia vaker gaan zien. Want een paar structurele factoren drijven de vraag naar voedsel omhoog, terwijl andere structurele problemen het aanbod omlaag drijven. De hoge voedselprijzen, en de politieke instabiliteit die daarmee gepaard gaat, zijn de komende decennia waarschijnlijk een blijvend fenomeen.’

EVAN FRASER is een van de alarmisten in een heftig debat dat onder deskundigen is losgebroken over de oorzaak en de politieke gevolgen van duur eten. De Voedselprijs Index van de VN staat op het hoogste niveau ooit en de voedselprijzen lijken voorlopig hoog te blijven - op een 'gevaarlijk niveau’ volgens Wereldbank-directeur Robert Zoellick, dat binnen een jaar 'tientallen miljoenen mensen de armoede in heeft geduwd’. Sommige cruciale producten, zoals tarwe, zijn driemaal zo duur als begin 2005. Een aantal wetenschappers ziet hierin een voorbode van grote geopolitieke problemen. Zo voorspelde de Britse hoogleraar John Beddington, de hoogste wetenschappelijk adviseur van de Britse regering, in een verontrustend rapport het naderen van een 'perfecte storm’ van een wereldwijd tekort aan voedsel, water en brandstof.
Wie simpelweg de lijnen zou doortrekken van de afgelopen zestig jaar zou dat bepaald niet zeggen. In die tijd werd de noodklok regelmatig geluid, omdat de wereldbevolking spectaculair begon te groeien. Zestig jaar geleden waren er zo'n 2,5 miljard mensen op de wereld, nu zijn het er zeven miljard en de groei gaat door: elke dag melden zich ruim tweehonderdduizend mensen meer aan de dis. Maar die bevolkingsgroei werd tot nu toe goedgemaakt door een even indrukwekkende stijging van de voedselproductie. Een hectare landbouwgrond levert nu gemiddeld driemaal zo veel voedsel op als zestig jaar terug, dankzij technologische innovaties als schaalvergroting, irrigatie en betere gewassen. Maar de rek lijkt eruit: de productiviteitsstijging zakte na 1990 in en de bevolkingsgroei is sindsdien groter. In ontwikkelde landen lijkt de bovengrens in zicht van wat er van een hectare landbouwgrond af kan komen.
Ondertussen maken in 'nieuwe groeiers’ zoals India en China drie miljard mensen zich op om zich een luxueuzere levensstijl aan te meten. Dat betekent onder meer: minder graan en rijst op tafel, en meer vlees, eieren, natuurgerijpte kaasjes en Big Macs. Helaas kost dat luxueuzere voedsel heel veel ander voedsel om het te maken, vooral in de vorm van veevoer, en dat duwt de voedselprijs omhoog. Dat gebeurt ook door de groeiende vraag naar biobrandstoffen, steeds meer landbouwgrond wordt daarvoor gebruikt. Bovendien kan biobrandstof worden gemaakt van eetbare gewassen zoals granen en maïs. Dit betekent in de praktijk dat de prijs van voedsel is gekoppeld aan die van olie - en olie gaat volgens alle experts duurder worden. Steeds meer ngo’s keren zich dan ook tegen de eens zo gevierde biobrandstoffen, maar intussen zijn de economische belangen die ermee gemoeid zijn groot. En zo kon de situatie ontstaan dat de honger in de wereld toeneemt, terwijl veertig procent van de Amerikaanse maïsoogst (veruit de grootste ter wereld) op gaat aan biobrandstof. De vraag is onverzadigbaar: wie de tank van een SUV volgooit met ethanol gebruikt daarmee een hoeveelheid maïs waar een mens een jaar van kan leven.
Tot zo ver de toenemende vraag naar voedsel. Helaas zijn er al even grote problemen aan de aanbodkant. Het grootste probleem is water. 'In veel delen van de wereld leunt de landbouw op fossiele grondwaterbassins: water dat al miljoenen jaren in de grond zit en niet bijgevuld wordt. Er is op veel plaatsen heel roekeloos met dat water omgesprongen, zoals in het Midden-Westen van de VS en in China’, zegt Fraser. 'In de late twintigste eeuw zijn we extreem snel door al dat natuurlijke kapitaal heengegaan. Die bassins zijn onze belangrijkste verdedigingslinie tegen droogte. Veel ervan zijn straks weg. En de mensen die nu worden gevoed door overbepomping - tientallen, misschien honderden miljoenen mensen - moeten straks op een andere manier worden gevoed.’
Een volgend probleem is klimaatverandering. Het effect daarvan zal sterk verschillen per regio van de wereld, volgens de voorspellingen van VN-klimaatbureau IPCC. Volgens de meeste klimaatmodellen pakt het bijvoorbeeld voor Nederlandse boeren goed uit. Maar over de hele wereld genomen is dat niet zo. Jammer genoeg wordt de grootste schade aan de landbouw voorspeld in de regio’s waar de meeste honger geleden wordt: zuidelijk en Oost-Afrika en Zuid-Azië. Uitgerekend het al op talloze manieren geplaagde Pakistan komt er volgens het IPCC het slechtst vanaf, met een mogelijke halvering van de oogst.
Het is, al met al, een somber plaatje. In boeken als The Coming Famine, Agriculture and Food in Crisis en Food Rebellions ziet het er slecht voor de wereld uit. Maar ook voorzichtiger wetenschappers die niet geloven dat mondiale rampen om de hoek liggen, onderschrijven dat de wereld wat voedsel betreft wellicht in een nieuw tijdperk terecht is gekomen. 'De internationale voedselmarkt is instabiel geworden’, zegt Maximo Torero, afdelingsdirecteur bij IFPRI, een toonaangevend internationaal onderzoeksbureau voor voedsel. 'Er zijn te weinig grote voedselexporteurs, waardoor een mislukte oogst of een exportbeperking in een belangrijk land meteen grote gevolgen heeft voor de voedselprijs. Er is op zich genoeg ongebruikt land in arme landen, maar die kunnen niet mee op de wereldmarkt. In rijke landen maken producenten zich zorgen over grotere schommelingen in het klimaat en stellen zij zich in op een onzekere toekomst. De biobrandstoffen verstoren de markt nog verder. Landen proberen zich tegen dat alles in te dekken en voorraden aan te leggen. Alles suggereert dat we een lange periode tegemoet gaan van hoge voedselprijzen.’

EEN LANGE periode met hoge voedselprijzen: we moeten decennia terug om er daar een van tegen te komen. Bijna de hele twintigste eeuw daalde de reële voedselprijs gestaag. Het einde daarvan heeft vooral gevolgen voor de armen van de wereld, de twee miljard mensen die de helft of meer van hun inkomen aan eten besteden. In Nederland betekent een verdubbeling van de graanprijs een dubbeltje erbij op ons brood, omdat de meeste kosten van ons brood in transport- en loonkosten zitten. Maar voor een Indiase of Somalische dagloner betekent dat al snel de dubbele prijs neerleggen voor een zak tarwe.
De hoge voedselprijzen zorgen ook voor een nieuwe versmelting van voedsel en politiek. Dat openbaart zich in zijn meest naakte vorm in de land grabs: reusachtige lappen grond in arme Afrikaanse en Aziatische landen die door andere landen worden gekocht of gehuurd. De kopers zijn meestal rijke oliestaten zoals Saoedi-Arabië, of groeiende landen die hun bevolking niet kunnen voeden, zoals China. Het zijn vaak schimmige deals, waarmee reusachtige stukken grond (en dito bedragen aan smeergeld) zijn gemoeid in landen die zelf vaak aan het infuus van massale voedselhulp liggen. 'Lange tijd hebben machtige landen zich verdedigd tegen een onveilige voedselsituatie door koloniën te vergaren’, zegt Evan Fraser, de auteur van Empires of Food. 'Tegenwoordig zien we hetzelfde: land grabs als vorm om de eigen voedselbelangen te beschermen ten koste van andere landen en de mensen die er wonen. Het is een nieuw kolonialisme.’
De aangekochte stukken land liggen in de armste delen van de wereld, maar ook in landen als Oekraïne en Argentinië. Er gebeurt meestal (nog) niets mee: het ligt als een soort verzekeringspolis te wachten op een tijd waarin de strijd om voedsel nog hoger is opgelaaid. 'Het werkelijke doel van dit soort landaankopen is ook vaak niet het land, maar het water dat er doorheen stroomt of eronder ligt’, zegt Lester Brown, de directeur van het Earth Policy Institute: 'India heeft bijvoorbeeld een heel groot stuk Ethiopië gekocht. In werkelijkheid kocht India Nijlwater. Maar alles wat India straks af gaat tappen, bereikt Egypte niet, en hetzelfde geldt voor alle andere landen uit Oost-Azië en het Midden-Oosten die land hebben gekocht in de Nijlregio. Zodra zij daar voedsel gaan verbouwen, brengt dat nieuwe conflicten in de regio naderbij.’
Het is een bekend thema in toekomstscenario’s voor de wereld: toenemende strijd om water. De probleemgebieden zijn al lang bekend, zoals de Nijlregio. 'De volgende oorlog in deze regio zal draaien om water’, voorspelde de Egyptische VN-voorzitter Boutros Boutros-Ghali een generatie geleden. Andere lang voorspelde conflicten draaien om het water van de Jordaan, de Eufraat of de rivieren tussen India en Pakistan. Het gaat daarbij niet om het water zelf, maar om het voedsel dat ermee verbouwd kan worden. Driekwart van het watergebruik in de wereld is voor irrigatie en in droge landen is dat vaak nog veel meer. Krapte op de voedselmarkt jaagt dit soort conflicten aan.
En voedselschaarste brengt onrust in landen die dat tegen elke prijs willen vermijden.
Moebarak gaf jaarlijks twee miljard euro uit aan broodsubsidies om zijn land stabiel te houden. Hij was bepaald niet de enige: voedselsubsidies ondersteunen het bewind van de strijdbare marxisten Chávez in Venezuela en Morales in Bolivia, de vurige islamist Ahmadinejad in Iran, de licht ontvlambare democratieën in India en Indonesië en nog heel wat landen daartussen. Het lot van Moebarak en de Tunesische president Ben Ali heeft hun collega’s eraan herinnerd dat eten prioriteit nummer één is. Die landen zullen koste wat het kost hun voedselaanvoer veilig willen stellen. En niet meer alle landen durven daarvoor op de markt te vertrouwen. Er komen meer en meer voedseldeals tussen landen onderling. Vorig jaar opende Zuid-Korea als eerste een kantoor in Chicago om direct graan van de Amerikaanse boeren te kopen, buiten de Amerikaanse handelskantoren om. De Koreanen vormen mogelijk de voorhoede van een nieuwe trend: ieder voor zich.

EEN GROTERE COMPETITIE om voedsel kent verliezers, maar natuurlijk ook winnaars. Dat zijn in de eerste plaats landen die in de afgelopen decennia zwaar hebben ingezet op landbouwexport, zoals Brazilië, maar daar zijn er niet veel van. Veel winst zit bij voedselspeculanten en grote producenten. De eersten werden eind vorige eeuw wakker. Toen creëerde investeringsbank Goldman Sachs de Goldman Sachs Commodity Index, een index waarin onder meer de prijs van tarwe, maïs en soja was verwerkt. De index was verhandelbaar en andere banken volgden al snel met hun eigen indexen. De prijs van voedsel was voortaan een object van financiële speculatie.
Wat de rol van deze speculatie was bij de sprong in voedselprijzen in 2008 is onderwerp van verhit debat. 'The Food Bubble: How Wall Street Starved Millions and Got Away With It’ heette een artikel in Harper’s Magazine dat de verantwoordelijkheid vierkant bij de banken legde. Voedselmarktexperts als Maximo Torero van IFPRI zien het meestal genuanceerder - 'speculanten verergerden het probleem, ze creëerden het niet’, zegt hij -, maar zeker is dat investeringsbanken goud geld verdienden aan een voedselcrisis die tientallen miljoenen mensen in de problemen bracht. 'Food is the new oil’, werd er voor het eerst gezegd, een uitdrukking die buiten Wall Street groot ongemak veroorzaakt. Voor de meest gehaaide investeringsbanken is het geen holle frase: zo stak Goldman Sachs een half miljard dollar in kippen- en varkensfokkerijen in China en kocht Morgan Stanley veertigduizend hectare landbouwgrond in Oekraïne.
Nu er meer geld omgaat in eten en de belangen groter zijn, heeft dat zijn effect op het politieke gewicht van voedselbedrijven. Sommige proberen rijstsoorten of andere zaden te patenteren en botsen frontaal met regeringen in Azië, waar honderden miljoenen mensen afhankelijk zijn van eten waar straks misschien octrooirechten over betaald zouden moeten worden. Argentinië vecht zijn eigen strijd uit tegen een gesloten front van de ABCD, de voedselconglomeraten ADM, Bunge, Cargill en (Louis) Dreyfus. De vier nemen volgens schattingen (ze doen nogal schimmig over hun cijfers) driekwart tot negentig procent van de wereldwijde graanhandel voor hun rekening. Die onwelkome concentratie van voedselmacht is al vaak aangevallen door ngo’s als Oxfam, nu bundelen de vier hun krachten om gezamenlijk de belasting in Argentinië te kunnen ontduiken. In een ander geval betrokken Amerikaanse ambassades in Europa de oorlogsstellingen toen de EU begon met het weren van genetisch gemanipuleerde maïs van voedselgigant Monsanto. 'Beginnen met vergelding zal duidelijk maken dat dit reële kosten heeft voor EU-belangen’, schreef de Amerikaanse ambassadeur in Frankrijk naar Washington, die verder aanraadde een 'lijst met doelwitten op te stellen’.
Het zijn allemaal tekenen van een nieuw tijdperk in de relatie tussen voedsel en politiek, meent Lester Brown: 'De wereld schakelt over van een tijdperk van voedseloverschot naar een tijdperk van voedselschaarste. Een tijdperk van voedselnationalisme.’
Het betekent dat eten een belangrijkere factor zal worden in de politiek binnen en tussen landen; niet dat de wereld vanaf morgen in brand zal staan. 'Sommige wetenschappers doen alsof voedselschaarste of duur eten automatisch tot de val van regimes en oorlogen tussen landen leidt. Dat is te simpel’, zegt Evan Fraser. 'Bij voedselrellen, ook die tijdens de Arabische lente, zie je dat een andere factor nodig is om de vlam aan te steken. En dat is het gevoel van onrecht, het gevoel dat voedselschaarste of duur eten onnodig en oneerlijk is. Over het algemeen leiden hoge voedselprijzen niet tot geweld, maar tot stil en verborgen lijden bij honderden miljoenen mensen die we niet zien, verspreid over de hele wereld.’


Honger in de Hoorn van Afrika

Na de grote Ethiopische hongersnood van 1984-85 was de les duidelijk: er moest een ‘vroeg waarschuwingssysteem’ voor voedselcrises komen om rampen van zo’n omvang te voorkomen. Dat systeem kwam er ook: de Verenigde Staten zetten een netwerk van kantoren op in de wereld die massa’s data over lokale prijzen en oogsten verzamelen en het doorsturen naar een supercomputer in Washington. En bij de Verenigde Naties houden hulporganisaties als OCHA zich bezig met early warning. Maar dat heeft allemaal weinig zin als er niets met die waarschuwingen wordt gedaan. Zoals in het geval van Somalië, Kenia en Ethiopië nu.
Vorig jaar oktober ging al de eerste waarschuwing uit, toen de prijs van het belangrijkste graan van de regio ruim twee keer over de kop ging. Sindsdien stapelden de waarschuwingen zich op, vooral over de droogte. Maar de belangrijkste donoren hielden in die maanden hun hand op de knip vanwege andere zaken: de redding van de euro respectievelijk de dollar; de tsunami in Japan. En dus voltrok de ramp zich als voorspeld.
‘De hongersnoden van de twintigste eeuw waren vaak vooral gedreven door oorlog of slechte politieke keuzes, zoals in China in de jaren vijftig of Ethiopië in 1984. Soms, zoals in de Sovjet-Unie in de jaren dertig, kwam er geen enkele weersfactor bij te pas’, zegt de Canadese geograaf Evan Fraser, auteur van Empires of Food: Feast, Famine, and the Rise and Fall of Civilizations. ‘De hongersnoden van de 21ste eeuw gaan waarschijnlijk meer lijken op die van de negentiende: meer gedreven door extreem weer, gewasziekten of erosie.’
Voor de ramp die zich nu dreigt te voltrekken in de Hoorn van Afrika is dat maar half waar. Er is extreme droogte, maar die is niet het ergst in het zwaarst getroffen land: Somalië. Daar verergert de eindeloze oorlog de ramp. En in sommige delen van Kenia en Ethiopië is onlangs een grote oogst binnengehaald, die kennelijk wordt opgepot. Slechte politiek blijft voorlopig probleem nummer één.