Voorbij het eigen gelijk #7: Reinier Artist

‘Voel de grond’

Als jonge indiaan kwam Reinier Artist in de westerse wereld terecht. De afgelopen jaren begrijpt hij waarom: meer dan ooit is het tijd dat het Westen leert van de indiaanse filosofie – en hij zal vertellen.

Medium mvdggroeneindiaan3080
‘In het Westen is een onbeperkte, onverzadigbare zucht naar méér, iedereen wil zoveel mogelijk hebben’

Niet lang geleden zag Reinier Artist (82) zijn buurman bezig in de tuin, die klaar moest voor het mooie weer. Intussen kleurden de wolken boven zijn hoofd zwart en er stak een harde wind op; er was overduidelijk storm op komst. ‘Je moet ophouden, het begint te regenen’, zei Artist tegen de buurman. ‘Dat kan niet’, antwoordde de buurman, ‘eerst moet de tuin klaar.’ En terwijl het begon te regenen en te waaien, ploeterde de buurman voort.

Het was zo’n moment waarop Artist zich bewust werd van de indianenziel in zijn borst. Nooit zal een indiaan denken dat iets per se nú klaar moet, terwijl de natuur aangeeft dat het niet zo’n goed idee is. Een indiaan weet dat hij onderdeel is van de natuur en wie niet luistert naar de natuur vernietigt uiteindelijk zichzelf. ‘Dat is de grote filosofische kennis van de indiaan. We kunnen als mensen ontzettend veel, maar regen of storm kunnen we niet tegenhouden.’

Artist woont met zijn vrouw in een rijtjeshuis in Oegstgeest, tuintje voor en achter. Hij kwam in Nederland in 1956 en was, voorzover hij weet, de eerste Surinaamse indiaan die zich hier vestigde. Hij studeerde tropische landbouwkunde in Deventer en culturele antropologie in Nijmegen. Hij werkte twee perioden als ontwikkelingswerker in Suriname en kwam in 1983 definitief naar Nederland, waar hij Surinamers hielp met integreren en Nederlanders adviseerde op het gebied van Suriname.

Na al die jaren snapt hij natuurlijk wat zijn buurman bewoog. De man wilde zijn klusje afmaken, hij had geen zin later opnieuw in de tuin te moeten wroeten. Niemand hoeft Artist te vertellen hoe belangrijk ‘tijd’ is voor Nederlanders. Als jongen in Suriname kende hij het hele begrip niet en dus moest hij leren dat Nederlanders een begin en een eind vaststellen en het stuk ertussenin ‘tijd’ noemen. Inmiddels laat hij al lang zijn eigen leven door de tijd structureren en voelt zich Nederlander met de Nederlanders.

Maar de laatste jaren is er een nieuwe beweging in hem gaande: steeds sterker komt de indiaan in hem boven. Hij draagt de indiaanse filosofie uit tijdens lezingen en aan wie het verder maar wil horen, zijn toehoorders zijn zowel westers als Surinaams. In 2016 publiceerde hij een boek over het indianendorp waar hij in 1935 werd geboren, Bigi Poika, diep verscholen in de Surinaamse bossen langs de Saramacca-rivier, ten zuidwesten van Paramaribo. Hij had het gevoel dat hij het van zijn voorvaderen moest doen, dat hij aan een groot publiek móest vertellen over de indiaanse manier van leven die hij als jongen zo intensief meemaakte.

Indiaans verhaal: In de schaduw van twee beschavingen heet het boek en hij hoopt ermee zijn volk te inspireren tot een spirituele wedergeboorte, wat in zijn ogen dringend nodig is. Hij merkt dat veel tradities uit het indiaanse collectieve geheugen verdwijnen. Zelfs in Bigi Poika, waar hij probeert een keer per jaar te komen, weten jongeren meer van mobieltjes en bromfietsen dan van hun eigen cultuur. Hij is bezig fondsen te werven, zodat het boek gratis in Surinaamse indianendorpen kan worden verspreid.

Een ander belangrijk doel is dit: Nederlanders, of westerlingen in het algemeen, iets meegeven van de indiaanse cultuur. Ongeveer de eerste zinnen die Artist tijdens een bezoek aan hem in Oegstgeest uitspreekt, zijn deze: ‘Ik ben teleurgesteld, of eigenlijk boos, behoorlijk boos op de westerse beschaving. Waarom vertellen jullie nooit de waarheid over ons? En waarom doen indianen het in jullie ogen altijd slecht?’

Op papier klinken deze woorden harder dan hij ze uitspreekt. Artist blijkt zo kalm als de natuur in zijn verwilderde achtertuin, waar op deze warme lentedag geen sprietje beweegt en de vogels hun mond houden. Hij luistert met overgave en laat na elke vraag een korte stilte vallen. Hij praat rustig en komt na harde woorden altijd weer met zachte. ‘Ik wil niet zeggen dat jullie westerlingen fout zijn…’, klinkt het dan bijvoorbeeld.

In het boek beschrijft hij zijn persoonlijke geschiedenis en die verklaart veel van zijn houding. Artist groeide op in hutten met een dak van palmbladeren, hij liep op blote voeten en voedde zich met alles wat het regenwoud bood, zoals generaties indianen vóór hem. Hij hoort tot de Caraiben, een van de Zuid-Amerikaanse indianenstammen die verre nazaten zijn van de Maya’s, Inca’s en Azteken. Hij werd katholiek gedoopt, maar kreeg als kind in eerste instantie alleen indianentradities mee.

‘We kunnen als mensen ontzettend veel, maar regen of storm kunnen we niet tegenhouden’

Het besef dat alles met elkaar samenhangt in de natuur stond in zijn leven voorop. Aangezien mensen bij de natuur horen, voelden zij zich onderdeel van die samenhang en ze leefden collectief. Als er een probleem was, zocht heel Bigi Poika naar een oplossing. Artist herinnert zich dat zijn oom Harry zijn vrouw niet goed behandelde naar de smaak van zijn vader. ‘Mijn vader was diplomaat en hij wachtte tot de hele gemeenschap bij elkaar was. Toen zei hij er wat van, waarop de rest van de mensen oom Harry liet merken dat hij één van ons was. Dat is belangrijk voor de zondaar, dat hij merkt: ik hoor er wel bij.’

De westerse manier van leven leerde Artist kennen via missionarissen die hooguit twee keer per jaar Bigi Poika aandeden en hem in het Nederlands lieten bidden en zingen. Toen er rond zijn twaalfde jaar een zogeheten boslandonderwijzer permanent les kwam geven, was deze man meer bezig met zijn eigen handel dan met reken- en taalles. Hij viste en jaagde, waarna hij de opbrengst verkocht in Paramaribo. De kleine Reinier Artist vond dat merkwaardig: ‘Ik had al jong oog voor onrechtvaardigheid.’

Het ‘gedonder’ begon pas echt toen de kerk zich steeds meer met Bigi Poika bemoeide, vertelt Artist. Hij legt uit dat de indianenspiritualiteit niet wezenlijk verschilt van het christelijk geloof – beide aanbidden God en prediken dat je je naaste moet liefhebben als jezelf. Toch kregen de indianen stelselmatig te horen dat hun religie niet deugde. Ze deden volgens de kerk aan bijgeloof. De instrumenten van de piaiman, de spiritueel leider, werden vernietigd. De lendendoeken van de indianen waren onzedelijk. ‘In feite was niets goed aan ons. Later begreep ik dat we als primitief werden gezien.’

Indianen bestonden amper in de beleving van de rest van de bevolking, inclusief het Nederlandse koloniale bestuur, volgens Artist. Overal in het land moesten ze zich achteraan opstellen, in de gezondheidspost vele kilometers van Bigi Poika werden ze soms dagen niet geholpen. Zelfs in de bossen, in hun eigen gebied, moesten ze doen wat niet-indiaanse handelaren zeiden en rubber tappen, bessen plukken of hout kappen tegen een hongerloon.

‘We werden niet serieus genomen, omdat we onzichtbaar waren’, zegt Artist. ‘Indianen bleven het liefst in het binnenland, we hadden niets te zoeken bij de rest van de bevolking, die wij als westers zagen, afgezien van de marrons met wie we ons gebied deelden. We waren ook niet arm, wat iedereen dacht, omdat we leefden van de natuur en ruilhandel. Dat veranderde toen de westerse beschaving zich met ons ging bemoeien. Niemand snapte ons en accepteerde ons.’

Artist merkte het als kind allemaal op, maar zijn nieuwsgierigheid naar de westerse wereld won het. Dat was geen wonder. Altijd had hij westerlingen horen zeggen als ze Bigi Poika bezochten: ‘Bij Uitkijk begint de beschaving.’ Bij Uitkijk was een schutsluis die de indianen door moesten als ze dagenlang met hun korjalen over de Saramacca hadden gevaren, als ze een enkele keer een reis ondernamen naar Paramaribo.

Hij zag het met eigen ogen: achter die sluis was alles anders. Ze voeren een kanaal binnen – dat was al iets onbekends. Dan nog even pagaaien en ze waren in Paramaribo, waar je spullen in winkels kon kopen en de mensen in kleren liepen, niet achter elkaar, zoals in het oerwoud, maar naast elkaar. Het was vreemd, maar al dat nieuwe was ook opwindend. Artist begon te geloven dat na Uitkijk inderdaad de beschaving begon.

Dus toen de onderwijzer in Bigi Poika zei dat hij in Paramaribo naar school moest, omdat hij zo goed kon leren, wilde hij wel. Als bijna veertienjarige jongen ging hij bij een familie in Paramaribo in de kost. Toen hij daar vooral als huishoudelijke hulp aan de slag moest en nauwelijks aan school toekwam, zorgde zijn vader ervoor dat hij terecht kon in een internaat van de Fraters van Tilburg. Hij had het er naar zijn zin, zijn leerprestaties gingen vooruit en in 1956 was het geen vraag meer of hij naar Nederland zou gaan om verder te studeren.

Nederland was wennen, maar Artist bleef nieuwsgierig. Hij deed wat er van hem werd gevraagd: als eerste indiaan in Nederland bood hij koningin Juliana een bos bloemen aan tijdens haar bezoek aan zijn Tropische Landbouwschool in Deventer; op nationale feestdagen draafde hij op in lendendoek, omdat Nederlanders dat zo leuk exotisch vonden. ‘Ach, ik vond het wel amusant’, zegt hij met een lach in zijn ogen.

‘In de eerste fase heb ik de westerse beschaving prachtig gevonden. Ik was volop bezig met nieuwe ontdekkingen en heb consequent geprobeerd me zo veel mogelijk aan te passen aan de Nederlandse normen. Ik probeerde mijn afkomst niet te vergeten, maar dat was lastig, want de druk van de Nederlandse samenleving woog zwaar. Ik moest het indiaans-zijn zoveel mogelijk beleven in mijn eigen bewustzijn.’

Toen al voelde hij soms boosheid, maar hij wist die te bezweren. Hij was bijvoorbeeld zwaar teleurgesteld toen hij in 1959, na zijn studie tropische landbouwkunde, van het Nederlandse koloniale bestuur in Suriname geen ontwikkelingswerk voor de indianen mocht doen. In plaats daarvan moest hij grootschalige landbouwprojecten in West-Suriname ontwikkelen. ‘De indianen waren niet belangrijk genoeg, dat deed me pijn’, zegt hij.

‘Westerlingen zien de indianen nog steeds als een exotisch volk, als een groep die hulp nodig heeft’

Het was de reden dat hij in 1964 opnieuw naar Nederland ging voor de studie culturele antropologie in Nijmegen. Hij wilde nóg meer van de Nederlanders weten. Hoe zagen zij de indianen? Wat zei de westerse wereld over hen? Hij ontdekte dat er volop westerse studies over indianen bestonden, met nogal wat halve waarheden. Zo las hij dat indianen niet uit liefde trouwen. ‘Maar de manier waarop indianen laten blijken dat ze van iemand houden is totaal anders dan in het Westen. Dat begrepen de westerse onderzoekers niet.’

Daarna zou hij nog meerdere keren energie steken in de verbetering van de situatie van de Surinaamse indianen, maar het leverde slechts uiterst moeizaam iets op. Elke keer werd hij naar zijn idee in de wielen gereden door het onuitgesproken oordeel van Nederlanders of Surinamers dat indianen primitief zijn. Na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 ging hij er aan de slag als ontwikkelingswerker, maar na de Decembermoorden in 1982 werd het te gevaarlijk, omdat hij felle kritiek had op legerleider Bouterse. Samen met zijn vrouw en hun vier kinderen keerde hij naar Nederland terug.

Sindsdien bleef hij hier en vormde hij als consultant een brug tussen Nederland en Suriname. Hij deed dat tot 2010, toen hij 75 was. En toen daarna de rust kwam, dwaalden zijn gedachten naar Bigi Poika, dat intussen een busverbinding had gekregen met Paramaribo, en steeds meer toeristen trok die wel eens een indianendorp wilden zien. Hij dacht eraan hoe geïsoleerd het dorp in zijn jeugd was en hoeveel tradities nu verloren dreigden te gaan. En hij zag zijn grootvader Trame voor zich, die na het vissen zei: ‘Jongens, nu gaan we opruimen, want morgen, maar ook over tien jaar komen hier andere mensen en die moeten van deze zelfde natuur een bestaan hebben.’

Hij begon te snappen waarom hij als indiaan in de westerse wereld terecht is gekomen. Hij moest een verhaal vertellen en dat deed hij. Eindelijk kreeg de indiaan in hem de ruimte en hij zei dingen als: ‘Westerlingen zien de indianen nog steeds als een exotisch volk, als een groep die hulp nodig heeft. Nederlanders bedoelen het niet kwaad hoor, maar we moeten wel benoemen dat die tijd voorbij is. Laten we gelijkwaardig met elkaar omgaan.’

In zijn lange leven leerde hij de westerse beschaving goed kennen. Tot op zekere hoogte begrijpt hij het individualisme dat zo kenmerkend is voor de westerse cultuur. Er is niet genoeg natuur in de westerse wereld waarin mensen zich vrij kunnen bewegen, niet als je het vergelijkt met de Surinaamse bossen waarin hij opgroeide. De ruimte is beperkt en dat maakt individualisme onontkoombaar. Je moet wel een beetje op jezelf zijn gericht.

Maar wordt het niet tijd dat Nederlanders zich op hun beurt in zíjn beschaving verdiepen? ‘Luister nou eens goed naar ons’, zegt hij. ‘De gemiddelde Nederlander denkt dat hij de indianen met hun lendendoeken kent, maar dat beeld klopt niet. Nodig ons uit, maak een opening en dan zal de Nederlander ontdekken dat indianen nog iets wezenlijks hebben dat iedereen hard nodig heeft in deze tijd: het besef dat we als mensen bestaan bij de gratie van de natuur. Alles wat we te veel uit de schepping nemen, gaat ten koste van onszelf.’

Artist gelooft dat de westerse wereld juist nu iets kan hebben aan het indiaanse gedachtegoed. Hij denkt dat we voor radicale veranderingen staan, waarin de westerse omgang met de schepping gaat verdwijnen. ‘In het Westen is een onbeperkte, onverzadigbare zucht naar méér, iedereen wil zoveel mogelijk hebben. Dat betekent meer grondstoffen die we uit landen ver weg halen. In die landen bemoeien we ons met machtsverhoudingen, er ontstaan conflicten en dan sturen we wapens. En dan zeggen we: die derdewereldlanden geven alleen maar problemen. De schuld wordt afgehouden.’

Deze manier van denken is volgens hem niet houdbaar. ‘Europa en de Verenigde Staten denken dat ze het in de hand hebben, maar de filosofie van de indiaan zegt: vergeet het maar. Je ziet het toch? Overal zijn ruzies en conflicten. De indiaan zegt: we kunnen nog terug, als westerlingen genoegen nemen met minder. Maar westerse leiders zeggen: we gaan niet terug, we gaan verder, we gaan nog meer rijkdom vergaren en de mensheid nog meer bewapenen.’

Als het zo doorgaat, zal de westerse beschaving zichzelf vernietigen, daarvan is hij overtuigd. ‘Vluchtelingen die hier komen krijgen de schuld, maar het Westen is zelf de schuld. Westerlingen begrijpen de schepping niet, ze zijn de basis van het bestaan ontgroeid. Bijna niemand in het Westen zegt: laten we het rustiger aan doen. Zo veroorzaken westerlingen de problemen zelf.’

Graag zou hij wat wereldleiders in een indianenhut uitnodigen, Poetin en Trump bijvoorbeeld. Hij begint hardop te lachen: ‘Maar die jongens hebben geen tijd voor mij, hè?’ Het is wel de manier waarop indianen problemen oplossen: met z’n allen bij elkaar zitten, praten en zingen, met blote voeten op de grond stampen. ‘Mijn advies zou zijn: voel de grond’, zegt Artist. ‘Voel hoe de geesten je kietelen en dan zal je wakker worden. Probeer terug te gaan naar het begin.’ En net als zijn oom Harry zouden de wereldleiders te horen krijgen wat ze fout doen. Maar ook: ‘Je bent één van ons, je hoort erbij.’

Dan zegt Artist: ‘We moeten de zaken niet mooier maken dan ze zijn, hè? We zijn allemaal mensen en indianen doen ook dingen waarmee ze anderen schade berokkenen. Wij hebben ook ruzies, maar ze worden in gemeenschappelijkheid opgelost.’ En ja, hij weet dat die ‘gemeenschappelijkheid’ nare kanten kan hebben, zoals sociale controle en groepsdwang. Maar die komen onder indianen nauwelijks voor, meent hij: ‘De vrijheidsgedachte bij de indianen is heilig.’

Opnieuw begint hij te lachen. Laatst zag hij in het tv-programma De rijdende rechter twee buren bakkeleien over een schutting: de ene partij vond dat die te hoog was, hij wilde eroverheen kunnen kijken, en de andere partij wilde dat gekoekeloer nou juist voorkomen. ‘In mijn ogen is het onvoorstelbaar primitief, zo’n programma. Ik denk: zijn die mensen gedegenereerd of zo? In de filosofie van de indianen bestaan geen grenzen in de natuur en ook geen bezit, want dat leidt tot afgunst en disharmonie.’

Hij begrijpt hoe het individualisme wortel heeft geschoten in westerse maatschappijen, maar we moeten van hem aannemen dat het ook een hoop ellende heeft veroorzaakt. We kunnen de zaken nog terugdraaien, het is nog niet te laat. ‘Luister naar de indianen’, zegt hij nogmaals. ‘Het is tijd.’