‘voel je die kameraadschap?’

Elk jaar verzamelt zich aan de vooravond van de IJzerbedevaart de fascistische internationale in Diksmuide. Rellen bleven dit jaar zo goed als uit, maar dat kon de pret niet drukken. ‘Heerlijk, al die mensen, en niemand scheldt je uit voor kaalkop’
DIKSMUIDE, 24 augustus. Twintig overvalwagens, vier ruiters en een politiehelikopter cirkelen eindeloos rond drie kroegen aan de kop van de IJzerlaan, waar vierhonderd neonazi’s zich in rap tempo bedrinken. Zo ook Appie, Mirjam en Peter: drie werkloze tieners die samen de harde kern van de Centrumpartij ‘86 in Terneuzen vormen. Net als ik dragen ze soldatenkistjes, een te kleine spijkerbroek en een gewatteerd bomberjack met daarop een Nederlands vlaggetje. Mirjam heeft haar skinhead-uniform bovendien opgefleurd met een insigne van het voormalige Nederlandse SS-legioen Westland.

De drie hebben nauwelijks enig benul van de achtergronden van de een dag later te houden IJzerbedevaart - oorspronkelijk een herdenking van de in de Eerste Wereldoorlog gevallenen, die later uitgroeide tot een podium voor de Vlaams-separatistische beweging. ‘Heeft het niet iets met de joden te maken? Of de oorlog ofzo?’ Ze verheugen zich vooral op een fikse knokpartij. 'Het wordt weer wild vanavond!’ schreeuwt gangmaker Appie, die haast niet kan wachten. 'Als je dit glas bier naar dat paard gooit, krijg jij van mij een meier.’
Vorig jaar braken er na het gooien van een glas bier hevige rellen uit in Diksmuide. Nadat een bejaarde extremist werd gearresteerd, trokken vijfhonderd skinheads naar de gevangenis om hem te bevrijden. De Rijkswacht liet waterkanonnen en traangas aanrukken, maar moest zich onder een regen van flessen, stenen en terrasstoeltjes terugtrekken. Na hergroepering volgden enige verbeten gevechten, waarin 247 extremisten werden gearresteerd. De rest vluchtte weg in achtertuinen en bierkelders.
DIT JAAR KRIOELT het stadje van de politieagenten die ieder fascistisch machtsvertoon direct de kop in drukken. Wie zich na het invallen van de duisternis honderd meter buiten de kroegen waagt, wordt prompt opgepakt, gefouilleerd en via de Interpolcomputer op een strafblad gecontroleerd. Het bezit van wapens, nazi-propaganda of al dan niet getatoeeerde swastika’s leidt onmiddellijk tot minstens een nachtje cel. Reeds buiten Diksmuide worden al honderdtwintig personen wegens deze vergrijpen gearresteerd en opgesloten, waaronder Centrumpartij-leider Stewart Mordaunt. Een onbekend aantal extremisten is simpelweg tegengehouden en teruggestuurd.
Ondanks deze tegenslagen hebben de drie Terneuzers ’s middags de moed nog niet opgegeven. 'Kijk, een wijf!’ roept Appie als hij achter een overvalautoraampje een meisjesgezicht voorbij ziet schieten. 'Die ga ik vannacht eens lekker pakken!’ Zijn vriendinnetje Mirjam kan er niet om lachen. 'Ach man, ze steekt haar wapenstok zo in je reet.’ Peter let meer op de Duitse Vikingjeugd, een fascistische padvindersclub die gehuld in minuscule leren broekjes op de stoep voor de kroegen heen en weer marcheert. 'Zouden ze het niet koud hebben?’ Mirjam antwoord smalend: 'Die billetjes krijgen het vannacht heus wel warm.’
Een deur verder geeft Voorpost, de knokploeg van het Vlaams Blok, een beslo ten feest voor een bont gezelschap van zowel heel jeugdige als hoogbejaarde leiders van enige tientallen grote en kleine rechts- extremistische partijtjes. Present zijn onder meer de verboden Duitse organisaties ANS en NSDAP-AO, de Britse National Alliance, de Nederlandse Centrumdemocraten en de CP'86, en natuurlijk het Vlaams Blok. Sinds een tiental jaren organiseert Voorpost aan de vooravond van de IJzerbedevaart deze 'Kameraadschapsdag’, waarop fascistisch Europa zich samen sterk kan voelen, haar onderlinge contacten kan onderhouden, en naar de buitenwereld toe de tanden kan laten zien.
Uit Nederland zijn slechts dertig man door de politiecontrole heengekomen. De meest opvallende persoonlijkheid onder de bejaarden is de op krukken rondstrompelende Florrie Rost van Tonningen, de hardnekkig antisemitische weduwe van de in 1945 gestorven NSB'er. Tot de jeugdigen behoren de wegens geweldpleging veroordeelde Martijn Freling (CP'86) en Martin van der Grind (CD). Ook aanwezig is Richard van der Plas, CD-gemeenteraadslid in Purmerend, verdacht van verboden wapenbezit, heroinehandel en de mishandeling van schrijver Adriaan Venema.
Een van zijn maatjes is het Purmerendse CD-lid John Rijkenberg, die aan de bar zijn zoveelste pintje naar binnen giet. 'Voel je die kameraadschap? Dat is toch heerlijk, om eens met zoveel tegelijk te zijn. Hier ben je even geen paria meer. Al die mensen, en niemand scheldt je uit voor kaalkop, nazi of fascist.’ Peter den Egmond, CD-ge meenteraadslid te Velsen, legt ons uit waarom wij morgen weer paria’s zullen zijn. 'Dat komt door al die joden in de media. Ga maar na: Sonja Barends, Mart Smeets, Loretta Schrijvers, Barend en Van Dorp, Ralph Inbar. Allemaal joden! En dan noem ik er maar een paar op. De joden gebruiken de media om het hele Nederlandse volk dom te houden en kapot te maken, zodat zij aan de touwtjes kunnen blijven trekken.’
Deze wat sombere visie valt slecht bij Richard van der Plas. 'Je moet het volk niet onderschatten’, riposteert hij. 'Iedereen weet dat als we alle buitenlanders het land uit rotten, alle uitkeringen direct met vijfhonderd gulden omhoog kunnen. Ook het fileprobleem, de woningnood en de werkeloosheid zijn dan in een klap opgelost. Wij komen dus onvermijdelijk een keer aan de macht. Daarbij hebben we nog altijd onze schietclub om de toekomst een handje op weg te helpen.’ Zijn vriend Milco, ook lid van deze in Amsterdam-Noord gevestigde schietvereniging, valt hem bij. 'He Richard, kunnen we voortaan niet schieten op portretten van negers en Marokkanen, om alvast te oefenen? Of beter nog, levende exemplaren!’ Daar wordt op geklonken.
IN EEN ACHTERZAALTJE zijn de grote Vlaamse en Duitse delegaties ondertussen begonnen aan een enorme slemp- en zangpartij. Als in een surrealistische film hangen in bruine, blauwe en zwarte fantasie-uniformen gestoken jongeren en bejaarden klinkend, brallend en zingend op elkaars schouders. Het meest bizar zijn de padvinders van de Vikingjeugd, die met hun starre blik, geheven kin en hun reviaanse natte-droomuniformpjes een groteske persiflage op de model-nazi zijn. Slechts een enkeling heeft een meisje bij zich; bedeesde, in aanbidding opkijkende, genegeerde schepseltjes in dirndljurkjes. Terwijl hun Meedogenloze Jongens in het ritme van de marsliederen steeds harder op de tafels beuken, klotst de pils over hun handen: 'Wacht maar broeders, we kennen onze taak/ We komen terug in het uur van de wraak/ Juda val dood, O Duitsland ontwaak!’
De eigenaar en de meisjes van de bediening doen alsof het spookachtige gebeuren de normaalste zaak van de wereld is. Zolang de franken maar blijven rollen, worden de glazen geroutineerd bijgevuld. De vijftigjarige Vikingjeugdleider Claus uit Beieren biedt me er een aan. 'Omdat je een Nederlander bent’, boert hij in mijn gezicht. 'Dat zijn de edelste Germanen van allemaal. De lijken van de Nederlandse SS'ers onder het beton van Stalingrad zijn het zout der aarde en het zaad van de toekomst. Alleen al daarom blaas je een stel Turken of negers op. Om hen in ere te houden, om hun bloed te wreken!’ Claus is op zoek naar mensen waarmee de Nederlandse tak van de Vikingjeugd, die nog maar een handvol leden telt, versterkt kan worden.
Na middernacht leggen ook de kopstukken van de Centrumdemocraten en de CP'86 het laatste laagje beschaving van zich af. Richard van der Plas lanceert zichzelf in een ellenlange tirade tegen het vreemdelingenbeleid. 'Tachtig procent van al die kutnegers en kankerturken zijn criminelen! Dat staat gewoon in De Telegraaf, maar kennelijk trekt niemand daar zijn conculusies uit. Behalve wij! Maar als wij iets zeggen, worden we gelijk uitgemaakt voor racisten. Wie discrimeert er dan wie? Tegen de muur met dat zootje!’
Martijn Freling en Martin van der Grind zijn inmiddels te ver heen om de woorden van Van der Plas te kunnen beamen. Ladderzat waggelen ze door de zaal, slechts in staat tot het brengen van de Hitlergroet en het krijsen van een zich snel door de menigte verspreidende kreet: 'Sieg heil! Sieg heil! Sieg heil!’ Het bier ligt inmiddels in plassen op de vloer.
HET IS WELHAAST onmogelijk te doorgronden wat deze mensen beweegt. Volgens de Verfassungsschutz, de Duitse Binnenlandse Veiligheidsdienst, deinzen maar liefst vierduizend Duitse neonazi’s niet terug voor moord en doodslag, omdat ze 'de personen die het doelwit zijn van hun aanslagen (asielzoekers, openlijke homoseksuelen en politieke tegenstanders) voor “lebensunwert” houden’. Volgens een in 1992 verschenen analyse van de Verfassungsschutz stammen de radicalen overwegend uit gebroken gezinnen, zijn ze op school mislukt, seksueel gefrustreerd en maatschappelijk perspectiefloos. Dit maakt ze tot ideale prooien voor 'de geborgenheid van de neonazistische subcultuur’, die hen in een langzame hersenspoeling 'een vervangend wij-gevoel’, 'overzichtelijke normen en waarden’ en een strakke 'kleed- en spraakcode’ bijbrengt. Tegelijkertijd biedt het neonazischap hen 'coherente vijandbeelden’, waarop hun frustraties en angsten kunnen worden geprojecteerd. 'En dat is de beslissende motivatie. Wat telt is de erkenning voor de eigen groep en daarvoor is de militant bereid om crimineel te worden.’ Volgens de Duitse journalist Michael Schmidt lachen de meeste skinheads zich echter rot om dit soort gepsychologiseer. Ze zijn er domweg van overtuigd dat het nationaal-socialisme de enig juiste manier is om de samenleving te organiseren.
Wanneer ik diep in de nacht op weg ga naar de buiten het dorp gelegen jeugdherberg De IJzerhoeve, razen de overvalwagens nog onvermoeid voort over de IJzerlaan. Vier Rijkswachters kijken geamuseerd vanaf hun paarden naar het zich aan elkaar vastklampende nazituig dat naar hun slaapplaatsen wankelt. Appie, Mirjam en Peter zijn al weer afgedropen naar Terneuzen.
'Het zit er dit jaar gewoon niet in’, verzucht Claus uit Beieren, die met me meeloopt naar de jeugdherberg. 'Volgend jaar beter. Wacht maar af, dan komen we met veel meer mensen. Dan zullen ze eens wat beleven.’ Uitdagend schalt hij het Horst Wessel-lied over de Diksmuider graanvelden: 'SA marschiert, mit ruhig festem Schritt/ Achtung! Mit ruhig festem Schritt.’
DE VOLGENDE aanvaarden bijna alle niet-Vlaamse rechtsradicalen met een houten kop de terugreis naar het vaderland. De dag van de eigenlijke IJzerbedevaart - een ingewikkeld politiek en liturgisch ritueel waar vrijwel niemand iets van begrijpt - is voor de Belgen. ’s Middags nemen de kortgebroekte padvinders van het Vlaams Nationaal Jeugdverbond in naam van de Vlaamse separatisten al trommelslaand de heilige grond voor de IJzertoren in, gesteund door een enorme overmacht van sympathisanten. Onder de leuze 'Hier ons bloed. Wanneer ons recht?’ sjorren ook een paar oude mannen wat aan vlaggen. Hier en daar valt er een klap.
Vlaanderen heeft nog een lange weg te gaan richting een bevredigende oplossing voor de politieke impasse met de Walen. Maar het opstootje is niets vergeleken met de bijtende haat achter een van de slogans van de Vikingjeugd, die eveneens veelvuldig wordt verspreid in Nederland: 'Wir sind wieder da!’