Ik heb er weleens eerder over geklaagd: ik heb weinig gevoelens toebedeeld gekregen. Anders gezegd: ongetwijfeld voel ik… dingen… maar hoe ik moet noemen wat ik ervaar, weet ik niet.

Het is waarschijnlijk de reden geworden dat ik schrijver ben geworden. Het dwingt je gevoelens te omschrijven in plaats van ze te benoemen.

‘Hij voelde zich gelukkig.’

Wat voel je dan? Ik weet het echt niet.

Er zijn zaken die ik wel onderga: eenzaamheid, angst, verveling, pijn. Ook ken ik verdriet zonder reden. Is dat droefgeestigheid? Wat is het verschil tussen die twee? Zomaar terneergeslagen zijn – godverdomme, moet ik dat wel ‘terneergeslagen’ noemen? Soms lijd je ook aan gevoelens die niet terecht zijn – dat wéét ik domweg – maar die je toch hebt: mislukt zijn, minderwaardigheid…

Mijn persoonlijkheid hapt dan naar adem. Soms vrees ik dat ik de woorden verkeerd gebruik. Vooral als ik een compliment krijg.

‘We hebben genoten van uw column.’

‘Dank u, dank u.’

Maar komt dat niet doordat ik de verkeerde woorden heb gebruikt? Krijg ik niet om de verkeerde redenen het compliment? Het imposter-syndroom bloeit dan als een roos in de zomer.

Om trouwens deze column nog iets ingewikkelder te maken: naarmate ik ouder word, neemt mijn gevoeligheid toe. En daarmee bedoel ik (misschien) de ontroering.

Kleinkinderen zingen een liedje voor me, ze hebben een tekening gemaakt of vertellen een verhaaltje in zinnen die ze uit de lucht hebben geplukt. Ik verdring mijn tranen. Of ik zie een film met een hondje dat een klein kind redt. In plaats van naar iets anders te zappen, blijf ik kijken. Wil ik dat gevoel? Ik kan het niet deconstrueren. Is het huilen van geluk? Zo gelukkigmakend is het niet. Toch? Hoe weten andere mensen zo precies, alsof ze steeds pijltjes in de roos gooien, welke woorden ze moeten gebruiken? Maar doen ze dat eigenlijk wel? Ik let er al tijden op. Het vocabulaire van de mensen om me heen is, als het om gevoelens gaat, ook niet zo groot. Het is weleens onderwerp van damesbladen, geloof ik: ‘Mijn man en ik kunnen niet met elkaar praten.’ ‘Hoe zeg ik hem wat ik wil.’ Met beide hebben mijn vrouw en ik trouwens geen moeite. Ook mijn vrienden, onder wie dichters en schrijvers, hebben een beperkt emotioneel vocabulaire.

‘Hoe voel je je nu?’

De kampioen, de winnaar, moet steeds maar weer vertellen wat hij voelde. Het valt altijd tegen. ‘Ik ben heel blij’

‘Kut.’

‘Ziek?’

‘Nee, gewoon kut.’

‘Depressief?’

‘Nee, alles is kut gewoon.’

Ik weet trouwens wel wanneer ik sommige woorden moet gebruiken. ‘Ben je gelukkig?’ vraag ik.

‘Ja… echt. Het is hier heel fijn. En jij… Ben jij gelukkig?’

‘Wie ik? Eh… ja, natuurlijk.’ Altijd een aarzeling. Altijd even zoeken in mijn geest. Gelukkig. Ik ken de omstandigheden om het te voelen, maar ik voel het niet zoals ik verdriet voel en daarnaast vind ik het woord ‘gelukkig’ – hoe zal ik het zeggen – te ‘groot’ om zomaar te gebruiken en niet zelden vind ik het daardoor ‘onethisch’ om te zeggen. (‘Ja, ik ben gestoord, ik weet het.’) Zeg ik dat ik gelukkig ben, dan is dat misschien vervelend voor de ander van wie ik me in feite niet kan voorstellen dat hij of zij zich ook zo voelt. (‘Stop hiermee, alsjeblieft.’)Ik wou dat men stopte met het praten in en over gevoelens.

De kampioen, de winnaar, moet steeds maar weer vertellen wat hij voelde. Het valt altijd tegen. ‘Ik ben heel blij.’ Ja, natuurlijk, je hebt gewonnen. En je voelt dan meestal niks want je bent uitgeput. Praten over gevoelens is in negentig procent het geven van de sociaal gewenste antwoorden. In de politiek gaat het ook te veel over de gevoelens. Vooral de gekwetste. Men wil ons een ethisch juist vocabulaire opdringen. Het gaat dan per definitie over de oppervlakte. De geboden alternatieven zijn lelijker dan de originelen.

‘Ik werd hierdoor geraakt.’

Wat zou ik dat graag willen. Geraakt worden. In het hart. Ik ken boosheid, agressie ook wel, want ik voel dan onmacht. Maar positiviteit is een spookhuis in mijn geest.

Verlies ik mijn taal, of wordt het Nederlands kariger? Hoe moet je voelen?

Ik vrees dat ik er nimmer achter kom.