Voelers en denkers

PETER SCHJELDAHL
LET’S SEE: WRITINGS ON ART FROM THE NEW YORKER
Thames Hudson, 256 blz., € 29,95

In een artikel dat vorig jaar verscheen in het kunsttijdschrift Art Forum deelde de Amerikaanse journalist Katy Siegel kunstcritici op in voelers en denkers. De tweedeling diende om persoonlijk en intuïtief werkende besprekers – in dit geval de Amerikaanse kunstcriticus Dave Hickey – te onderscheiden van meer studieuze en theoretisch ingestelde collega’s. Deze tweedeling valt makkelijk breder te trekken: iedere kunstbeschouwer behoort in mindere of meerdere mate tot één van beide kampen.
De denker is een criticus uit één stuk: hij bezit één alomvattend waardensysteem – formalistisch psychologisch, neomarxistisch – waar hij ieder kunstwerk aan toetst. Zijn overtuigingen zijn onwrikbaar, zijn maatstaven absoluut. Het maakt de denker betrouwbaar, maar ook een tikkeltje voorspelbaar. Vaak hoef je zijn stukken niet te lezen om te weten wat zijn opinies over een bepaalde tentoonstelling zijn. De voeler daarentegen gaat veel pragmatischer te werk. Hij bezit geen theoretische gereedschapskist of ideologische borstwering. Hij laat zich leiden door zijn karakter, gaat af op zijn ervaringen, volgt zijn intuïtie. Daardoor is hij een stuk spannender dan de denker. Zijn stukken lees je ademloos; je weet nooit wat je kunt verwachten.
De Amerikaanse kunstcriticus Peter Schjeldahl (1942) schreef kritieken voor Vanity Fair en The New York Times voordat hij in 1998 werd aangenomen als staff critic bij het gerenommeerde Amerikaanse opinieblad The New Yorker. Ooit had Schjeldahl veel weg van een denker. Hij had vastomlijnde opvattingen over wat een goede kunstenaar was en hoe kunst eruit diende te zien – groot, abstract, existentialistisch. Inmiddels staat Schjeldahl een meer gevoelsmatige kunstkritiek voor. In de introductie van Let’s See, een bundeling van de kunstkritieken die hij de afgelopen tien jaar publiceerde, vertelt hij dat kunstkritiek voor hem een fysieke aangelegenheid is. Wanneer hij naar kunst kijkt, reageert het lichaam primair, het intellect hobbelt daar achteraan. Kunst maakt Schjeldahl boos of weet hem tot tranen toe te roeren. Eén keer liet ze hem zelfs hallucineren: toen hij na een doorwaakte nacht voor Velázquez’ Las Meninas in het Prado stond, dacht hij het crinoline van de Meninas te horen ritselen.
Let’s See bevat 75 besprekingen, de meeste over grote tot middelgrote meesters: Gauguin, Chardin, Giacometti, Tintoretto, Fra Angelico. Een uitgesproken voorkeur voor een bepaald soort kunst of stroming heeft Schjeldahl niet. Ieder oeuvre, ieder kunstwerk, wordt met onbevangen blik tegemoetgetreden. Hoe ziet Schjeldahls pikorde eruit? Bovenaan staat Rembrandt, direct gevolgd door Pollock en Warhol, in het bijzonder zijn zeefdrukken met bloemenprint. In de middenmoot vinden we Lucian Freud (‘hard to like, impossible not to admire’) en Max Beckmann. Onderaan bungelt de protestkunst en shockart: de feministische agitprop van Barbara Kruger en de gemuteerde etalagepoppen van Jake en Dinos Chapman. Naast tentoonstellingsbesprekingen bevat dit boek ook enkele ijzersterke stukken over trends in de museumwereld en kunsthandel. Er zijn stukken over politiek en kunst – ‘Most political art is poor art and worse politics’, aldus Schjeldahl. Over de Biënnale van Venetië, en wat het voor kunstenaars nog betekent om een land te vertegenwoordigen in een ver geglobaliseerde kunstwereld. En over de relletjes rond Sensation, Charles Saatchi’s groepstentoonstelling met de schilderijen van de madonna gestut door olifantenpoep die burgemeester Rudy Giuliani dreigde te sluiten.

Zijn scherpste pijlen richt Schjeldahl niet op individuele kunstenaars, maar op vernieuwingen in de museumwereld. Schjeldahl is het soort criticus dat vindt dat het licht op de Rembrandts goed moet zijn en dat de geluidsoverlast tot een minimum beperkt moet blijven. Aan blockbuster-tentoonstellingen waar kennisoverdracht boven schoonheidsbeleving wordt gesteld heeft hij een broertje dood. Schjeldahl is sowieso weinig geïnteresseerd in de didactische en verheffende waarde van kunst. Hij neemt afstand van curatoren die menen dat tentoonstellingen slechts nut hebben wanneer ze mensen weten om te vormen tot verantwoordelijke burgers. Kunst, weet Schjeldahl, is in de kern amoreel. Ze verhoudt zich tot Het Goede zoals seks zich verhoudt tot liefde: het kan samengaan, maar het is niet per definitie aan elkaar gebonden.
Schjeldahls stukken zijn een toonbeeld van controle en verfijning. Met chirurgische precisie en het oog van een doorgewinterde detective legt hij de motieven, obsessies, verdiensten en dwalingen van zijn onderwerp bloot. Al lezende voelde ik me vaak doctor Watson die amechtige pogingen doet Sherlock Holmes bij te houden, instemmend meeknikkend met iedere nieuwe revelatie, heel goed wetend dat ik ze zelf nooit had kunnen verzinnen. Schjeldahls belangrijkste wapen is zijn stijl: hij is de best schrijvende levende kunstcriticus die ik ken. Zijn zinnen zijn ritmisch, zijn observaties treffend. Zijn typeringen zijn memorabel: het kitchen sink-existentialisme van de vroege Lucian Freud is ‘Salinger with poor plumbing’, een romantisch landschap van Caspar David Friedrich bekijk je niet, ‘you inhale it, like nicotine’; Picasso schildert ‘arcadia as a whorehouse’; Amerika en impressionisme is een even logische combinatie als ‘Canadian salsa’. Lezen in Let’s See verfrist je perceptie. Als het poetsen van een bril die lang niet is schoongemaakt.