Voer voor biografen

Jan Fontijn, Broeders in bedrog: De biograaf en zijn held. Uitg. Querido, 167 blz., Ÿ39,90 ..LE TWEE JAAR geleden stuitte ik in een Franse kustplaats op de grenzen van mijn biografenmoed. Ik duwde het hekje van een voortuin open en liep naar de voordeur. Alles wees erop dat de bewoner thuis was. Auto voor de deur, raam open, ik meende een radio te horen… Op geen van mijn brieven had hij gereageerd. Het telefoontje van een door mij ingeschakelde kennis die mij bij hem moest introduceren, had hij vrijwel direct afgebroken. Ik wist dat de confrontatie met zijn verleden pijnlijk zou zijn, maar ik kon het er niet bij laten zitten. Was hij niet nog een van de weinige personen die uit de eerste hand kon getuigen van het leven waarvan ik al zo lang de knopen aan het ontwarren was? Het tuinpad was lang genoeg om mij het zweet te doen uitbreken. Zomaar onaangekondigd bij iemand op de stoep staan… Gisteren had het me nog de enige mogelijkheid geleken, nu kwam het me alleen maar onfatsoenlijk voor. Een paar straten verderop had ik een telefooncel zien staan. Mezelf sussend met de gedachte dat het ook heel ineffectief kon zijn om iemand onvoorbereid te laten praten, deed ik het tuinhekje weer achter me dicht.

Natuurlijk was kort daarna mijn kans om de man in het gezicht te kunnen zien, voorgoed verkeken. De hakkelende mededeling van mijn kant dat ik toevallig in de buurt was, werd beantwoord met een hatelijk tuut-tuut-tuut. Toen ik enigszins lamgeslagen weer zijn straat in kwam lopen, zonder dat ik nu wist welke vervolgstappen ik moest nemen, zag ik dat de auto voor het huis weg was en het raam gesloten. Meteen al flitste het door mijn hoofd: een journalist had dit heel anders aangepakt. Had aangebeld en de man overdonderd, of was met een smoes binnengekomen.
HET VERSCHIL tussen een biograaf en een journalist is een van de onderwerpen die Jan Fontijn, biograaf van schrijver/ psychiater Frederik van Eeden, aansnijdt in zijn essaybundel Broeders in bedrog. Het prettige van deze stukken, die eerder verspreid verschenen in onder meer Biografie Bulletin en De Revisor, is dat ze, met alle belezenheid en doordachtheid die eruit spreekt, zo niet-academisch zijn. Aan een soortgelijke situatie als hierboven beschreven, zij het wÇl leidend tot concrete resultaten, refereert Fontijn aldus: ‘Na een dag in een provincieplaatsje waar de biograaf familieleden of bekenden van de gebiografeerde bezocht heeft om hen documenten af te troggelen, waarbij hij zijn uiterste best deed om zo betrouwbaar en zo voorkomend mogelijk te zijn, kan hij - ik spreek uit eigen ervaring - zo van zichzelf walgen dat hij zich in een stationsrestauratie van het plaatsje bedrinkt. Al te vaak heeft een biograaf, op zoek naar onthullende bronnen, iets van het slijmerige van Henk van der Meyden. Hij heeft, zoals Richard Holmes eens opmerkte, iets van een zwerver, die voortdurend op het keukenraam tikt en in alle stilte hoopt dat hij voor het avondeten wordt uitgenodigd.’
Fontijn weet waarover hij het heeft. Met zijn jarenlange onderzoek naar Van Eeden, en de kleinere speurtochten naar onder meer Carry van Bruggen en Frans Coenen, heeft hij alle twijfels en dilemma’s van biografisch onderzoek aan den lijve ondervonden. Hij is bovendien, al is dat in het verband van biografisch onderzoek een ingewikkelde term, een eerlijke schrijver, die er niet voor terugschrikt iets van zijn persoonlijke drijfveren als biograaf te onthullen, ook de minder 'zuivere’. Voeg daarbij zijn enthousiaste lezingen van biografenromans als Possession van Byatt en The real life of Sebastian Knight van Nabokov en het is hem vergeven dat zijn essays soms wat haastig geschreven lijken. Sowieso is het jammer dat de afzonderlijke stukken niet nog eens gescreend zijn op overlappen. Nog mooier was het geweest als uit de oude essays een nieuw vloeiend geheel was gecomponeerd. Het neemt allemaal niet weg dat er genoeg te genieten valt voor biografen en liefhebbers van het genre.
TIJDENS ZIJN eigen psychoanalyse kwam Jan Fontijn erachter dat hij pijnlijke gebeurtenissen verzweeg of verdraaide. Het drukte hem met de neus op het feit dat in ieder mensenleven bewust of onbewust mythen worden gecre‰erd. De les voor hem als biograaf was dat het zinvol kon zijn om via kleine details een leven binnen te dringen en op zoek te gaan naar wat er achter het masker van alledag van de gebiografeerde schuilging. Dat persoonlijke projecties van de biograaf daarbij onontkoombaar zijn, het zij zo. De subjectiviteit van de biograaf noemt Fontijn zowel zijn achilleshiel als zijn kracht. Identificatie van de biograaf met zijn object is nodig, omdat het hem anders nooit lukt feiten en gebeurtenissen in een betekenisvol verband te plaatsen. Zaak is wel, vindt hij, dat de biograaf zich niet laat meeslepen door zijn eigen verbeelding.
Dat Fontijn keer op keer grenzen stelt aan de verbeeldingskracht van de biograaf, vind ik een beetje streng. Hij is bang voor de 'literaire en persoonlijke manier van schrijven’ die sommige biografen hebben. Als je schrijft: 'Het was een zonnige lentedag’, dan moet het ook echt zonnig zijn geweest, vindt hij. Het streven 'de waarheid’ te vertellen komt voort uit zijn angst voor sensatiezucht of voor aanpassing aan de smaak van het grote publiek. In het geval van schrijversbiografie‰n lijkt mij dat wat overdreven, omdat het grote publiek hier per definitie ver te zoeken is. Buiten dat vind ik zijn opvatting van de ideale biograaf als een bescheiden, in de anonimiteit werkende wetenschapper, nogal klerkerig. Natuurlijk moet de biograaf iets hebben van de mentaliteit van bewondering, opoffering en ondergeschiktheid, anders is het niet vol te houden je zo lang in het leven van een ander te verdiepen. Maar het bl¡jven vorsen, interviewen en volproppen van archiefladen heeft ook iets gevaarlijk veiligs. Een biograaf moet toch vooral het lef hebben om onder ogen te zien dat de waarheid van een leven niet bestaat en daaruit conclusies trekken. Om ordening aan te kunnen brengen in een berg met foto’s, teksten en bandopnamen is een flinke dosis verbeelding nodig.
OF DE prominente rol die ik mijn Mr. X inmiddels heb gegeven in de biografie die ik schrijf, overeenkomt met de werkelijkheid, blijft gissen. Misschien doet het er niet zo toe. In al zijn zwijgzaamheid blijkt hij de perfecte verbeelding van de persoonlijke mythe van de door mij gebiografeerde. Dat wil zeggen: dat maak ik van hem. Een biograaf moet soms zijn grenzen durven verleggen, al was het maar omdat hij geen journalist is.