Opheffer

voet bij stuk

Het vervelende was dat toen wij in de jaren zeventig hoorden: «De mens is een sociaal wezen», wij, kinderen van vlak na de Tweede Wereldoorlog, meteen zeiden: «De mens is een asociaal wezen.»

De mens zou een sociaal wezen zijn, omdat hij niet zonder andere mensen kan. Hij moet met anderen mensen omgaan, zelfs als hij zich terugtrekt als een zonderling. Dan doet hij dit als een bewuste keuze… et cetera, et cetera.

Wij vonden de mens asociaal, omdat hij dolgraag zijn soortgenoten wilde uitmoorden of onderdrukken.

Mijn vader, ooms en tantes – allemaal kolonialen – wilden de inlander onderdrukken, «omdat dat het beste voor hem was». En bijna elk politiek systeem, en bijna elk geloof rechtvaardigde op enig moment in de geschiedenis dat er vlijtig vermoord werd.

Pas later merk je dat al die uitspraken over «de mens» er niet toe doen. De ene is sociaal, de andere asociaal. Maar wat opvalt is dat ze het nooit consequent zijn. Niemand is consequent sociaal of asociaal – dat is precies het materiaal dat je als schrijver of scenarist gebruikt, althans ik.

Wanneer ik opeens onder de indruk ben van een personage dat ik heb bedacht, dan lijkt hij vaak op iemand die ik ken (vroeger vaak een familielid) maar balanceert hij ook op dat randje van sociaal en asociaal.

Waarschijnlijk ben ik ook zo, en waarschijnlijk is dat ook de reden dat ik nooit een boek over mijn vader heb kunnen schrijven. Ik heb mijn vader nooit op een inconsequentie kunnen betrappen, terwijl hij wel inconsequent was.

Geen groter koloniaal dan hij, geen groter onderdrukker dan hij, geen groter begaan en sociaal wezen dan hij.

Ik zie zijn inconsequentie dus wel degelijk, maar in mijn hoofd is dat consequent, terwijl mijn personages bestaan bij de gratie van hun inconsequenties. Ik snap dat niet, en gelukkig ben ik te oud om ervoor naar de psychiater te gaan.

Ik gaf onlangs een lezing over mijn favoriete regisseur Billy Wilder. Ik was aan het vertellen over zijn personages (zijn hoofdpersonen hebben nooit een ruggengraat, maar zijn een soort slappelingen die dat beseffen, maar dat vaak de beste keuze vinden) en dus zei iemand in de zaal: «U houdt dus van Wilder omdat zijn hoofdpersonen op u lijken?»

«Het was niet moeilijk, maar u heeft het goed gezien», antwoordde ik.

Maar tegelijkertijd dacht ik: het tegendeel is waar. Als iemand een consequentheid van beton heeft, dan ben ik het wel. Toch? Ik sta ergens voor, ik spring daarvoor ook in de bres, ik pik het niet, en zal voor mijn recht staan. Toch?

Maar hoe komt het dan dat bijna al mijn vrienden en vriendinnen mij soms smeken: «Ga nou niet door de bocht, als je met hem praat. Hou voet bij stuk. Toon karakter. Hou je rug recht.» Het is een constant terugkerend thema – wel met vrolijke noten – in mijn leven.

Maar hoe komt het dan dat ik mezelf een ijzeren consequentie en karaktervastheid toedicht?

Ik heb er de laatste tijd eens goed bij mezelf op gelet en ben tot de conclusie gekomen dat ik een aardig, sociaal wezen ben. Het is niet dat ik «geen voet bij stuk» hou, maar het aanpassen, het vermijden van pijn, het iedereen naar de zin maken, zit in mijn programmatuur, daar aangebracht door mijn ouders, die daarin de enige overlevingsstrategie zagen die helpt.

Die overlevingsstrategie helpt wel, maar komt onvermijdelijk een keer in conflict met de harde dagelijkse realiteit.

En dat is nu.

Het klinkt als een weerzinwekkend cliché, maar ook ik vind de toestanden in de zorg niet meer om te pikken.

Je ziet hulpverleners keihard werken, terwijl je kijkt naar hulpbehoevenden die geen hulp krijgen. Je begrijpt dat je het niet begrijpt. Je weet hoe het komt en dat je er niets aan kunt doen – en je vindt het een metafoor voor de rest van de samenleving, die lijkt te bestaan uit hulpverleners die keihard werken aan hulpbehoevenden die geen hulp krijgen.

Jasser – een Palestijn die we kennen omdat hij bij ons in de buurt woont – vertelde me dat daarom Hamas zo populair is. Die zorgen eerst dat de zorg goed geregeld is, en redeneren van daaruit naar een maatschappijvisie die dat mogelijk moet maken. Hij meent dat wij precies andersom redeneren. Wij hebben een bepaalde maatschappijvisie – het vrije marktdenken – en dan kijken we hoe we daarbinnen de boel kunnen bekostigen. Wij stellen dus andere prioriteiten.

Het is alsof ik weer terug ben in de collegebanken en discussies hoor over Marx. We discussiëren en ik voel dat ik mijn overlevingsstrategie weer aanzet en tot een vorm van overeenstemming wil komen. Maar het lukt niet.

Ik heb last van de zaken die ik in het tehuis heb gezien. Verplegers en verpleegsters die helpen met voeden, aankleden, naar de wc gaan, verbinden, en aan de andere kant de kwijlende oudjes in een stoel die te laat op de plee worden gezet.

De verpleegsters die woedend waren over de directies van Nuon en Essent: met die paar ton bonus zouden mijnheer Van Stralen en mevrouw Wientjes het niet in hun broek hebben gedaan en zou mijnheer Van Vliet niet hoeven huilen. Ik beloofde ze dat ik erover zou schrijven. («Doet u dat?» «Echt!» «En voet bij stuk houden, hè?» «Ja, echt!»)

Ik schaamde mijn ogen uit mijn kop – was blij dat ik het tehuis kon verlaten.

Wat zou het kosten om al die bejaarden centra goed te laten lopen?

Honderd miljoen? Tweehonderd miljoen? Een miljard?

«De mens is een sociaal wezen», zeg ik tegen Jasser.

«De mens is een asociaal wezen», zegt hij, «hij wil het liefst oorlogvoeren, onderdrukken.»

«Omdat hij een betere wereld wil. En die wens is toch eigenlijk heel sociaal.»

«We begrijpen elkaar niet», zegt Jasser.

Ik bied hem nog iets te drinken aan, en besluit over voetballen te praten.