Voetbal is nog steeds oorlog

Ik heb ongelijk.

Of niet?

De theorie in voetballand is de volgende: ‘Die jongens spelen zo goed, omdat ze in heel arme wijken zijn opgegroeid. Ze hadden daar alleen voetbal, en dat speelden ze de hele dag.’

Klopt dit?

Het is waar dat landen als Brazilië en Argentinië met veel achterstandswijken relatief betere voetballers opleveren dan Nederland. Maar wij zijn dan ook een stuk kleiner. De keuze is daar veel groter. Nu kun je zeggen: daar komen de voetballers uit de favela, bij ons uit Betondorp. Cruijff bijvoorbeeld. Maar juist Betondorp was een buurt in Amsterdam waar – ten tijde van Cruijff – het barstte van de intellectuelen. Toen Cruijff opgroeide woonden er in Betondorp per vierkante kilometer de meeste hoogleraren van Nederland of kwamen er vandaan. (De gebroeders Van het Reve.)

Ik geloof zeker dat je een schitterende techniek krijgt wanneer je als kind acht uur per dag voetbalt. Maar zowel in sport als in een artistiek vak heb je ook wat anders nodig: intelligentie en kennis. Nu denk ik dat een jongen uit de donkerste achterbuurt intelligent kan zijn, maar het zal hem ontbreken aan kennis. Kennis heb je nodig om juist een atypische beslissing te nemen. Wie alleen maar hangt in zijn techniek komt niet verder. Dat komt doordat techniek niets anders is dan een vorm van plagiaat. Stel: ik kan een vrije trap niet zo goed nemen, dan vraag ik aan mijn vriendje: hoe doe je dat? Dan oefen ik, en na verloop van tijd kan ik net zo goed als mijn vriendje die vrije trap nemen. Maar wil ik een stap hoger komen, dan zal ik mijn intelligentie en mijn kennis moeten aanspreken. Nu kun je betogen: je moet kennis hebben van wat er in het veld allemaal is gebeurd. Aan kennis over nanotechnologie of de snaartheorie heb je in het stadion weinig. En je zou dat kracht bij kunnen zetten door te zeggen: ‘Wijs mij een grote voetballer aan die ook een goede natuurkundige is.’ En je kunt het nog krachtiger maken door te nuanceren: ‘Bedoel je niet dat voetballers creatiever moeten zijn, artistieker desnoods?’

‘Nee, ik vind voetballers al creatief en artistiek.’ Het gaat mij echt om kennis. Ik denk dat je met gedegen kennis over oorlogen de jongens uit de favela kunt verslaan. Ik zou, als ik trainer was, misschien wel colleges Von Clausewitz geven. (Zeker – dit voor de liefhebber – nu we verdedigend gaan spelen.) Een elftal is immers een klein leger dat het moet opnemen tegen een ander klein leger.

In de favela hebben de jongens te maken met drugsbendes waar ze bij willen horen; ze zijn daardoor hard, meedogenloos, wreed. En winnen dus van ons. Winnen is daar: niet sterven. Maar als wij weten hoe beheersing je beschaaft, hoe je sommige problemen kunt omzeilen, hoe en wanneer je moet samenwerken, des te groter de kans dat je een atypische beslissing op het veld kunt nemen waardoor je wint. Anders gezegd:

De slimmerik die een goede bom heeft ontwikkeld, hoeft zich niet dood te vechten.

Maar kijk: daar zit mijn twijfel.

De vraag is bij het voetbal: wie zijn de decadenten?

Het voetbal is ruwer geworden. Onbeschaafder. En daarom minder leuk. Wat ik hierboven betoogde is: leer voetballers beschaving en ze winnen het van de onbeschaafden.

Dat is niet zo.

Althans, aanvankelijk niet.

De barbaren winnen vaker. Juist door hun domme kracht, hun wreedheid en hun weigering de wet te volgen. Dat leert de wetenschap der geschiedenis.

Die wetenschap leert ook dat wie steeds wint en niets meer hoeft te veroveren uiteindelijk decadent en dus lui en zwak wordt.

De vraag is dus bij het voetbal: wie zijn de decadenten?

Zij die uit de goot komen en erg rijk zijn, of wij die onze voetballers graag hun opleiding zien afmaken.

Ik weet het niet.