© ANP / AFP / Andy Rain

Voetbal is tragisch. Dat gevoel bleef na de finale van Italië tegen Engeland. Ik was voor Italië maar voelde geen euforie. Wel verdriet over het treurige niet-willen-verliezen-voetbal. Medelijden. Met de Engelse trainer die tegen het einde van de laatste verlenging twee jonge jongens in het elftal bracht. Zij misten nooit. Ze misten allebei. Penalty’s kun je trainen, reken maar, laat je niks wijsmaken. Net zo lang oefenen tot het een mechanisme is. Altijd rechts hoog in de bovenhoek, zoals Maguire hem nam, behalve als de keeper rechts gaat staan. Dus ook linksboven oefenen. Ook mentaal kun je ze trainen. Mijn methode: na iedere training vijf penalty’s nemen, bij iedere misser duizend euro storten in de clubkas van de grootste concurrent. Allermooiste affiche van het toernooi was van een Italiaan in het Wembley-stadion: ‘Bring it to Rome.’

De grote vraag is natuurlijk wat ‘we’ precies naar Rome brengen. Tegen het einde van zijn curieuze studie Leven in meervoud (uit 1963, met als ondertitel ‘Een metabletisch onderzoek’) gaat psychiater J.H. van den Berg (1914-2012) in op ‘het voetbalspel’. Kenmerkend ervoor noemt hij ‘dat de bal met de voet wordt verplaatst’, nee, sterker nog, het is zelfs streng verboden de bal met de hand te raken. Hij heeft duidelijk een punt, in het huidige voetbal neemt het ‘handsverbod’ bizarre vormen aan: verdedigers verbergen hun armen en handen achter hun lichaam wanneer ze zich in de baan van het schot werpen. Alles om de penalty te voorkomen, want de VAR is onverbiddelijk. Van den Berg gaat uitvoerig in op dit verbod op het gebruik van de hand en hij komt met een verrassend inzicht.

Volgens Van den Berg was de hand een beslissend element in de Industriële Revolutie. ‘De hand, die als geen ander lichaamsdeel in staat is de dingen te raken, op te pakken, door te geven en weg te werpen, deze hand wordt door dit spel verboden.’ De hand maakt dingen, vormt dingen en bedient machines. En juist de hand is in het voetbalspel getroffen door een verbod. Hij ziet hierin duidelijk een vorm van protest. ‘Het voetbalspel is, als het spel van het verbod op de hand, het spel van het verbod op de machine’. Hij spreekt zelfs over ‘het anti-machine spel’ en noemt het verderop het spel tegen de Industriële Revolutie. ‘De spelers en hun duizenden toeschouwers spelen de strijd tegen de knechtende, onterende, gehate, doch niet ongedaan te maken, ook nodige en zelfs nuttige, waardoor revolutionair verlammende industrie.’ ‘Verbod op de machine’, zou volgens bij hem de ingang van ieder voetbalstadion kunnen staan. De enige die zijn hand nog mag gebruiken is de keeper, stelt hij, maar hij is ook de enige die de bal weigert. Hij werpt de bal zo snel mogelijk weg.

Volgens Van den Berg is voetbal ontstaan tijdens de eerste protesten tegen de machine, dus tijdens de opkomst van de arbeidersbeweging. In 1867 publiceert Marx Das Kapital, niet lang daarvoor stichtten oud-leerlingen van public schools de eerste voetbalclubs. Volgens hem is het niet vreemd dat in 1863 de eerste Football Association werd opgericht, de samenhang met de opkomst van het marxisme is volgens hem zonder meer duidelijk. Voetbal noemt hij ‘het nagespeelde marxisme’. Van den Berg zal niet vreemd hebben opgekeken dat de dichter Gorter eerst fanatiek voetballer was en zich later tot het marxisme bekeerde. Logisch. Volgens hem heeft het voetbal afgedaan wanneer de machines geen rol meer spelen. Van den Berg laat zich langzamerhand helemaal door zijn eigen betoog meeslepen. Wanneer de machines verdwenen zijn, stelt hij, komt de hand vrij, ‘dan kan men de hand ook weer vrij gebruiken’ en is het voetbalspel zinledig geworden. Hij voorspelt dit in de nabije toekomst.

Hij heeft ongelijk gekregen, voetbal blijft voorlopig bestaan, zeker nu geld al jaren de grote machine is. Maar zijn betoog is meeslepend, zeker ook geestig en in ieder geval om over na te denken. (Hoe zou het met het taboe op spelen met de voet bij hockey zitten?) Bestaat er nog enig besef van protest bij de huidige bezoekers van voetbalstadions die zich opgewekt op weg begeven naar het stadion, de opstellingen bespreken en zich in stilte verheugen over het beginfluitje? Jarenlang gaf ik me eraan over. Onwaarschijnlijk. Het aardige van Van den Bergs betoog is dat enige spijt over het ‘latere’ verdwijnen van het voetbalspel in zijn tekst doorklinkt. Duidelijk is dat hij in zijn hart van voetbal hield en ik sluit niet uit dat hij verschillende keren voetbalstadions bezocht, hoe groot zijn hekel ook was aan massale bijeenkomsten. Hij moet zich vermaakt hebben met wat hij de ‘juichsalvo’s’ noemde die hij opvatte als ‘triomfkreten’ tegen de oprukkende machines.

Helaas schrijft hij weinig over de rol van de bal in voetbal. De bal, de bal… Hij is onschuldig, hij beweegt alleen wanneer de voet hem in beweging zet. Hij trekt lijnen in de lucht en over de grond, onwetend van de voet die hem in werking heeft gezet. Oeeeei gaan de stemmen van het publiek samen met hem hoog over het doel. Ineens maakt hij een duikeling en belandt hij bij de cornervlag, waar de linksbuiten hem liefdevol beroert, niet lang, en klaarlegt, even de tijd neemt en dan een voorzet geeft met wegdraaiend effect. De bal vertegenwoordigt onafgebroken geluk. Vestdijk beschrijft hem op de eerste bladzijde van De koperen tuin zo: ‘(…) maar het gedrag van de bal, zo schrander en behoedzaam, zo jong en veerkrachtig tevens, stelde mij in zekere mate gerust, alsof een onzichtbare goochelaar met mij en de breekbare dingen wel rekening wilde houden.’