WK van de hoop

Voetbal tussen de hoeren

Op loopafstand van het Ellis Park Stadion in Johannesburg ligt de wijk Hillbrow. Het inferno vol drugsdealers en criminelen is klaar voor de invasie van voetbaltoeristen tijdens het WK. ‘Veiligheid? We hebben camera-bewaking.’

‘Is dat een machinegeweer?’ Het is laat in de middag en nog rustig in het Ayobayo restaurant in Kotze Street in Hillbrow. Eigenares Doris Tjale raadt kippizza aan, omdat ze vermoedt dat de blanke niet dol is op lokale specialiteiten als pens met maïspap. Als we aan de pizza met Fanta zitten komt er een man binnen. Hij draagt een donkerblauw T-shirt dat zich strak om zijn gespierde torso spant. Hij neemt plaats achter een tafeltje in de hoek. Dan, nonchalant alsof het een attachékoffertje betreft, legt hij een machinegeweer op tafel. Hij kijkt nauwelijks op van zijn bord als we hem vragen of hij politieman is. 'I’m gonna rob this place. I’m allowed to rob. I’m too expensive. I’m a Christian’, zegt hij als een absurdistisch dichter. Twintig minuten later, als hij zijn pens naar binnen heeft gewerkt, stapt hij op en verdwijnt in een auto zonder nummerplaten. 'Hij komt hier wel vaker’, zegt Tjale. 'Ik denk dat hij een privé-detective is, op jacht naar drugsbaronnen.’ Ik knik. De man had van alles kunnen zijn: een politieman in burger, een bodyguard, een maniakale moordenaar, een overvaller, een Nigeriaanse maffiabaas, dus waarom geen privé-detective op jacht naar drugsbaronnen?
In Hillbrow gelden andere regels dan in de lommerrijke blanke suburbs enkele kilometers verderop. Dit is een dichtbevolkte pan-Afrikaanse betonjungle, die steevast wordt beschreven als het gevaarlijkste en meest vervallen stuk Johannesburg. Hillbrow met zijn neonlichten, bars, stripclubs, smoezelige hotels, drugs en hoeren ligt op loopafstand van het Ellis Park Stadion waar zeven wedstrijden van het WK 2010 worden gespeeld, waaronder een kwartfinale. Voetbalfans zullen Hillbrow ongetwijfeld ontdekken als een van de weinige plekken in Johannesburg met 24 uur per dag vertier. Tjale knikt enthousiast. Zij is helemaal voorbereid op de invasie. 'We gaan een groot televisiescherm plaatsen en er komt speciaal eten, Afrikaanse schotels bereid door een Nigeriaanse chef. We gaan de prijzen omhoogschroeven, dat is mijn allereerste prioriteit - de hele maand lang. Veiligheid? In deze straat is het 24 uur per dag druk. De politie patrouilleert. We hebben camerabewaking hier. Kijk, ik was ook bevreesd toen ik hier voor het eerst kwam, maar nu ben ik trots op Hillbrow. En ik ben zo opgewonden over het voetbal. Iedereen zal hier komen, ook de blanken. Het wordt één grote verbroedering.’
Haar enthousiasme werkt aanstekelijk. Maar toch, zo'n onduidelijke loner met een machinegeweer, dat is toch net iets andere koek dan een groepje hooligans.
Hillbrow ligt op een heuvel, aanschurkend tegen het oostelijke deel van de binnenstad van Johannesburg; een driehoekig labyrint van hoogbouw met op straatniveau de opeengepropte chaos van een Afrikaanse stad. Het baken van Hillbrow is de 269 meter hoge radiotoren, het hoogste gebouw van Zuid-Afrika, gekroond met een reusachtige voetbal. De wijk dankt zijn bestaan aan de vondst van goud in 1886. Met de mijnbouw ontstond Johannesburg. Hillbrow was voorbestemd als luxe buitenwijk, met een fraai uitzicht over de binnenstad. Bij de verkaveling van 1895 werd het stuk grond aangeprezen als 'het gezondste en meest modieuze deel van Johannesburg’. En op de poster die de grondverkoop aankondigde stond heel vroom: 'No canteens allowed. No shops allowed. One hotel block reserved.’
Die staat van gelukzaligheid duurde nog geen veertig jaar. De nabijheid van het zakencentrum en het spoorwegstation vormde Hillbrow om tot de permanente doorgangsplek voor migranten - van joden tot Nigerianen. Speculanten zagen erop toe dat de villa’s al snel plaats maakten voor hoogbouw. Begin jaren dertig ging het nog om gewaagde modernistische ontwerpen van de door Le Corbusier geïnspireerde Transvaal Groep, waarvan de meeste inmiddels verdwenen zijn of onherkenbaar verminkt. Maar toen in 1946 bouwrestricties werden opgeheven was de beer los. Hillbrow ging omhoog. Imposant en geënt op de elegante Braziliaanse stijl van architect Oscar Niemeyer - een modernistisch utopia. 'Nergens in Engeland, (…) Europa of Noord-Amerika tref je zo'n consistent moderne wijk aan’, schreef de Architectural Review. In de jaren zeventig kwam het gigantisme, de 'Hongkongisatie’, in zwang en strekte Hillbrow zich nog verder uit.
Die architectonische innovaties gingen hand in hand met een veranderende bevolkingssamenstelling. In de jaren zestig vestigden zich in 'The Brow’ voornamelijk Europese migranten, die naar Zuid-Afrika waren gelokt door de florerende economie en de comfortabele levensstijl. Hillbrow kreeg unieke 'Europese’ etablissementen als Café Wien, Café Zürich en Café de Paris, waar naar koffie smachtende nachtvlinders zij aan zij zaten met dammende Grieken. Estoril Books had een uitgelezen verzameling buitenlandse tijdschriften en Hillbrow Records kon zich meten met de best gesorteerde platenzaken van Londen. Hillbrow trok jongeren en studenten aan en werd het centrum van de hippiescene, een Afrikaanse versie van New Yorks East Village. En in de jaren tachtig was het de plek voor homobars en dark rooms.
Maar die spectaculaire hoogbouw, de lage huren en de nabijheid van het centrum betekende ook het einde van Hillbrow als Europese enclave. Er voltrok zich een omgekeerde gentrification. Hillbrow was de eerste 'grijze wijk’, met huiseigenaren die een oogje toeknepen als er Indiase, gekleurde of zwarte huurders kwamen; nog steeds hip, maar meer Superfly dan Dark Side Of The Moon. En toen in 1991 het vestigingsverbod voor niet-blanken officieel werd opgeheven, was het alsof de sluizen opengingen: de invasie was een feit. Er volgde een bijbelse exodus van blank naar suburbia, en Hillbrow werd de eerste zwarte wijk in Johannesburg. De boeken- en platenzaken sloten, net als de Europese koffiehuizen. Huisjesmelkers grepen hun kans en dreven de huren op, zodat appartementen werden gedeeld door grote groepen nieuwkomers.
Binnen vijf jaar veranderde Hillbrow in een slum die oogde alsof er zich recent een burgeroorlog had afgespeeld, met gebouwen als kaalgevreten karkassen zonder elektriciteit en met hoog opgestapeld huisvuil. In de straten verrezen golfplaten krotten. Jonge lijmsnuivers werden een gigantisch probleem, net als de Nigeriaanse drugshandelaars en hun klanten, die hele flats in bezit hadden genomen. Schietpartijen waren heel gewoon. Geen weldenkend mens begaf zich nog in het inferno Hillbrow.
En nu maakt dat Hillbrow met zijn honderdduizenden inwoners en passanten zich op voor het voetbalspektakel.

Mijn contact heet Thomas Mayisa. Hij is 45 jaar oud, verruilde in 1986 het Zuid-Afrikaanse platteland voor Johannesburg, belandde net als al die andere gelukszoekers in Hillbrow en woonde daar de volgende twintig jaar. Sinds 1987 werkt hij met straatkinderen, eerst voor de hulporganisatie Twilight Children en nu voor de overheid. Daarnaast is Mayisa voetbalfanaat. Hij speelde in de eredivisie voor Wits FC, en gelooft heilig in voetbal als rehabilitatie. Daarom coacht hij onder meer het damesvoetbalteam Croesus Ladies, dat grotendeels bestaat uit meisjes die hij in Hillbrow van de straat plukte. 'Sommigen waren erg ondeugend’, zegt hij. 'Drugs, prostitutie…’
We parkeren op een 'veilige’ plek, aan de rand van de wijk. Dan slenteren we door de straten van 'The Brow’. Begin jaren negentig kwam ik er vaak, toen er nog vrienden woonden. De wandeling is een ontregelende ervaring, waarin herkenning en verbijstering over elkaar struikelen. Van de ijkpunten van weleer is niks meer over, behalve soms een oud uithangbord. 'Kijk, Café Zürich.’ Maar de vibe, dat grootstedelijke, dat snelle, dat semi-legale, die geuren van fast food en benzine, de rondslingerende plastic zakjes, het stof, die ophitsende Afrikaanse disco die uit winkels en taxi’s schalt, is nog hetzelfde.
Hillbrow heeft het ergste achter de rug. Een aantal gebouwen heeft een complete make-over gekregen, er patrouilleren bewakingsdiensten en er loopt zelfs een in fel oranje geklede schoonmaakploeg rond met de bezems in de aanslag. Ook de sfeer is goed. Af en toe worden we staande gehouden, zoals door een bruine spierenmassa in een strak geel hemdje die zich voorstelt als T.J., Ghanees. Hij is bezig dozen West-Afrikaanse etenswaar uit een truck te laden voor zijn winkel Obosi en het restaurant in de kelder. Voetbal? Ja, Ghana is goed, maar veel meer verwacht hij van Nigeria. 'Het wordt een feest hier, 24 uur per dag straatleven. Nu al slaan we zoveel mogelijk Nigeriaans eten in voor tijdens het WK’, zegt hij en geeft me zijn mobiele nummer voor als ik in de buurt ben, want dan moet ik fufu met vis komen eten.
'Hillbrow is nu veel meer een gemeenschap dan tien jaar geleden’, zegt Mayisa. 'Je ziet weer ouders met kinderen. De mensen begrijpen elkaar beter. De Zimbabwanen worden niet meer beroofd en de politie treedt veel doeltreffender op. Vroeger waren ze crimineel, nu minder.’ In 2002 begon de politie serieus met grote 'schoonmaakoperaties’ in Hillbrow. Met honderden tegelijk vielen ze de vervallen flats binnen, de bastions van dealers, illegalen en criminelen. Hoewel de wijk allesbehalve misdaadvrij is (“s Avonds moet je hier nog niet alleen komen’, waarschuwt Mayisa) lijkt de tijd van dagelijkse schietpartijen en autoroven voorgoed voorbij.
Op straat kennen ze Mayisa als 'Uncle Thomas’. Hij spreekt de straatkinderen aan die bij parkeerplaatsen 'auto’s bewaken’. We ontmoeten de in zwarte vodden gehulde Thulami (26) uit Kathelehong township, die al twaalf jaar zwerft en nog een tijdje deel uitmaakte van de coterie rond de aan cocaïnegebruik overleden, biseksuele popdiva Brenda Fassie, voor wie Hillbrow eind jaren tachtig het seks- en drugsnirvana was. De wankelende Thulami is nu zo ver heen dat hij alleen nog in staat is tot een verwrongen glimlach. 'Mensen geven hem eten en zorgen een beetje voor hem’, zegt Mayisa. Naast hem staat Themba, achttien jaar oud, afkomstig uit township Sebokeng. Hij houdt een samengeknepen halve liter karton in zijn hand waar ooit melk in zat maar nu de lijm die de kids diep inhaleren om high te worden. Steelbond Contact Adhesive, elf rand, een euro. Met zo'n flesje kunnen ze twee dagen vooruit. Na langdurig gebruik volgt hersenschade. 'Het houdt je warm’, verklaart Themba.
Onder de overkapping van wat ooit de Absa-bank was slapen zo'n vijftig straatkinderen. Hun dekens liggen in een zielige rij op het trottoir, doorweekt van de regen. Het stinkt er naar rook en urine. Mayisa schat dat er nog zo'n 350 zwervertjes in Hillbrow rondhangen. De verhalen zijn inwisselbaar: gebroken gezinnen, armoede, school niet afgemaakt, op de trein springen in de hoop dat Johannesburg, de goudstad, meer te bieden heeft.
Mayisa houdt een jonge kleurling staande. Ryno Jakhals is 22 maar ziet er jonger uit. 'Howzit Uncle Thomas?’ Hij is duidelijk high. Welnee, zegt hij met een ontwapenende glimlach, hij snuift al een tijdje geen lijm meer. Mayisa zucht en vraagt naar het wel en wee van 'zijn’ kids. Siphiwe? 'Die is onlangs dood op straat gevonden.’ Andrew? 'Die zit in de bak omdat hij mensen beroofde.’ Wat denkt Jakhals van het WK? Kijkt hij ernaar uit? 'Ze gaan iedereen oppakken’, weet hij. 'Het was zelfs op de radio… Ze zeggen dat de mensen die van ver zijn gekomen een mooi land moeten zien.’
'Al deze jongens hebben talent, vaak in kunst of muziek’, zegt Mayisa als we schuilend voor een stortbui in een café zitten. Hij wenkt Siphiso Hlope die buiten op een taxibusje wacht. Siphiso is 21 en zwerft al dertien jaar. Een tijdlang was hij lijmsnuiver, maar tegenwoordig is hij clean en werkt hij met General Tata Zonke, een dansgroep die hij samen met vrienden heeft opgericht. Elk weekend treden ze op in nachtclubs in Hillbrow, waar ze op twee snelle rave songs hun kunsten mogen vertonen. Soms vangen ze tien euro op een avond. Siphiso’s verwachtingen van het WK 2010? 'Misschien kunnen we wel voor buitenlandse voetbalfans dansen, en misschien helpen die ons wel en worden ze onze sponsor zodat we allemaal dezelfde kleren en tekkies (gympies - fdv) kunnen kopen.’

De blanken die Hillbrow altijd zijn blijven frequenteren zijn de hoerenlopers. De Afrikaner auteur Kleinboer schreef met Kontrei een bekroond relaas over alle soorten en smaken prostituees waarmee hij het bed deelde. Een van de plekken waar hij zijn obsessie met zwarte vrouwen kon botvieren was de Hillbrow Inn in Van der Merwe Street. Het is een hotel van bruin baksteen met 102 kamers, twee stripbars en een ruime bar op de eerste verdieping. Elke dag is het hier volgens de posters feest. Zondag is een hoogtepunt met de Battle of the Strippers, toegang anderhalve euro. In totaal werken hier zo'n zeventig gezelschapsdames, uit alle delen van Afrika.
'Een kamer kost twintig euro per nacht’, zegt manager Ebrahim Bazir, een gedrongen man met een kale kop, die na aanvankelijk wantrouwen wat toeschietelijker wordt en ons zelfs, onder begeleiding van een zwijgzame bewaker, een rondleiding geeft. De kamers worden klaargemaakt voor het WK. Er komen tv’s, de vloeren worden gerepareerd en in de hal komt een grote gokkast. 'We hebben bewaking binnen en buiten en veilige parkeerplekken. We hebben ook een busje om toeristen te vervoeren’, zegt Bazir desgevraagd. Uiteindelijk is hij zelfs bereid om wat meisjes op te trommelen.
Die meisjes, die zich als Melissa, Pauline en Lynette voorstellen, zitten verveeld naast elkaar op drie stoelen in het raamloze kantoor van Bazir, die ons netjes alleen laat. Ze zijn 22, 24 en 30 jaar oud en komen uit Zimbabwe. Ze wonen in het hotel (6,50 euro per nacht) en beschrijven hun werk als 'business, give the guys what they want’. In de praktijk komt dat neer op aan de bar zitten en wachten tot iemand met je naar boven wil. Op een heel goede dag verdienen ze honderd euro, maar er gaan dagen voorbij dat ze er geld op moeten toeleggen. Wat ze overhouden gaat naar Zimbabwe, waar ze alledrie kinderen hebben.
Ja, knikken ze, ze hebben hoge verwachtingen van het voetbaltoernooi. Sterker nog, ze gaan hun prijzen verdubbelen: tien euro wordt het voor een half uurtje vleselijk genot. En ze hopen vooral op Afrikaanse klanten, want 'die neuken goed, die weten wat we lekker vinden. Bij blanken duurt het altijd lang, die willen zoenen, aanraken, neuken en likken’, zegt Lynette.Zijn er dingen die ze niet doen? 'Afzuigen’, zegt ze beslist. En hoe zit het met voorbehoedsmiddelen? 'Wij gebruiken condooms, maar sommigen niet. En als ze me tweehonderd euro zouden bieden, dan zou ik het ook zonder doen’, zegt Melissa.

Vijf dagen later ben ik terug, zonder begeleider ditmaal, om Nigerianen te spreken. Want Hillbrow wordt steevast in een adem genoemd met 'de Nigerianen’. En dan gaat het niet alleen om kappers, koks en dvd-verkopers, maar vooral om de misdaadsyndicaten. Nigerianen zijn de baddies in het nieuwe Zuid-Afrika. Ze figureren in twee recente lokale speelfilms, District 9 en Jerusalemah, als futuristische kannibalen en angstwekkende gangsters. En in Smacked, een autobiografisch verslag over drugsverslaving en Hillbrow, beschrijft auteur Melinda Ferguson in de openingsscène hoe ze met een pistool in haar mond door vier Nigeriaanse dealers wordt verkracht. 'De Nigerianen zijn uitstekend georganiseerd’, vertelt ze. 'Ze runnen hotels. Ze hebben wapens. Ze werken erg doelmatig. Ik heb er maar één ontmoet die zelf verslaafd was. De anderen waren clean, en werkten volgens het principe: wij gaan verdienen en het geeft niet hoe. Ze hadden totaal geen morele problemen met drugshandel. Ze gingen allemaal naar de kerk of de moskee. Je hoorde ze denken: stomme verslaafden.’
Er is een vage afspraak gemaakt met ene Henry, de eigenaar van de Olympic Bar op de eerste verdieping van een pand in Quartz Street. Vanaf het balkon wuift iemand naar me. Een serie trappen leidt naar een kale, donkere ruimte met in het midden een pooltafel en meteen rechts de bar, tegen rondvliegende glazen of over de tap springende vandalen beschermd door dik gaas. Afrikaanse disco dreunt door de ruimte. De zwaaiende man zit nu op een stoel. 'Henry?’ Hij schudt zijn hoofd. 'Whadya want? Got rocks. How many?’ Nee, zeg ik, geen crack cocaïne maar Henry. De man haalt zijn schouders op. Opmerkelijk, een blanke in Hillbrow die niet komt voor coke of pussy.
Het barmeisje belt Henry. Hij komt zo. Het balkon biedt uitzicht over Quartz Street. Aan de overkant kleumt een groepje straatkinderen onder een afdak. In de steeg naast de voormalige Absa-bank is de stapel vuil zeker anderhalve meter hoog. Een vrouw sjouwt door de straat met een trekker vol troep, die ze voortsleept met een geel touw.
Een half uur later stapt Henry Oguchi binnen, snel pratend en gekleed in een zwart overhemd en grijze broek, met het nodige goud om zijn hals en vingers. Hij is 44 en komt uit de zuidoostelijke staat Anambra en behoort tot de eerste lichting Nigerianen die naar Zuid-Afrika kwam - in 1994 toen de apartheid voorbij was. Via Swaziland ging hij illegaal de grens over. Waarom Zuid-Afrika? In Nigeria was geen werk, en Zuid-Afrika was net 'bevrijd’, gemakkelijk binnen te komen, relatief goedkoop en had een gezonde economie.
Oguchi en zijn landgenoten koloniseerden Hillbrow, gebouw na gebouw. Hij somt ze op: Cape Atlas Building, Mimosa Hotel, Sands Hotel. In het zuidelijke deel van Hillbrow hoor je nu meer Igbo dan Zoeloe. 'Wij waren een soort missionarissen, we hadden geen idee wat ons te wachten stond. Dus je bidt om succes.’
De eerste stap naar dat succes was de verkoop van losse sigaretten op een straathoek. Daarna vond hij een baan bij de PriceRite Supermarket, waar hij voor een Portugese Zuid-Afrikaan moest werken, die hem steevast met 'hond’ aansprak. Maar Oguchi had een dikke huid en liet de beledigingen langs zich heen gaan. Hij beschouwde het als een test. Uiteindelijk werden ze vrienden en na acht maanden maakte de Portugees hem zijn persoonlijk assistent.
In 2000 kocht hij de Olympic Bar, die pas een jaar later, want het was een zwijnenstal, openging. Het is een en al Nigeriaan in en rond de bar. Ze hangen rond bij de ingang, halen veelbetekenend hun wenkbrauwen op en sissen de namen van drugs. In de bar zelf spelen ze luidkeels pool of kijken naar de geluidloze televisiebeelden. Afgezien van de meisjes achter de tap zijn er alleen mannen.
Nooit problemen, zegt Henry. Goed, wel eens om een meisje dat ze in een 'hotel’ hebben opgepikt. Maar verder… Nigerianen zijn harde werkers, handelaars die mogelijkheden zien en die benutten. Waarin ze handelen laat hij in het midden. 'Mensen zien graag alleen het slechte. Wij worden altijd als drugdealers afgeschilderd. Maar de mensen hier in de bar, dat zijn geen dealers.’
En als ze dat wel zijn, gebeurt dat buiten zijn medeweten, bezweert hij. 'Zelf kom ik uit een familie van handelaars, veertien broers en zussen. De drie vrouwen hebben gestudeerd, de mannen gingen in de handel. Mijn vader zei: geen drugs en geen fraude, anders kom je er niet meer in.’
Daarmee is de kous af. Voetbal is een beter onderwerp. Want op 12 juni verandert Hillbrow in een gekkenhuis. Dan speelt Nigeria om de hoek in Ellis Park Stadion tegen Argentinië. Henry heeft al een kaartje. 'Dit maak je maar één keer mee.’ Ver zal Nigeria niet komen, vreest hij. Te weinig teamgeest. 'Maar als we winnen, man dan gaan we de straat op, urenlang, met onze trommels. Hey, we staan achter elk Afrikaans elftal. En weet je, deze keer zal een Afrikaans team de finale halen. Logisch, want het toernooi is in Afrika’, zegt hij en loopt naar de bar. Boven zijn hoofd hangt een bordje. 'The management supports the declaration of this building as a gun free zone.’