Voetbal tussen de oren

Gestresste voetballers hebben vooral een probleem met hun ego. Het leger haptonomen, handopleggers, psychotherapeuten en mentale trainers weet er wel raad mee.

OP HET TRAININGSVELD van Ajax-stadion De Meer werkt ’s lands meest talentvolle doelverdediger Stanley Menzo aan de hoge bal. Vanaf de zijlijn verstuurt assistent-trainer Bobby Haarms voorzetten in allerlei soorten en maten richting doelmond. En Menzo versaagt nimmer. Klemvast! Af en toe, als hij na een succesvolle zweefvlucht weer met de bal aan de borst veilig op aarde terugkeert, werpt hij een blik op de kantoorramen van technisch directeur Louis van Gaal. Zou meneer Van Gaal het gezien hebben? Helaas, het oordeel van de technisch directeur kan niet meer worden bijgesteld. Duizenden voorbeeldige vangballen op het trainingsveld kunnen dat ene dramatische moment in de Franse provinciestad Auxerre niet meer wegpoetsen.
Seizoen ‘92-'93, kwartfinale Uefa-cup. Bekerhouder Ajax leidt tegen de Franse middenmoter met een comfortable 1-2. Met speels gemak laat Ajax de Fransen achter de bal aan hollen. Totdat halverwege de tweede helft een Franse hoekschop richting Stanley Menzo zeilt. De ogen van de nationale doelman volgen de bal als een radarschotel, de dijbeenspieren spannen zich, de handschoenen spreiden zich tot grijpers. De Franse spitsen zien af van een bij voorbaat verloren kopduel en verroeren zich niet. De Ajax-verdedigers verlaten het strafschopgebied en kiezen positie voor een nieuwe aanvalscombinatie. Dan volgt een van de Onverklaarbare Momenten In De Sport: de altijd zo gracieuze Menzo wankelt als een epilepticus op de doellijn en slaat de voorzet in eigen doel.
Het is het keerpunt in de wedstrijd en, naar later blijkt, het keerpunt in de internationale opmars van Ajax. Vanaf Menzo’s opzienbarende smash stroomt het zelfvertrouwen uit de zelfbewuste Ajax-spelers. Het automatisme van de ingestudeerde spelpatronen is plotsklaps verdwenen: de soepele tred is een worsteling met de onwillige graspollen geworden. Menzo’s epileptische aanval in Auxerre wordt tevens het keerpunt in zijn keepersloopbaan. Louis van Gaal en bondscoach Dick Advocaat verbannen hem naar de reservebank. Zijn talent blijft onbetwist, maar zijn mentale kracht wordt onvoldoende bevonden. 'Niet stressbehendig’, luidt Van Gaals genadeloze oordeel.
DE ONVERKLAARBARE momenten in de sport zijn de nachtmerries van het profvoetbal. Hoe degelijk de tactiek ook is doorgesproken, hoe uitgebalanceerd het proteinendieet ook is samengesteld en hoe stimulerend de peptalk ook wordt gepresenteerd - uiteindelijk heeft niemand greep op de mythische begrippen 'vorm’ en 'scherpte’. Tussen een perfecte voorbereiding en een perfecte uitvoering ligt het geheimzinnige moeras van de psyche. In een poging dit moeras te doorgronden, wenden steeds meer spelers, trainers en bestuurders zich tot het gilde der zieleknijpers. In luttele jaren heeft een leger van haptonomen, kinesionomen, sportpsychologen en mentale trainers bezit genomen van de tere ziel der vaderlandse sporters.
Ted Troost - privehaptonoom van beroemde weifelaars als Hein Vergeer, Richard Krajicek en voetballer Ruud Gullit - schrijft in het boek Verkenningen in de haptonomie: 'Een topsporter is een gevoelig en kwetsbaar mens. Hij moet de mensen tot wie hij zich met zijn problemen wendt, kunnen vertrouwen. Iedere haptonomische begeleiding begint daarom met het leggen van een vertrouwensbasis.’ Met deze onvoorwaardelijke omarming van de topsporter in nood wint de zieleknijper het ruim van de medische stand. Bij een huisarts staat de labiele sporter binnen vijf minuten weer buiten. 'Maak eens een strandwandeling’, zegt de klassieke witte jas.
Nee, dan de haptonoom. Zijn instrumenten zijn warmte & begrip. Na een intake-gesprek over spanningen die de topsporter afhouden van zijn basisplaats in Oranje, mag de client uit de kleren om zich over te geven aan de handen van de haptonoom. 'De wederzijdse aanraking in de haptonomie is essentieel. Er moet een consensus ontstaan, een samenzijn.’ De haptonoom vindt altijd wel storende 'blokkades’: 'De blokkade geeft aan dat er bij de sporter geen harmonie bestaat tussen lichamelijk en geestelijk beleven van de sport. Hij moet nu leren in zachtheid te reageren op de aanraking, zachtheid met een stevige tot harde kern.’
Het is typerend voor de steriele nieuwe generatie topsporters. Als mediterende monniken zoeken zij naar een toestand van totale innerlijke harmonie. Alles wat de holistische balans kan verstoren, wordt geschuwd. In de huidige Oranje-selectie is voetbalhumor zelfs met een microscoop niet op te sporen. De haptonoomvrije generatie van '74 had heel andere opvattingen over het wegmasseren van spanningen. ’s Nachts verpoosde men zich bij het zwembad met Duitse stoeipoezen. Vervelende journalisten werden in het water gekieperd, bobo’s met volle emmers overgoten en Pieter van Vollenhoven met gehaktballen bekogeld.
NAAST DE KLASSIEKE huisarts is ook de klassieke trainer een gepasseerd station. Een bullebak die zich louter bekommert om conditie, balbehandeling en positiespel staat een motie van wantrouwen van de spelers te wachten. Hij moet klankbord, vertrouwensman en generaal zijn. Met evenveel gemak moet hij een partijtje vijf-tegen-vijf arbitreren als een kringgesprek voorzitten over groepsvorming en negatieve energie in de selectie.
En geen onderdeel ontsnapt aan de aandacht van de moderne sportsjamanen. In Psychology of Teamsports staat te lezen dat de theepauze een cruciaal moment is voor het psychologisch welbevinden van het elftal. Met name het gedoseerde gebruik van muziek wordt als heilzaam aangeraden. Na fase een (het verlaten het veld) en fase twee (het toedienen van glucose en vitamine) zoekt iedere speler zijn eigen plekje in de kleedkamer. In fase drie is er, naast gezamenlijke ademhalings- en ontspanningsoefeningen, plaats voor muziek: 'Ontspannende muziek met harmonieuze emotionele effecten leidt tot het ervaren van een voordelige, subjectieve toestand van ontspanning.’ En ineens weet je waarom die Duitsers als wilde honden uit de kleedkamer komen: Wagner! Naar welke muzikale traktatie luisteren de Oranje-leeuwen terwijl het volk de wc doortrekt? De zachtmoedige harp van Andreas Vollenweider, de hypnotiserende dwarsfluit van Thijs van Leer?
Faalt de muziektherapie, dan kan de moderne trainer altijd nog terugvallen op de psychologische waarschijnlijkheidsanalyse. Zo heeft de geblokkeerde spits wellicht baat bij het onderzoek Schatten en schieten, waarin met huiveringwekkende P-modellen en T-toetsen wordt gezocht naar een sluitende formule voor het gegarandeerd benutten van doelkansen. Het onderzoek lokaliseert 'hete’ schietafstanden, schiethoeken en schietmomenten, waarmee de kwakkelende spits zijn 'cognitieve kaart’ op orde kan krijgen en zijn 'afkeer- en schrikgebieden’ leert kennen.
HET VOLLEDIG DOLGEDRAAIDE circus van de sportpsychologie begon onschuldig in 1941 met het boekje Mysterieuze krachten van de legendarische bondsvoorzitter Karel Lotsy. Hierin werd voor het eerst gerept over de invloed van de bovenkamer op het voetbalspel. De publikatie liet begrippen als 'concentratie’ en 'mentale training’ doorsijpelen tot in Tilburg, thuishaven van het aan lager wal geraakte Willem II. De Brabantse clubleiding besloot Lotsy’s aanbevelingen in praktijk te brengen. De mentale training waarmee Van der Ven jr. de Tilburgers aanpakte, blonk allerminst uit in warmte & begrip. De clubsecretaris stuurde de selectie keer op keer de sintelbaan op, 'tot het water en bloed in de kleedkamer stond’. Een doordeweekse mentale training volgens Van der Ven: 'Eerst enkele rondjes op draf, dan een paar in sneller tempo - dan twee of drie met tien meter sprint - draf - twintig meter sprint - stop - achteruit sprinten - vallen - opstaan - haasje-over - duiken tussen wijdgespreide benen van een andere speler door - bij de laatste oefening de afstand tussen de diverse spelers sprinten - om ten slotte te eindigen met in snel tempo knieheffen tot de borst, gestrekte benen tot het hoofd opgooien en dan nog een paar snelle ronden met een sprint van dertig meter.’ En Willem II klom uit het dal. In drie jaar verloor de club slechts dertien wedstrijden. Daar stonden honderd overwinningen en een nieuwe landstitel tegenover!
NIETTEMIN IS de Van der Ven-therapie ergens tussen '44 en '94 in de vergetelheid geraakt. Waarom toch? De desertie van Ruud Gullit uit de Oranjeselectie illustreert waartoe het primaat van de gevoelsmens kan leiden. Eenentwintig spelers en een bondscoach bleven sprakeloos en vernederd achter omdat de Zwarte Tulp last kreeg van negatieve signalen uit een dimensie waarvan alleen hij de golflengte kende. Dat Gullit de pers in het ongewisse liet over de stand der planeten is te billijken. Maar de weigering om zijn strijdmakkers en Advocaat van uitleg te voorzien, is een uitwas van het intuitieve egoisme waarmee de New Age-generatie de basisregels van collegiaal fatsoen meent te mogen overtreden.
Ook zijn opvolger Bergkamp is gevallen voor het kosmische denken: 'Wie verstandelijk de verkeerde beslissing neemt, moet gaan uitzoeken waar de fout in zijn beredenering zit. Een frustrerende bezigheid. Als je beslissingen op je gevoel neemt, sta je er op dat moment voor honderd procent achter en hoef je naderhand niet moeilijk te gaan doen.’
En de sportjournalistiek mag er graag een schepje bovenop doen. Iedere keelklank van een Oranje-speler wordt door tientallen microfoons geregistreerd en geinterpreteerd als motie van wantrouwen, bedenkingen jegens de tactiek, verkettering van kliek X of loyaliteitsverklaring aan kliek Y. Het sterkt de spelers in het door Troost c.s. aangewreven holistische idee dat de ruimte onder hun schedeldak samenvalt met die van het veld. Het is hoog tijd dat de psyche van de voetballer terugkeert waar hij thuishoort: tussen de oren.