Dribbelen in rubber

Voetbalfilm Nederland - Japan 1-0

EEN SPORTWEDSTRIJD op televisie heeft epische trekken: massa’s vullen het stadion, een enorm bouwwerk vaak gefilmd vanuit de lucht tegen de achtergrond van een stad, gevolgd door lyrisch bewegende camera’s die shots van de grasmat maken waar de strijd tussen twee botsende krachten zich zal voltrekken. Het gezegde ‘voetbal is oorlog’ is inderdaad gepast, met name toen Nederland zaterdag in Durban tegen Japan aantrad. Maar wel met deze kwalificatie: voetbal was vooral koude oorlog.
In de jaren vijftig was angst, geboren uit de Koude Oorlog, een realiteit in Japan. Er was de Koreaanse oorlog, de herinnering aan Hiroshima en Nagasaki was nog vers en Amerika, Frankrijk en Groot-Brittannië deden nucleaire tests in de Stille Zuidzee. Op 1 maart 1954 werd de 23-koppige bemanning van een Japanse vissersboot bij het Bikini-atol slachtoffer van een Amerikaanse waterstofbom.
Ishiro Honda’s rampenfilm Gojira kwam uit in het jaar dat het incident bij Bikini plaatsvond en laat een soortgelijk incident zien: matrozen op een vissersboot worden slachtoffer van een onderwaterexplosie. Maar de echte verschrikking is een monster gecreëerd door de bom: Gojira (Godzilla). Een reeks Gojira-films volgde, maar geen met dezelfde impact als het origineel, een serieuze film over isolatie en angst tijdens de Koude Oorlog.
Een sprongetje van deze thema’s naar de voetbalwedstrijd Nederland-Japan is misschien gezocht, maar is tegelijkertijd o zo verleidelijk. Was er niet een koude-woordenoorlog aan voorafgegaan tussen de twee bondscoaches, die elkaars namen niet kenden? En praatten analisten niet over 'geheime wapens’ aan beide kanten? Sport is sport, maar sport kan ook een allegorie vormen, in dit geval van conflict met epische proporties. Onvermijdelijk trad de symboliek in werking van kleine, maar slimme en snelle Japanse spelers tegenover de kracht en techniek van de Monsters van de Lage Landen: reuzen als Mark van Bommel, Robin van Persie en Nigel de Jong. Je zou nog verder kunnen gaan en de hanenkammen van de spelers, vooral die van Eljero Elia, vergelijken met die van Gojira, of stellen dat de Japanse coach, Okado, met zijn serieuze gezichtsuitdrukking en zwarte raambril zo de archetypische rol van de melancholieke wetenschapper in een willekeurige Honda-rampenfilm zou kunnen vertolken.
Het is een sportwedstrijd en geen film, maar toch: net als in Gojira werd de actie in Nederland-Japan voorafgegaan door eindeloze theoretisch-wetenschappelijke gesprekken over de implicaties van aanvallen of verdedigen. In de Hilversumse studio maakte 'wetenschapper’ Erwin Koeman zich evenals Amerikaanse wetenschappers in talloze Gojira-achtige Japanse rampenfilms van de jaren zestig zorgen over de Nederlanders, want 'ze zijn geen robots’. Maar dat waren ze nu net wél in de ogen van de kleine Japanners. Want al snel bleek dat de arme eilandbewoners uit Azië weinig meer konden dan hun landje of doelhok verdedigen.
Koude oorlog werd echte oorlog; tegenover het zuivere wit van Japan oogde het oranje van de Nederlandse shirtjes in eerste instantie ziekelijk neon in het zonlicht van Afrika, alsof ze een radioactieve straling bevatten. De grootste Gojira aan Nederlandse zijde, Van Bommel, ploegde onverstoorbaar voort zonder dat een Japanner hem kon domineren. Hij speelde zoals altijd zo sterk als een beest en met zo weinig souplesse dat het eigenlijk lachwekkend was. Dat bleek in de herhalingen, tegenwoordig in prachtige superslowmotionscènes: stampend als Gojira op het Japanse eilandje en met dezelfde soort blanco gezichtsuitdrukking als Honda’s monster probeerde Van Bommel nog om zijn as te draaien en het lukte zowaar, maar het zag er gewoon niet uit. Het leek net alsof er geen mens maar een man in een rubberen pak in de verbeten dollende Van Bommel zat, net als in de rampenfilms van Honda waarin het monster door een acteur in een pak wordt gespeeld.
Eerlijk gezegd was de wedstrijd onuitstaanbaar saai doordat de Japanners volstrekt kansloos waren. Het kon ook niet anders. Enige suggestie dat Japan ook maar een kans maakte tegen dit machtige Oranje was niets anders dan een onderdeel van koude-oorlogsstrategieën die standaard onderdeel van professionele sportwedstrijden zijn, of eigenlijk een soort omgekeerde koude oorlog: laat de tegenstander nooit merken dat jij de overweldigende favoriet bent, de onoverwinnelijke Gojira, maar wek de suggestie dat het maar moeilijk zal gaan. Speel vervolgens ook niet al te flamboyant, want de beste resultaten in sport worden altijd ogenschijnlijk met de minste inspanning behaald. Feit is: wie echt stijl en talent heeft, is zo goed dat het vooral lijkt alsof het allemaal moeiteloos gaat: Dennis Bergkamp of Marco van Basten of Johan Cruijff. Dat krijg je alleen met digitale special effects voor elkaar en niet met een man in een pak.
Maar het is en blijft oorlog en hoe het nu verder gaat is uitermate boeiend. Er zijn geen grote landen meer, zei Hugo Borst later. Hij heeft gelijk: de echte grootmachten lijken op de achtergrond te treden (hoewel, Brazilië…), wellicht doordat zij weinig grote wapens meer hebben of omdat de 'wapens’ zijn uitgeput door het slopende seizoen in Europa. Conclusie? Nederland, tegenwoordig toch ook een landje met wat monsters, wint dit WK.