Kunst

Voetballen met een kop die je niet aanstaat

Beeldende kunst: Imaginaire portretten van Arie Schippers

Elke schilder die figuratief wil werken zou een poosje moeten beeldhouwen, vindt Arie Schippers. «Je kunt als een schoolmeester zeggen: als je schilderen wilt, moet je toch eerst kunnen tekenen, jongetje. Maar het is ook nog zo dat je, als je wilt kunnen tekenen jongetje, eigenlijk wel moet kunnen beeldhouwen. Als je het niet driedimensionaal be grijpt, begrijp je het helemaal niet.» Tussen 1983 en 1987 maakte de schilder zestien gebeeldhouwde koppen, die nu voor het eerst tentoongesteld worden in Muse um Beelden aan Zee in Scheveningen. Imaginaire portretten noemt hij ze. Ze dragen de namen van mythologische figuren, romanpersonages en schrijvers. Ovidius ziet eruit zoals Schippers denkt dat Ovidius eruitzag of er in elk geval uit had moeten zien. Prospero maakte hij toen hij Shakespeares The Tempest las, en Malone is wat hij zich voorstelde bij de titelfiguur van Samuel Beckett. Bijna alle koppen modelleerde hij rondom een polystyreen pasvorm voor pruiken. Voor de huid gebruikte hij om te beginnen gips, en daarna zo’n beetje alles wat voorhanden was en bruikbaar bleek. Hij sloeg stukjes hout, spijkers en tandwieltjes in de koppen en bewerkte ze met een kruiskopschroevendraaier of een beitel. Soms voetbalde hij zelfs met een kop die hem niet aanstond. «Als ze ongeveer een jaar door mijn atelier hadden gerollebold, werden ze langzamerhand wel goed.»

Aanvankelijk beschilderde Schippers zijn beelden in felle kleuren. Oranje, paars, lichtblauw. Maar die ondergrond schemert nu hoogstens nog door de uiteindelijke, ingetogener ge laatskleuren heen. De meeste koppen zijn grijsblauw geworden, wat ze in combinatie met hun gehavende vorm een morbide aanzien geeft. Ze doen aan opgegraven schedels denken, aan veenlijken of mummies. Degenen wier ogen en monden zwaar opgemaakt zijn, lijken ook wel op de androgyne popzanger Marilyn Manson. «Het idee van die beschildering», zegt Schippers, «is dat de vorm van zo’n beeld onaf is en dat je de rest met de verf klaarmaakt. Zodat er van twee kanten iets gesuggereerd wordt, vanuit de vorm en vanuit de kleur, precies tot het punt waarop de vonk overspringt. Verder niet. Er ontstaat een soort niemandsland tussen vorm en kleur en je weet niet precies waardoor het werkt.»

Deze zomer pakte Schippers, na ruim vijftien jaar, de draad van het beeldhouwen weer op. Aangemoedigd door het vooruitzicht van de tentoonstelling in Scheveningen maakte hij vier nieuwe imaginaire portretten. Kan het kloppen dat die nieuwe koppen kleurrijker zijn, letterlijk, en ook van expressie minder somber? De gelaatsuitdrukking van Don Emilio bijvoorbeeld, met zijn hooghartig opgetrokken wenkbrauwen, is bijna cartoonesk. De Bourgondische Columnella, vernoemd naar de allereerste kookboekenschrijver, heeft eveneens iets olijks. «Zou kunnen ja», zegt Schippers. «Misschien ben ik wel een vrolijker mens geworden.» Hij wijst op de vele kleurverschillen in de kop van Don Emilio. «Hier heb ik met een klein kwastje op zitten schilderen, met een palet erbij, alsof ik op een doek bezig was. Wat beeldhouwen in dat opzicht ingewikkelder maakt dan schilderen, is dat je zo’n kop een absolute kleur moet geven. Als je een portret schildert, kun je een schaduwpartij bijvoorbeeld groen maken. In een schilderij wordt alles bepaald door zijn omgeving: het moet donkerder, groter, roder of warmer dan wat ernaast staat. Daar zijn het relatieve kleuren, allemaal op elkaar afgestemd, terwijl je hier de huid zélf moet maken. En de echte menselijke huid is transparant, maar het oppervlak van deze koppen niet. Daar moet je een creatieve oplossing voor vinden. Een beeld moet niet dezelfde huidskleur hebben als een huid, want we zitten niet in Madame Tussaud. De absolute huidskleur moet vertááld worden naar een beeld. Je zoekt altijd een metafoor voor hoe de werkelijkheid op je af komt.»

Schippers’ koppen bewijzen dat zijn metaforen werken. Hoewel de geportretteerden niet bestaan, lijken de beelden echte mensen te representeren, waar je mededogen voor kunt voelen, waar je om kunt lachen en waar je waarschijnlijk zelfs van kunt houden.

Tot en met 30 januari in Museum Beelden aan Zee, Harteveltstraat 1, Scheveningen