Sport

Voetbalvrouwen

Een goed voetbalboek voelt als een fijne verrassing. Bij Ambo Anthos verscheen Voetbalvrouwen, en daar gaat het inderdaad over. Historicus Bram de Graaf laat in vijftien verhalen ‘de vrouwen achter de mannen’ vertellen over hun leven met hun beroemde echtgenoten.

Het boek beslaat de periode 1970-1978. ‘De glorietijd van het Nederlandse voetbal’ is dan ook de ondertitel. Maar die had ook kunnen luiden: ‘De glorietijd van de Nederlandse voetbalvrouw’.

Want zoals ze toen waren, zo maken ze ze niet meer. Vrouwen als Danny Cruijff, Maja Suurbier, Andrea Swart, Yvonne Krol, Corrie Rensenbrink, Cathy Schrijvers en natuurlijk Dien Jongbloed.

Het openingsverhaal heet ‘De bliksem was sterker dan mijn liefde’. Die uitspraak was van Dien, de vrouw van wereldkeeper Jan Jongbloed, toen hun zoon Eric (21) was gestorven, die tijdens de wedstrijd Rood-Wit/A-DWS door de bliksem werd getroffen. Een van de mooiste verhalen aller tijden uit het Nederlandse voetbal is het. Dien Jongbloed: ‘We waren “super-burgerlijk”. Om zes uur stond het eten op tafel, altijd Hollandse pot. Pa at het liefst bietjes met aardappels en een bal gehakt.’

Dien was altijd voor Jan bezig. ‘Hij moest goed groente eten. En ze deed ook zijn salarisonderhandelingen.’ De onvermijdelijke sigarenzaak, waar veel voetballers uiteindelijk in belandden, was haar domein. ‘Ze was er altijd te vinden, ook als Jan weer terug was van zijn training. Het was er een komen en gaan van voetballiefhebbers. “Die zaak liep als een trein,” zegt Nicole. “Ma was bekender dan mijn vader. Ze had een oranje sportauto die ze overal parkeerde. Kwam er een politiewagen langs en zeiden de agenten: ‘Dien, je mag niet op de stoep staan, dat weet je toch.’ Maar een boete kreeg ze nooit.”’

De voetbalvrouwen van toen waren vrouwen met ballen. In deze tijd zijn voetbalvrouwen meisjes van twintig met te veel geld en te veel aandacht. Die zich een ongeluk vervelen en wegens gebrek aan persoonlijkheid verwend raken. Een Dien Jongbloed kom je niet meer tegen.

De vrouwen van de glorietijd stonden altijd naast hun man. Soms, als het nodig was, gingen ze voor hem staan. Om even te laten zien wat iedereen wel wist: dat zij de baas was. In huize Cruijff had Danny de broek aan, en dat was goed. Andrea Swart had Sjaak stevig onder de duim, met instemming van Sjaak.

De voetbalvrouwen en -vriendinnen van nu staan vooral achter hun man. En zijn daarom niet meteen te zien. Dat is niet erg, want verschrikkelijk interessant zijn ze over het algemeen niet. De vrouw van Wesley Sneijder, Ramona, vertelt dat op hun trouwdag werd gezongen door René Froger. Over haar leven: ‘Ik zorg dat ik thuis ben als Wesley terugkomt van training, hij wil dan graag iets gezelligs doen.’

Iets gezelligs doen.

Als Piet Schrijvers na de training was thuisgekomen en tegen zijn Cathy had gezegd: ‘Cathy, ik wil iets gezelligs doen’, dan had hij met de deegroller gekregen.

De vrouw van Giovanni van Bronckhorst heet Marieke en zegt: ‘Ik ken veel van voetbal en kan samen met Giovanni goed wedstrijden analyseren.’

Cristel van Rijn, de vriendin van Joris Mathijsen, heeft haar baan opgezegd om fulltime voetbalvrouw te worden. ‘Als mevrouw Mathijsen belt voor een tafel in een toprestaurant in Hamburg, dan is er áltijd plaats.’ Je hoort de intonatie: ‘Dan is er á-á-áltijd plaats.’ (Lekker pûh allemaal.)

Sylvie, de vrouw van Rafael van der Vaart, is ook een moderne voetbalvrouw: ‘Als ik ‘s avonds in bed een boek zou willen lezen, vindt Raf dat niet leuk. Hij zou dat boek meteen verstoppen.’

We worden er weemoedig van en nostalgisch. De vrouwen van nu heten Charlotte-Sophie, Winonah, Rosanna, Estelle, Bouchra, Joyce, Joyce, Daniëlle en Andra.

De vrouwen van toen heetten Dien, Nellie, Ineke, Yvonne, Teddy, Greetje, Andrea, Yvonne, Titia, Maja, Marlies, Corrie en Truus en ze hadden prachtige suikerspinnen op hun hoofd. Toenmalige voetbalvrouw Yvonne Krol: ‘Als vrouw ambieerde je geen carrière. Je deed het huishouden en hield je met de kinderen bezig.’

De Krolletjes woonden in Zaandam naast een ander voetbalkoppel: Titia en Arie Haan. Verderop in het dorp woonden Hilda en Barry Hulshoff. Soms gingen ze met z’n drieën winkelen, maar niet in de P.C. Hooftstraat: ‘Wij gingen gewoon naar de Kalverstraat. Maar het was niet zo dat we de hele dag konden zwaaien met onze creditcard. Onze luxe bestond uit een eigen auto en we konden makkelijker iets aanschaffen als het nodig was. We hadden een mooi huis, maar dat was wel een gewoon rijtjeshuis. Ik had een poetsvrouw, maar overdreven was het allemaal niet.’

‘Iets aanschaffen als het nodig was.’ Om over na te denken. Doet Sylvie dat?