Ger Groot

Voetnoot

Ik heb de kunsthistoricus Erwin Panofsky altijd als de grootmeester van de voetnoot beschouwd. Breed borrelt de eruditie bij hem op de bladzijde omhoog om bij het bereiken van de maximale stand (de hoofdtekst hapt éénregelig naar adem tegen de bovenmarge) naar de volgende pagina over te stromen. Maar ik had buiten Edward Gibbon gerekend, die volgens Chick Zerby in zijn mega-studie Decline and Fall of the Roman Empire niet minder dan één vierde van de ruimte voor voet noten uittrok. Dat lijkt naast Panofsky niet veel, maar de pure omvang van Gibbons werk slaat iedere concurrentie bij voorbaat knock-out.

Wie de Nederlandse vertaling van het boek opslaat, merkt daar niet veel van. Uitgevers houden niet van voetnoten, constateert Zerby in zijn amusante minigeschiedenis van de voetnoot The Devil’s Details (Uitg. Simon & Schuster). In de verkorte editie van Gibbons werk waarnaar de Nederlandse vertaling is gemaakt, is om te beginnen dáárin drastisch gesnoeid. Zerby betreurt dat, in tegenstelling tot Anthony Grafton, aan wiens veel grondiger The Footnote: A Curious History het merendeel van zijn historische voorbeelden is ontleend. Voor Grafton zijn voetnoten ofwel een vorm van zwerfafval ofwel een vloerbepantsering die een geschrift voor iedere polemische aanval onaantastbaar maakt.

Helemaal ongelijk heeft hij niet. Als schrijver van een doctoraalscriptie die vrijwel geheel in de vorm van voetnoten is gepubliceerd, weet ik hoe gemakkelijk geleerde verwijzingen zich laten aaneenrijgen. De tooi van de annotatie, hoe grilliger hoe beter, is de trots van de zelfbewuste erudiet. En het bulkgewicht van de verzamelde pareltjes straalt tegelijk een vervaarlijk smoorvermogen uit tegen iedere dunne tegenstem die het waagt zich te verheffen.

Maar die rusting van de geleerde is ook zijn Achilleshiel. De eerste verwijzing in de monumentale studie Heidegger’s Philosophy of Being van Herman Philipse die ik controleerde bleek een blindganger. Zoiets belooft weinig goeds voor de rest van het notenapparaat, dat 140 van de 550 bladzijden beslaat. Toen ik Simon Schama’s proefschrift Patriots and Liberators vertaalde bleek er met één op de twee noten wel iets mis.

Schama is de literaire weg ingeslagen, waar hem de onbetrouwbaarheid van zijn verwijzingen misschien minder zwaar wordt aangerekend. Misschien deed hij er beter aan ze helemaal weg te laten en zich te bekennen tot echte fictie, waar voetnoten even spaarzaam zijn als sneeuw in augustus. Niemand voelt er de behoefte tot controleren.

Niet dat er ook in romans niet af en toe een vlokje valt. De wonderlijke bundel Encyclopedie van de sneeuw van Sarah Emily Miano, zojuist verschenen bij De Bezige Bij, telt er zelfs enkele tientallen, maar de lexicale vorm van dat boek is zo bizar dat voetnoten er ook wel bij kunnen. Zerby zelf wijst op de vijftig bladzijden halverwege Finnegans Wake die Joyce systematisch van noten voorzag — misschien een amende honorable aan de enige tekstvorm die in Ulysses nog ontbrak.

Maar Zerby heeft ongelijk wanneer hij daaraan toevoegt dat dit experiment nooit met succes is nagevolgd. In de roman Larva reserveerde Julián Ríos al in het begin van de jaren tachtig de linkerpagina’s voor voetnoten bij de tekst rechts, net als ik in mijn ongeveer tegelijkertijd verschenen doctoraalscriptie had gedaan. Toegegeven: «succesvol» kun je dat onleesbare boek niet noemen. Het bereikte een zekere cultstatus, maar zal nauwelijks gelezen zijn. Ook daarin volgde Ríos zijn Ierse voorbeeld, wiens succes voornamelijk een geloofsartikel van Angelsaksische critici is.

Zijn hele boek lang houdt Zerby een vurig pleidooi voor de voetnoot, ook in de roman. Niet de geleerde verwijzing staat hem daarbij voor ogen, maar het achttiende-eeuwse terzijde uit de school van Pierre Bayle. Met onverwachte uitweidingen, polemische uitvallen, literaire vetes en persoonlijke apropos zouden voetnoten volgens Zerby de vindplaatsen moeten zijn van onverwachte genietingen. Lezers van Max Weber zullen dat beamen. De hoofdstelling van zijn volumineuze studie Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus schijnt ergens uit een voetnoot te moeten worden opgediept. Maar de vraag waarom al dat moois niet in de hoofdtekst mag worden opgenomen, doet Zerby af als een «afgezaagd argument», zonder daarop een afdoende antwoord te geven. Stijlvast blijft hij wel. De hele kwestie wordt afgehandeld in een voetnoot, een grafkelder voor auteursverlegenheid.