Voetnoten

Ik dacht echt dat ik overal uitgenodigd zou worden toen ik 211 sonnetten over mijn vriendschap met Theo van Gogh had geschreven, maar tot mijn verdriet werd die dichtbundel nergens besproken en mocht ik weer niet in de Nacht van de Poëzie optreden. Nou ja, niets aan te doen. Ik mag overigens niet klagen. Ik schrijf m'n stukjes en boekjes en krijg hier en daar zelfs goede recensies.
Genoeg ijdelheid - het gaat mij om iets anders.
Enkele vrienden van mij - dichters en schrijvers - hebben hun carrière in de literatuur ‘opgegeven’. (Straks wordt duidelijk waarom ik het woord tussen aanhalingstekens heb gezet.) Ze zijn net zo oud als ik, hebben een boek of tien geschreven, en denken: het heeft geen zin meer. Ze kijken neer op de recensenten, ze weten dat je alleen bekend kunt worden via De wereld draait door of belangrijke interviews in NRC Handelsblad, maar dat is niet het vervelendste. Dat is dat geen uitgever hun boeken meer wil uitgeven. Niet omdat ze slecht geschreven zijn, maar omdat… tja… noem maar op: korte verhalen verkopen niet, te veel gedichten voor een bundel, 'je kunt zoiets nu beter in eigen beheer uitgeven, want wij geven geen gedichten meer uit’, 'kom eens met een groter werk, kleine boekjes verkopen niet’ et cetera.
Het zijn commerciële redenen.
Nu heb ik een dochter die redacteur is bij een grote uitgeverij en zij kent al die 'ooms en tantes’ uit haar jeugd, en ik probeer bij haar wel eens 'een goed woordje’ voor ze te doen.
Maar zij zegt: 'Pap, het geldt ook voor jou. Jouw bundel met korte verhalen wijs ik ook af. En je gedichten zou ik ongezien ook afwijzen, hoe leuk ook. Daar is geen markt voor, en je hebt niet de status van Connie Palmen of Van Dis waardoor we kunnen zeggen: geef maar uit, het verkoopt wel. Jouw boeken verkopen niet. Je wil niet bij DWDD en je zal daar ook nooit uitgenodigd worden omdat je Matthijs een slappeling hebt genoemd terwijl jullie goede vrienden waren, dus je vraagt nogal wat van je uitgever. Hoe goed ook: als de kans te groot is dat het geen succes wordt, geef ik het niet uit. Want dan kost het mij geld. Dat is niet de bedoeling.’
Ze heeft gelijk, maar toch. Mijn verweer is: 'Maar mijn gedichten zijn heel goed en mooi en bijzonder, om niet te zeggen uitzonderlijk. Dat geldt ook voor mijn verhalen. En - ook al levert het geen geld op - ze zijn belangrijk voor onze cultuur.’
Om mijn ego niet te kwetsen doet ze er verder het zwijgen toe.
We praten vaak over 'de kwaliteit van de literatuur’. Zou Elsschot anno nu, 2010, nog worden uitgegeven? Of Carmiggelt? Of Nescio?
Zij zegt van wel. Ik betwijfel het.
Wie ziet nog wat kwaliteit heeft? En wie bepaalt dat? En waardoor wordt het bepaald? Als een boek heel goed is, maar het krijgt geen aandacht, sterft het dan niet?
Het is een discussie die er altijd is geweest en wel altijd zal doorgaan.
Als ik in de kroeg zit en vertel dat ik A.L. Snijders een van de beste schrijvers van Nederland vind, wordt er gezwegen: wie is dat? Hij komt niet op tv.
Een van de 'ooms’ heeft nu inderdaad zijn boeken in eigen beheer uitgegeven. En ongevraagd stuurt hij ze naar alle bibliotheken in Nederland.
Daar zit iets tragisch in en tegelijkertijd iets slims waar ik niet goed raad mee weet. Alsof je al de voetnoten schrijft, voor een werk in de toekomst waarvan je niet weet of het ooit zal worden geschreven.