S

Vogelaars keuze

Sándor Márai

De gravin van Parma

Uit het Hongaars (1940) vertaald door Margreeth Schopenhauer, Wereldbiblio theek, 255 blz., € 18,90

Het inhalen van de Hongaar Márai (1900-1990) doet het kennelijk zo goed dat in korte tijd al het vijfde boek wordt vertaald. Wat deze historische roman gemeen heeft met de andere zijn de dialogen die uit lange monologen bestaan. Of het over Casanova gaat, betwijfelt ook de schrijver zelf in zijn voorwoord; het ging hem om het karakter van de man. «De man», roepen de vrouwen in Bolzano uit wanneer ze de held, wiens faam hem vooruitgesneld is, in zijn hotel komen bezichtigen. Casanova is net uit de gevangenis ontsnapt en op weg naar München. Hij krijgt niet alleen bezoek van de dames, ook de mannen staan in de rij om de ervaringsdeskundige tegen betaling te raadplegen. Opmaat voor het eigenlijke verhaal van de titel. Giacomo krijgt bezoek van de oude graaf van Parma, zijn doodsvijand, die hem een briefje van zijn twintigjarige vrouw overhandigt. Zij heeft kortgeleden, speciaal daarvoor, leren schrijven: Zien moet ik jou, F. De graaf koopt hem af: één nacht met het meisje om wie ze vijf jaar terug duelleerden en dan wegwezen. Nog grotere verrassing: Francesca komt zelf en biedt niet zichzelf maar een heel leven met haar aan. Daarbij ontpopt zij zich als Casanova’s vrouwelijke spiegelbeeld. Dat wordt dan, net als in Gloed, een dialoog in monologen: woorden- of zielenstrijd, er komt geen einde aan. Maar Casanova als bezoldigd zielenknijper is verrassend.

Camilla Baresani

Achteloze minnaar

Uit het Italiaans (2002) vertaald door Aafke van der Made, Serena Libri, 323 blz., € 21,80

Veertig jaar is het geleden dat hij het meisje zag, de dochter van het monster van Co lonna, een seriemoordenaar. In de zoektocht naar haar had een roman gezeten. Had Camilla Baresani (1961) maar niet het woord gegeven aan een oude zeur. Monologen vreten net als dialogen papier. En deze aan zijn prostaat en een veeleisende ex en een om erkenning roepende onechte dochter lijdende, de dagen met drinken, tv-kijken en kankeren doorbrengende 68’er heeft veel op zijn lever; alleen is het niet bijster interessant. In 1961 kwam hij op een treurig feest, waar iedereen in z’n blootje moest rondlopen, een orgie dus, aan de praat met een op zich weinig florissant meisje; het enige interessante aan haar was haar vader, die motorrijders in de val lokte en ze dan met motor en al in de tuin begroef. Die nacht stuurde hij het muurbloempje met een taxi naar huis, vandaar de titel. Ooit, daarna dus, en vóór zijn vertelling, was hij een gevierd filmmuziek- en liedjesmaker. Een student schrijft over zijn werk een scriptie (satire) en blijkt bereid om samen met zijn wat pienterder vriendin op zoek te gaan naar het schimmige meisje van weleer. Waarom? Dat blijft een goed bewaard geheim. Oud nieuws dat het jonge stel ophaalt kan hij met zijn herinneringen opfleuren. Het monster dat uit het onderzoek verschijnt wordt er niet interessanter op en de ontmoeting met de vlam van één halve nacht wordt natuurlijk een domper.

Karin Alvtegen

Verraad

Uit het Zweeds vertaald door Edith Sybesma, De Geus, 254 blz., € 15,-
Als er meer relatiegedoe dan misdaad in een roman voorkomt heet het een psychologische thriller. Man is op vrouw uitgekeken en heeft een vriendin met toekomst; vrouw neemt wraak op man via vriendin en niet zuinig ook. Onder de naam van die vriendin laat zij zich door een jongeman meetronen, dat is niet per se fout maar de jongeman is fout, vooral psychisch. Door gebeurtenissen in zijn jeugd is hij wat gestoord, dat schijnt voor te komen. Hij leeft sinds anderhalf jaar voornamelijk in het ziekenhuis naast het bed van een comateuze vriendin. Maar, was ze wel zijn vriendin en was haar verdrinking wel een ongeluk? Aan het coma komt een eind en de jongeman ontwaart in de vrouw van één nacht een nieuw leven. Dat gaat niet goed. Het meest realistische aan het verhaal is meteen ook het minst geloofwaardige: alle personages plegen verraad, allemaal, al was het maar dat gevoel voor de een de afwijzing van anderen impliceert. Ook zijn ze allemaal gestoord, meer of net iets minder. Verraad is een groot woord, maar Alvtegen hanteert het met hetzelfde gemak als lafheid, wraak, schuld, bedrog. (Nieuw woord geleerd: huidhonger.) Of je iemand gepland aan een coma kunt helpen, waag ik te betwijfelen. Denk bij de jongeman aan Anthony Perkins en je hebt meteen ook al een film gezien; het boek oogt als een pasklaar scenario.

Jonathan Wilson

Een Palestijnse affaire

Uit het Engels (2003) vertaald door Nicolette Hoekmeijer, Sirene, 319 blz., € 18,95

Opmerkelijk is de roman vanwege plaats en tijdstip: Jeruzalem, juni 1924. Spanningen tussen joden en Palestijnen, zionisten en orthodoxe joden, die allen ook nog eens moeite hebben met de Engelse kolonialisten. De moord op een Nederlandse journalist, Jacob de Groot, een zionist die de kant van de orthodoxen heeft gekozen, wordt politiek een heet hangijzer, temeer daar het slachtoffer Arabische kleding droeg en de verdachte een Palestijnse jongen is. Ooggetuige is een Engelse schilder van wiens carrière en huwelijk weinig over is. Zijn Amerikaanse echtgenote, protestants van huis uit, wordt een overijverige zioniste. In haar naïviteit raakt ze bij wapensmokkel betrokken en lust koppelt haar aan de Engelse politieman die de moord onderzoekt. Een echte thriller wil het verhaal niet worden, en als femme fatale voldoet de zioniste ook niet echt. Aan de schilder is vooral curieus dat hij uit armoede propagandaplaatjes schildert: inspirerende afbeeldingen van joodse pioniers. Is het bedoeld als politieke roman? Wilson (1950) heeft daarvoor de ingrediënten verzameld, gecentreerd rond het pijnlijke feit dat joden joden vermoorden. Voor de spanning in «deze spannende roman vol hartstocht en politiek» moet de lezer zelf zorgen. Hij weet immers veel meer dan de orthodoxen, zionisten, Palestijnen en Engelsen in 1924. In het licht van de geschiedenis die nog moest volgen wordt alles wat iedereen doet van een beladen of zelfs gevaarlijke naïviteit. Maar zelfs met die wijsheid achteraf – de voorafschaduwing vooraf – doet de schrijver niks.

Frédéric Beigbeder

Windows on the World

Uit het Frans (2003) vertaald door Marianne Kaas, De Geus, 285 blz., € 22,50

Onlangs voerde Herman Franke in de Volkskrant een onderzoek uit naar het politieke gehalte van de Nederlandse literatuur en bladerde alle Ako-nominaties door op de expliciete vermelding van Elf Negen. Even simplistisch is de roman van de voormalige copywriter Beigbeder, spreek uit: Bégbédé, die alleen maar over de aanslag gaat. Elk hoofdstuk is één minuut tussen 8.30 en 10.29 uur, en dat dan nog dubbelop: de ene minuut het drama van binnenuit beleefd door een makelaar die met zijn twee zoontjes te midden van andere yuppen zit te ontbijten in het restaurant (zie de titel) op de 107de verdieping van jeweetwel; de andere minuut leeft Beigbeder zich een jaar later in, zittend aan de koffie op de 56ste etage, Le Ciel de Paris, van de Tour de Montparnasse. Ik weet niet wat het boeiendst is: alles wat er door het gezinshoofd gaat of de keur aan gedachten van de romancier, te vatten onder de noemer «esprit d’escalier». Mag ik ook even flauw doen bij iemand die om 10.10 uur het restaurant «een luxe gaskamer» noemt en daaronder zet: «pagina geschrapt». Als het niet om een Tower Inferno gaat dan wel om een Purgatorio. De schrijver ziet op dat tijdstip niet alleen de hele wereld aan gruzelementen gaan, ook zijn generatie wordt gereinigd, een merkengeneratie die niet tot liefde in staat is. Dat alles onder een motto van Marilyn Manson: «Het is de taak van de kunstenaar zich in het heetst van de hel te storten.»

Michele Mari

Al het ijzer van de Eiffeltoren

Uit het Italiaans (2002) vertaald door Marieke van Laake, Meulenhoff, 286 blz., € 19,50

In korte tijd zijn er nu twee Italiaanse romans vertaald met Walter Benjamin als hoofdpersoon, terwijl er van de Duitse filosoof zelf nauwelijks iets in het Nederlands bestaat. Bij Arpaia draaide het in De engel van de geschiedenis om de zelfmoord van de pechvogel. Benjamin als wereldvreemde kamer geleerde. En altijd maar weer die Engel van de Geschiedenis, waarover Raoul Schrott achter in zijn laatste roman ook al een citaat had. «Benjamin» lijkt vooral een signaal. Van een hoger weten? Voor Mari is Benjamin vooral verzamelaar: «Verzamelen is zijn manier van filosoof zijn.» In Parijs vindt in de kersttijd van 1836 een ontmoeting plaats tussen de Passages-flaneur en mediaevist Marc Bloch. Een toevallige ontmoeting, want Benjamin dacht dat het om Ernst Bloch ging toen Horkheimer hem in een brief het adres van Bloch gaf. De Duitse en de Franse geleerde stappen in een carrousel van namen, titels, data en de literatuur- en kunstgeschiedenis van midden vorige eeuw wordt één grote dolle kermis. Volgens het principe «zwaan kleef aan» heeft alles en iedereen met elkaar te maken, met als ex traatje dat van alles en iedereen ook al de toekomst bekend is. Mari heeft verduiveld veel weetjes verzameld, dat moet gezegd. Om Benjamin tegen honderden beroemde tijdgenoten op te laten boksen is een ideetje (een register had niet misstaan), maar wat is het idee van dit boek? Zelfs de titel is meer suggestie dan dat ze steek houdt: ijzer beschermt tegen toverij.

Owen Gingerich

Het boek dat niemand las

Uit het Engels (2004) vertaald door Rob Hartmans, Ambo, 311 blz., € 21,95

De invloed van ongelezen boeken is soms heel groot. In 1543 kreeg een Poolse astronoom op zijn sterfbed de laatste gedrukte vellen van zijn Zes boeken over de omwentelingen van de hemelse sferen. Arthur Koestler noemde De revolutionibus in zijn geschiedenis van de vroege astronomie «het boek dat niemand las». Iedereen nam dat voetstoots aan, maar de wetenschapshistoricus Owen Gingerich maakt korte metten met die legende – het helpt toch niet, maar voor zo’n opruimingsdienst van (academische) gemeenplaatsen zou een aparte academie moeten worden gesticht. De wetenschapshistoricus Gingerich reisde dertig jaar lang de wereld af en had toen 260 exemplaren van de eerste druk uit Neurenberg en driehonderd van de tweede druk uit Bazel van 1566 in handen gehad. De interessantste exemplaren waren die met annotaties van geleerde tijdgenoten. Ondertussen kreeg hij een kijkje in die wonderlijke wereld van kerkelijke boekenverzamelingen, klooster- en universiteitsbibliotheken, antiquariaten en catalogi. Een fascinerend relaas, waarbij Gingerich en passant van alles over drukgeschiedenis, boekbinden, bibliotheken, antiquariaten en naijverige collega’s vertelt. Elke eigenaar en zeker een deskundige eigenaar-lezer biedt stof voor een verhaal. Hoe hij er bijvoorbeeld achter kwam van wie de aan Tycho Brahe toegeschreven annotaties waren: ene Paul Wittich, de vermoedelijke ontdekker van de logaritmes. Tussen de bedrijven door maakt Gingerich ook nog aannemelijk dat de invloed van Copernicus’ wereldbeeld groter is geweest dan de Reformatie die Europa in die tijd opschudde.

Gérard de Nerval

Het treurige beroep van schrijver

Selectie en vertaling uit het Frans door Edu Borger, De Arbeiderspers (Privé-domein nr. 254), 412 blz., € 27,50

Nerval, de naam kom je altijd tegen wanneer het om het onderwerp literatuur en waanzin gaat. Om de novelle Aurélia of de droom en het leven geldt hij ook als de schrijver van de Romantiek. Het verhaal – of misschien vooral de titel – heeft later menige schrijver tot inderdaad nogal romantische vermengingen van (ziekelijke) verbeelding en werkelijkheid verleid. Edu Borger presenteert met zijn keuze een volwaardig schrijver, dat is hij, maar op een speciale manier. De psycholoog Mauron heeft hem ooit «psychisch tweetalig» genoemd: hij pendelde tussen donkere toestanden en heldere perioden. Hij had geestelijke inzinkingen, dat gaf hij zelf grif toe, hij schreef er ook zelf over, maar in de verleden tijd, want hij wilde vooral bewijzen dat hij niet gek was, niet meer. Ik wil niet zeggen dat de teksten die Borger verzamelde – een historische novelle, een kleine roman, reisverhalen en brieven – niet ook in literaire zin interessant zijn, ja, voor die tijd. Ze zijn gedateerd en dat maakt het werk om een andere reden interessant. Omdat het zeldzaam is, toen zeker, dat een man lucide naar zijn eigen ziekte kijkt en daar zinnige dingen over zegt, plus dat hij er een literaire vorm aan geeft. Minstens even interessant is wat al in zijn eigen tijd anderen in hem én natuurlijk ook in zijn teksten projec teerden – daarmee vergeleken kun je soms beter Nerval zelf lezen.