Vogelaars keuze

Vogelaars keuze

Imre Kertész

De verbannen taal

Uit het Hongaars vertaald door Mari Alföldy

De Bezige bij, 92 blz., € 3,-

Een gebruikelijke veronderstelling ten aanzien van boeken en zeker van literatuur is dat je een boek overal en te allen tijde moet kunnen lezen: in je vrije tijd, uitgeput, verstrooid. Literatuur is immers ter ontspanning, en (bijna) iedereen kent het alfabet. Draai het eens om: waarom zou je zware kost niet op andere plaatsen dan de studeer kamer lezen: op het strand, in bad, in de trein? De Bezige Bij heeft een reeks kleine boekjes uitgebracht die daar zeer geschikt voor zijn, bovendien spotgoedkoop, bijvoorbeeld een Kertész en een Konrad (De schrijver en de stad), en nog nieuw werk ook. Voor Kertész wordt hiermee zelfs een gemis goedgemaakt, omdat er tot dusver helemaal geen essayistisch werk van hem is vertaald.

In dit boekje staan zes betogen, lezingen en dankwoorden (onder meer bij de Nobelprijs): gelegenheids teksten, maar als je er de plichtplegingen afpelt essentiële gedachten, in het bijzonder over «Auschwitz» als trauma van de Europese geschiedenis, de overlevende als nieuw menstype, de taal die zich voor het enorme niet leent, en Kertész’ eigen werk en «identiteit». Na zijn niet zo gelukkige laatste werk Liquidatie mag je met dit boekje in handen denken dat de auteur vast meer te vertellen heeft dan hij in zijn strikt literaire werk vertelt. Maar waarom staat er geen inhoudsopgave in het boekje? Ruimtegebrek? Hoe dan ook, de bundel vult een gat in het vertaalde werk van Kertész.

Péter Nádas

Minotaurus: Verhalen

Uit het Hongaars vertaald door Henry Kammer

Van Gennep, 336 blz., € 22,10

Péter Nádas (1942) werd in de jaren tachtig bekend door de roman Het boek der herinneringen. Dat heeft helaas het veel kleinere, maar naar mijn smaak originelere boek Het einde van een familieroman overschaduwd. Wat er toentertijd niet bij gezegd werd is dat hij al enkele bundels met verhalen gepubliceerd had. Misschien had het te maken met de autoriteiten, want Hongarije had nog een grillige, maar actieve censuur. De paranoïde sfeer van toen hangt in de verhalen nog laag boven de grond. Het zijn ook niet zomaar verhalen, eerder novellen of korte romans; althans naar deze selectie te oordelen van zo wisselende kwaliteit dat doorgaan op een andere lijn een andere schrijver had doen ontstaan. Tussen de verhalen, zeker omdat kinderen nogal eens de hoofdrol spelen, zijn inhoudelijk zoveel overeenkomsten dat het één grote roman lijkt. Maar er is een merkwaardig verschil in de bundel tussen een zintuiglijke schrijver en een die over het zintuiglijke schrijft. Zie de data van de verhalen. De ene keer zijn de zinnen omslachtig, de wijs heden oudemannenachtig en de situaties vaag en abstract. Heel anders is een parabel achtig verhaal over een gehucht dat op een vuilnisbelt is gebouwd, waarin taal, zinsbouw, spanning, beelden kloppen. Het heet Het lam en er komt ook een lam in voor: een zwart schaap, en dat is niet een indringer of vreemdeling, nee, een autochtoon, maar joods. Kinderen hebben ook hier de rol dat ze, zeker in kuddeverband, even agressief, dom en wreed zijn als volwassenen, alleen camoufle ren ze het minder.

Patrick Modiano

Nachtelijk ongeval

Uit het Frans (2003) vertaald door Maarten Elzinga

Meulenhoff, 141 blz., € 16,50

Je probeert dertig jaar lang je leven op orde te houden, dan gooit een kleinigheid het door de war. Als iemand dat zegt wil je toch eerst horen wat die kleinigheid is. De verteller wordt geconfronteerd met een oudere dame die ’s avonds postvat voor zijn huis, eerst roerloos, dan tierend en ten slotte takelt ze hem toe. Een kleinigheid? Verder geen uitleg, in feite ook niet waarom dit voorval een herinnering ophaalt aan een aanrijding.

Vlak voor zijn 21ste werd de verteller van Modiano’s roman op de Place des Pyramides aangereden door een zeegroene Fiat met een jonge vrouw erin. Dan weet je bij Modiano dat er gezocht gaat worden. Het slachtoffer ging er zelfs voor in een hotel wonen, waar hij de papegaai «merk Fiat kleur zeegroen» leerde zeggen. Gelukkig vond hij haar snel, de vrouw. Er zijn nog wat geheimzinnige draadjes, vooral het van zijn vader ontvreemde adresboekje, maar het geheel is zo vaag, zo doorzichtig, dat de samenvatting al gauw hechter in elkaar zit dan het boek. Er zal wel een Modiano-gemeente zijn waarvoor deze zoveelste vertaling bedoeld is, maar het lijkt me dat juist de liefhebber niet om een herhalingsoefening verlegen zit. Leon de Winter schreef ooit al eens een pastiche op La Place de l’Étoile, moet de schrijver dat dan zelf ook nog eens dunnetjes overdoen? «Een intrigerende roman en een ode aan de straten en pleinen van nachtelijk Parijs», dat klopt, afgezien van de eerste vier woorden.

Hiner Saleem

Het vuur van mijn vader

Uit het Frans (2004) vertaald door Frans de Haan

De Bezige Bij, 143 blz., € 19,90

De filmmaker Hiner Saleem (1964) is, zoals hij in zijn levensverhaal vertelt, begin jaren tachtig de Turkse grens over gegaan. De jongen in het verhaal ontvlucht zijn familie maar ook de strijd van de Koerden, waar hij door zijn vader en broers al vroeg bij betrokken is geraakt. In zinsbouw en manier van denken houdt Saleem zich aan het begripsvermogen van het kind, en dat maakt het bij zo’n ingewikkelde materie niet gemakkelijk. Bijvoorbeeld wanneer hij in kort bestek twee gevallen beschrijft waar een Koerd om naar later bleek valse geruchten geëxecuteerd werd. Traditionele gebruiken als huwelijk en aandeel van vrouwen zijn, zoals bijna alles, vanzelfsprekend. De opzet heeft geen marge voor relativering, laat staan kritiek. Het bijzondere aan het verhaal is het onderwerp. Wat waren, nadat de coup in 1968 Saddam Hoessein aan de macht had gebracht, de gevolgen voor de Koerden: bombardementen, internering in Iraanse kampen, leven onder militaire bezetting. Maar op papier is het een verhaal uit vele geworden, door het simplisme van de vertelling, zowel in taal en observatie als in verhaallijn en interpretatie. Zelfs als ontwikkelingsroman – hoe een jongen voor wie de vader een grootse carrière wenst de kunst in gaat en in den vreemde (eerst in Italië, daarna Frankrijk) een eigen leven begint – is het allemaal wat vlak. Raar dat «het geweer» van de vader in de Franse titel «het vuur» is geworden, lees dus maar vuurwapen: aftands Tsjechisch geweer. Vaders vuur was eerder koudvuur: praatjes en grote woorden.

Veit Heinichen

Vetes

Uit het Duits (2002) vertaald door Pim Lukkenaer

De Geus, 316 blz., € 22,50

Voor een misdaadroman is het ongewoon dat de lezer voortdurend meer weet dan de politieman die de misdaad onderzoekt. Te zijner verontschuldiging kan worden aangevoerd dat geen mens aan de wirwar van nationale, politieke en historische kwesties, waaronder ook nog veel oud zeer uit de Wereldoorlog, in de buurt van Triëst en Istrië, waar Vetes van de Duitse schrijver Heinichen (1957) zich afspeelt, een touw kan vastknopen. Een visser vindt in internationale wateren de dood, een andere van zijn schip wordt gruwelijk vermoord (volgens een oud Slavisch ritueel); er zijn in de stad problemen met de Chinezen en, los daarvan, met rechts-extremisten; de politieman heeft zelf veel te stellen met vrouw en zoon, en krijgt het ook nog eens te pakken van een knappe Kroatische officier van justitite. Ja, dat wordt commissario Laurenti teveel, en de schrijver ook, hoewel hij duidelijk weet waar hij het over heeft. In die streek concurreren in het echt al minstens vijf slachtoffergroeperingen, minderheden én meerderheden; en als je dan ook nog moet differentiëren wat voor Italianen er door de Tito-miliairen tussen 1943 en 1947 in de foibe (kloven in het karst gebergte) gemieterd werden, hoe de vendetta nooit verjaart, en het geheim van de datteri moet bewaren, is dat wat veel voor een gewone misdaadplot. Weer eens een sociale roman in een misdaadjasje, het is een trend.

Michail Kononov

Het naakte pioniertje

Uit het Russisch (2001) vertaald door Arie van der Ent

De Arbeiderspers, 297 blz., € 23,95

In geen andere literatuur heeft het oorlogsverhaal zo’n leeuwenaandeel ver overd als in de Russische; dat gaat, uiteraard, gepaard met specialisering, zoals de slagveldsatire. Zelfs Tolstoj was parodie; Astajev, Vojnovitsj, Sorokin zijn van nu; en de mij onbekende Kononov (1948) voegt zich daar nu bij. Van de beroemde maarschalk hoefde hij maar één letter te veranderen, die heet nu Zoekov en is zo’n beetje hoofdpersoon; snorremans op de achtergrond behield zijn schuilnaam. De titeldraagster is Moecha, die van keurig sovjetpioniertje aan het front een doortastende mitrailleuse wordt, later schrijfster en rechter. Ze is nog minderjarig maar wordt door alleman op handen gedragen. Tot het genre behoort ook de virtuositeit van de schuttingtaal die het kleine meisje tot in de puntjes beheerst, net als de vertaler trouwens.

Het enige bezwaar is misschien dat er in de roman van alles te veel is: als springveer is het meisje eindeloos rekbaar, de stoere taal houdt nooit meer op, ze sterft wat vaak en haar nachtelijke (echte) vliegpartijen kennen geen grenzen. Met alleen het eerste hoofdstuk en het nawoord is de lezer al een heel end. De vrolijk-navrante versie van de Vaderlandse oorlog tegen de Moffen heeft twaalf jaar op publicatie moeten wachten. Sommige feiten blijven ook in een satire feiten: elke Russische soldaat die contact had gehad met de vijand was besmet – Zoekov schiet ze eigenhandig dood.

Jay Rayner

De excuusmaker

Uit het Engels (2004) vertaald door Auke Leistra

Anthos, 308 blz., € 19,95

Marc Bassett, gevreesd culinair criticus, kraakt een restaurant. Van het effect kunnen sommige recensenten alleen maar dromen: de chef-kok drinkt een fles whisky en klimt in de broodoven, die kennelijk groot genoeg is. Basset komt erdoor tot inkeer en hij biedt de weduwe zijn excuses aan. Daarna is hij niet meer te stuiten: hij verontschuldigt zich bij iedereen die hij in zijn leven onrecht meent te hebben aangedaan, en iedereen is veel. De grap is dat hij met zijn onheus gedrag vaak meer goed dan kwaad heeft gedaan. Zoals hij van lekker eten een beroep had gemaakt, wordt zijn nieuwe hobby een dagtaak, een levenstaak en -vervulling. Van makelaar in spijt klimt hij op tot excuseur-generaal van de VN, in welke wereldfunctie hij zijn Waterloo in de Kaukasus vindt. Dat is het idee, en voor de helft van zijn boek werkt Rayner, naar het schijnt in Engeland «een veelgeprezen journalist», het genoeglijk uit. Voor de andere helft is het een te lang volgehouden grap en wordt het een invuloefening; dat heb je met boeken die het van één idee moeten hebben. Maar als het boek een eind maakt aan het Nederlandse woord «sorry» – en in één moeite aan «o.k.» – is de vertaling niet voor niets geweest.

J.M. Coetzee

Hij en zijn man, met een antwoord van Arnon Grunberg

Uit het Engels (2003) vertaald door W. Hansen

Cossee, 56 blz., € 8,90

Dat het twee boekjes in één zijn, zou te veel gezegd zijn, maar wel twee vliegen in één klap: Coetzee hield, om iets voor Nobel terug te doen, in Stockholm een praatje, iets anders dan voor een dankwoord gebruikelijk, dus werd het aangehoord en gelezen als een parabel. Over Crusoe? Nee, daar heeft hij al uitgebreider en beter over geschreven. Hij en zijn man: Hij is Crusoe die toen hij over zijn eilandjaren wilde schrijven merkte dat het steeds moeilijker werd, omdat hij liever z’n mond hield (in tegenstelling tot veelschrijver Foe). Als «zijn man» koos Robin een selfmade schrijver uit, een gewezen zadelmaker, ook een soort papegaai. En Cossee vroeg «een van onze interessantste schrijvers van dit moment» om commentaar hierop. Over Coetzees parabel liet Grunberg zich niet uit, maar hij schreef wel een tractaat pro domo waarin hij de lof zingt van de fictie – in de geest van Coetzee, dat wel. Grunberg wilde meer: iets zeggen dat nog niemand over Coetzee gezegd had. Net als Karel van het Reve laat hij zich niet hinderen door wat anderen geschreven hebben. Grunberg zegt iets over Costello en het kwaad, heel oorspronkelijk, zonder bijvoorbeeld deze krant (De Groene van 11 oktober 2003) daarover gelezen te hebben. Coetzee heeft hij wél gelezen, dat is tenminste iets – en het boekje is ook een chique reclamefolder.