Jacg Vogelaars keuze uit het boekenaanbod

Vogelaars keuze

Assia Djebar

De verdwenen vrouw

Uit het Frans (2002) vertaald door Jan Versteeg

De Geus, 191 blz., € 18,90

De verdwenen vrouw, Soulikha, dochter van een eenvoudige boer, de eerste vrouw ter plaatse met een schooldiploma, die voor een jongen naar Parijs ging en terugkeerde als lerares Frans, verliet in 1957 man en vier kinderen om zich bij het Algerijnse verzet aan te sluiten en werd in 1959 door Franse militairen in een helikopter meegenomen, waarna niemand haar meer gezien heeft. Zij is, zoals de oorspronkelijke titel in het Frans zegt, een vrouw zonder graf. Assia Djebar begon al in 1976 aan een film over haar en is met het materiaal bezig gebleven tot ze er uiteindelijk dit literaire (graf)monument van maakte, grotendeels bestaande uit gesprekken met dochters en vriendinnen van de legendarische vrouw. Daarmee wordt vanzelf ook iets meer van die periode zichtbaar, met name van de speciale rol die deze vrouw in haar woonplaats Caesarea speelde. Echt sluitend wordt het samengestelde portret niet; vreemd genoeg voegen de vier monologen die haar in de mond gelegd worden daar weinig aan toe. Het wordt net geen heiligenleven. Welsprekender is de vertelling over een mozaïek in het plaatselijke museum van Odysseus en drie sirenes, geen meerminnen maar vogels. Een interessant boek, zeker als tegenwicht voor de hausse aan boeken en boekjes die haastje-repje uit de Maghreb en het Midden-Oosten vertaald worden (als het maar door een vrouw geschreven is of minstens over een vrouw gaat). Je zou bijna vergeten dat er al lang een Franstalige Algerijnse literatuur bestaat en dat een Assia Djebar (1936), die tegenwoordig in Amerika doceert, daarin met een heel oeuvre vertegenwoordigd is, waaruit De Geus eerder al vier titels uitbracht.

Nedjma

Wilde vijg

Uit het Frans (2004) vertaald door Frans van Woerden

De Bezige Bij, 238 blz., € 15,-

De vertelster heeft het niet slecht met zichzelf getroffen, ze is vijftig, heeft lak aan alles, «want ik, Badra, decreteer dat ik slechts van één ding zeker ben: ik heb de allermooiste kut van de hele wereld, de mooist gevormde, met de mooiste venus heuvel, de allerdiepste, de allerwarmste, de lekkerst glijdende, de allerluidruchtigste, de allergeurigste, de meest zoetgevooisde, de allergulzigst naar piemels snakkende wanneer de piemels zich oprichten als harpoenen». Eenmaal Imchouk ontvlucht, waar ze vanaf haar zeventiende aan een veertigjarige notaris heeft vastgezeten, «koningin en slavin», maakt zij dankzij tante Selma in Tanger kennis met de cardioloog Driss, net terug uit Parijs, die haar inwijdt in zijn libertijnse wereld. En de door Driss «wild vijgje» genoemde Badra leerde genieten, en nu Driss dood is geniet ze van dat alles nog eens na door erover te vertellen. Ze geniet vooral van dat vertellen: hoor mij! meer dan: zie mij eens! Van Woerden heeft dat sappigs allemaal lekker vertaald. Het verhaal eromheen – autobiografisch, bevrijdend, voorbeeld – is pr. Alles went ook voor het provinciaaltje, en dan wordt het gewoon een relatierelaas, zeker als «het ondeugende kind dat een Arabische geisha werd» voor het mannetje het enige vijgje wil zijn. Wie het ook geschreven heeft, heeft waarschijnlijk ook uit oude bronnen geput, maar Duizend-en-één-nacht is het niet, daarvoor is het te monotoon, én van deze tijd: «Ik kijk ook tv en als me op tijd iets over de quantumtheorie was verteld had ik een Stephen Hawking kunnen worden.» Of die zo’n boek had kunnen schrijven, weet ik niet.

Jeanette Winterson

Vuurtorenwachten

Uit het Engels (2004) vertaald door Maarten Polman

Contact, 224 blz., € 15,90

Sommige boeken hebben even nodig om op gang te komen; andere beginnen als een trein, een rijdende, waar de lezer op moet springen; en sommige zijn dan na enige tijd op of lopen leeg. De laatste roman van Jeanette Winterson moet het van een sterke start en veelbelovende personages hebben: een meisje van tien ziet haar moeder, met wie ze in een huis woont dat scheef tegen een steile wand gebouwd is, wegwaaien; een vader heeft ze nooit gehad. De onderwijzeres brengt haar en haar scheve hondje onder bij de blinde vuurtorenwachter Pew, die haar leert wat vuurtorenwachten is: de wereld naar je hand zetten met verhalen. Wijze Pew weet onder meer de weg in de negentiende eeuw en vertelt haar de levensloop van een Victoriaanse dominee, Babel Dark die een dubbelleven en een dubbele boekhouding, een keurig journaal en een woest dagboek voerde. Daar komt ook Darwin in voor en de schrijver van Schateiland, Stevenson, de schepper van Dr Jekyll en Mr Hyde. In het begin is het meisje Silver nog een dwars wicht, type Alice of Zazie, gewaagd aan de blinde Schotse bard; stijl en zinnen zijn ook nog behoorlijk dwars, al wordt de vertelkunst iets te veel gecelebreerd. Helaas wordt ze ouder en wanneer ze dan ook nog de liefde ontdekt, of woorden ervoor, is het einde zoek, en gaat het boek op in hogere sferen.

Lidia Ravera

Het feest is afgelopen

Uit het Italiaans (2002) vertaald door Els van der Pluijm

De Arbeiderspers, 260 blz., € 18,95

«Alexandra ziet er op zijn schouders uit als een bloem op de stam van een eeuwenoude eik.» Wie dat nog nooit in een bos had gezien, kon het in de jaren zestig in Turijn zien, bij een staking waar de arbeider Angelo een tengere studente, kort ervoor nog «een tengere gazelle», als een rode vlag op zijn schouders zet. Dat waren nog eens tijden – het feest uit de titel – waar Angelo voor de studenten een mascotte was en Alexandra, de altijd wat stille schoonheid, zijn tegenhanger, wat dat ook moge betekenen. Lidia Ravera, een veelschrijfster, heeft van een dramatische herdenking van die quasi-revolutionaire folklore een roman gemaakt, met als basismotief het deuntje dat de idealisten van toen allemaal óf carrièrejagers óf mislukkelingen zijn gebleken. Na 25 jaar komt Carlo, zo’n jaren-zestigfeestneus, politiek toen al zwalkend, als gevierd dirigent uit de States in Italië terug en wordt gekidnapt, door vroegere arbeider-kameraad Angelo, frustraat eersteklas. Het idee alleen al – en het is niet eens als grap bedoeld. Maar wel leerzaam: alle clichés óver de jaren zestig worden als feiten uit die jaren gepresenteerd. Een extraatje is hoe de kinderen van de helden van weleer er post festum over denken. Dit boek is bedacht, geschreven, uitgegeven, vertaald. Iemand moet toch gedacht hebben dat het over de jaren zestig van de vorige eeuw ging.

Christoph Peters

Nachtweefsel

Uit het Duits (2003) vertaald door Maarten Bogaert

De Arbeiderspers, 240 blz., € 17,95

De eerste vertaling van een betrekkelijk jonge, nieuwe Duitse schrijver, z’n derde boek, de hoofdstukken afwisselend cursief – aan het woord een alcoholische beeldhouwer van 28 – en in gewone druk: een ontnuchterende versie van hetzelfde verhaal door een kunststudent. Het speelt zich af in een tumultueus Istanboel, waar de Russische maffia zaken doet en het hele Oostblok in de uitverkoop is; en er lijkt een Amerikaanse handelaar in edel stenen vermoord. Het lijkt allemaal meer dan het is en laat dat toevallig ook zo’n beetje het thema van het boek zijn. Dat niemand anders iets van de moord weet dan de dronken beeldhouwer kan nog een relativering van het cliché verbeelding & werkelijkheid zijn – maar hoe komt hij dan zelf aan zijn eind? Tot dat moment verschilt het hem toegeschreven hallucinerende proza wat feiten en volgorde betreft – op de dramatische jeugd na natuurlijk – nauwelijks van het nuchtere relaas van de student die, op schoolreisje met de kunstklas, ook nog moet toezien hoe zijn studie vriend in de armen valt van de vriendin van de immer bezopen kunstenaar. Als je alle vertoon wegdenkt, blijft er een sleets verhaaltje over – net zoals de poort naar de Oriënt één grote naargeestige achterbuurt is. De nacht in de titel staat voor dood, en het weefsel is het tapijt van dit boek, met een voor- en achterkant. Allemaal goed en wel, maar mag er eens een alcoholist in een roman verdrinken zonder dat Lowry’s Onder de vulkaan het moet ontgelden?

Helmut Krausser

Thanatos: Het zwarte boek

Uit het Duits (1995) vertaald door Ria van Hengel

De Geus, 507 blz., € 24,90

Krausser (1964) heeft met een rij dikke boeken in Duitsland een ze kere faam verworven; zijn succesboek Melodieën is het enige dat tot dusver vertaald is. In het begin denk je met een morbide versie van de boekengek Kien uit Canetti’s Die Blendung te maken te hebben. Mensenhatende germanist, specialisme Romantiek – privé: Zwarte Romantiek – schrijft dankzij een mimetisch vermogen apocriefe mees terwerken. De vondst van nieuw oud werk is goed voor zijn onderzoeks instituut, maar ondanks of dankzij het succes wordt hij ontslagen. En passant helpt hij een straatmadeliefje met aids uit haar lijden. Dan breken er barre tijden aan, een paar taaie honderd pagina’s: de etter wordt schijnbaar menselijker en vervoegt zich bij oom, tante en blaag van een neef op het land. En in de tweede helft van de roman herschrijft de kneus, inwendig een duivel zoals alleen de lezer weet, voorafgaande gebeurtenissen: zijn zwartboek – dit boek: Thanatos, de titel zegt het al. Het gestuntel met een even mooie als onbereikbare dienster wordt op papier alsnog heroïsche porno. De titel wordt een program voor de hoofdpersoon, van moord tot erger, maar het ergste is het mythosofische potje dat hij en collega Krausser ervan maken. Resultaat: teksten van het type slappe-horloges-surrealisme. Begonnen als valsheid in geschrifte wordt het een hoogdravende reisfolder voor het dodenrijk, pomposo serioso; de Duitsers zouden zeggen: ein abgründiges Meisterwerk.

António Lobo Antunes

Vogelvlucht

Uit het Portugees (1981) vertaald door Harrie Lemmens

Ambo, 256 blz., € 22,95

Van de trilogie die naar de titel van het tweede deel ook in z’n geheel Glans en pracht van Portugal had kunnen heten, heb ik me wel eens afgevraagd of het ingewikkelde stemmenspel wel altijd een effectieve aanpak was voor de geschiedenis die Lobo Antunes van Portugal na de revolutie schreef. Vogelvlucht is een veel vroeger boek, het oogt ingewikkelder maar past qua vorm beter bij het onderwerp en zit daardoor hechter in elkaar. (Vergelijk dat eens met de huisvlijt van zo’n Christoph Peters.) Een universitair assi stent van 33, eeuwig bezig aan een proefschrift maar alles in zijn leven beu neemt zijn vrouw mee naar een congres met de bedoeling haar de bons te ge ven. Zij, filmgek én communist, uit een arbeidersmilieu (gehaat door de rechtse bourgeoisfamilie van de hoofdpersoon) draait de rollen om. En daarmee loopt dit verhaal plots parallel met een afscheid van vijf jaar terug, toen de eerste echtgenote, wél behorend tot o.s.m., hem de deur uit zette. Dan maakt de held er zelf maar een eind aan zodat hij nog eerder dood is dan zijn op sterven liggende demente moeder. Ge lukkig maakt Antunes er soms met op zet een potje van: een revue in ’s mans hoofd, daardoor is het toch iets anders dan een relatie roman. Als het niet over klassenstrijd ging, dan over standsverschil, en dat in een Portugal waar niet iedereen in 1974 even blij was met de omwenteling; dus toch een politieke roman.

Henning Mankell

De jonge Wallander

Uit het Zweeds (1999) vertaald door Edith Sybesma

De Geus, 507 blz., € 24,90

Na acht soms dikke delen in de serie over de politiespeurder Kurt Wallander (allemaal vertaald), had Mankell de begrijpelijke wens ook zelf te weten wat zijn held voor die tijd, te weten vóór 8 januari 1990, had uitgespookt. Deze invuloefening leidde tot dit boek met vijf verhalen en niet eens zo korte romans over de jonge Wallander. Maar ze zijn geschreven door de oudere Mankell, en daar zit ’m de kneep: Mankell kan het steeds minder laten boodschappen uit te delen. Zoals hij in het voorwoord zelf samenvat: «Wat is er in de jaren negentig met de Zweedse rechtsstaat aan de hand?» En hier kun je het zien, hoe dat bij Mankell gaat: een verhaal kan zus of zo lopen, en soms loopt het scheef, hoe dan ook prikt de schrijver er in het midden of aan het eind opeens, als een vlaggetje op een sole picasso, een diagnose van het zieke Zweden op. Het rare is trouwens dat hij ook in kortere verhalen niet korter van stof is; de gebruikelijke uitweidingen bewaart hij gewoon voor een volgend verhaal. Het zijn wel heel verschillende verhalen want heel verschillende mis daden. Een gevarieerd beroep heeft zo’n Wallander. In Zweden crasht een vliegtuigje, bedrijfsongeval in een internationale drugssmokkel, maar laten daar nou ook twee oude garen-en-band winkeliersters bij betrokken zijn: «‹Wat is wel Zweeds?› vroeg Rydberg. ‹Er zijn geen grenzen meer. Noch voor vliegtuigen, noch voor zware misdadigers. Vroeger lag Ystad aan de rand. Wat in Stock holm gebeurde, had je hier niet.›» Bekende geluiden.