Vogels vliegen maar wat

Yoko Ogawa laat de dingen lijdzaam gebeuren © Chang W Lee / NYT / ANP

In De geheugenpolitie beschrijft de gevierde Japanse schrijfster Yoko Ogawa (1962) een eiland waarop niet alleen geleidelijk allerlei dingen verdwijnen, maar ook de herinneringen aan die dingen vervluchtigen. Dat vergeten gebeurt per decreet: om de zoveel tijd vindt er van hogerhand een zogenaamde uitwissing plaats, waaraan alle eilandbewoners moeten meedoen. Is er besloten dat hoeden uitgewist worden, dan moeten alle hoeden worden ingeleverd, inclusief alles wat de herinnering aan hoeden zou kunnen oproepen. Na verloop van tijd weet niemand meer precies wat een hoed was.

Heel erg vinden de meeste bewoners van het eiland de uitwissingen niet. Wanneer vogels verdwijnen, zegt een van hen: ‘Zolang het alleen maar de vogels zijn is het goed. Niemand zal er last van hebben. Vogels vliegen gewoon maar wat in de lucht.’ De eilandbewoners hebben door hun gebrek aan herinnering geen last van gemis of nostalgie. Daarmee impliceert Ogawa meteen iets moois: de dingen hebben misschien vooral betekenis doordat we ze ons kunnen herinneren.

Maar er zijn mensen die zich aan de uitwissingen weten te onttrekken. Zo ook de moeder van de hoofdpersoon, die de uitgewiste spullen bewaarde om ze van de vergetelheid te behoeden. Van die spullen herinnert de hoofdpersoon zich alleen nog de verhalen die haar moeder erover vertelde. ‘Lint, bel, smaragd, postzegel… De woorden die mama in de mond nam, klonken als de naam van een meisje in een ver land, of van een nieuwe plantensoort. Ik kreeg er rillingen van.’ Het zijn mensen zoals haar moeder op wie de geheugenpolitie uit de titel jacht maakt. Wanneer het verhaal begint, is haar moeder al jaren geleden verdwenen, samen met de ooit verstopte spullen. De naamloze hoofdpersoon, een schrijfster, is niet zoals haar moeder. Net als de rest van de eilandbewoners vergeet zij braaf alles wat wordt uitgewist.

Eindigt het boek met een plotsklapse herinnering van alles wat ze ooit vergeten is?

Aan het begin van de roman werpt Ogawa allerlei lijntjes uit. Er is de spanning van waar het heen zal gaan met de uitwissingen – de eerste die wij als lezer meemaken zijn vogels en rozen, maar je voelt dat er grotere dingen op het spel zullen staan. Er is de spanning van de verdwenen moeder en van anderen die moeten onderduiken omdat ze kunnen herinneren. Het typische verloop van elke dystopische roman spookt vanzelf door je hoofd: wanneer zal de hoofdpersoon het licht zien, wanneer zal ze verzet gaan leveren? Zal het boek eindigen met een plotsklapse herinnering van alles wat ze ooit vergeten is? Ik was benieuwd hoe Ogawa dat zou beschrijven.

Het is in zekere zin bewonderenswaardig dat Ogawa een compleet andere richting kiest. Inderdaad breekt de hoofdpersoon de regels, door haar redacteur – ook een herinneraar – een onderduikadres te bieden in een verborgen ruimte in haar huis. Maar daarop volgt eindeloze berusting. De pogingen van haar redacteur om haar toch te doen herinneren stranden en komen nergens. We krijgen kleurloze passages te lezen van de roman waar ze aan werkt. Intussen laat ze alle uitwissingen maar gewoon over zich heen komen. Niet herinnering is het hoofdthema van het boek, maar lijdzaamheid. Veel komt er dan ook niet van verlichting of verzet. De schrijfstijl is bijpassend: licht en lief van toon.

Wanneer halverwege het boek agenda’s – en daarmee tijdsbesef – worden uitgewist, lezen we: ‘Terwijl ik naar de as kijk, krijg ik het gevoel dat de uitwissingen niet zoveel te betekenen hebben als de Geheime Politie denkt. Als je ze in brand steekt, verdwijnen de meeste dingen. Zonder dat het er nog toe doet wat hun oorspronkelijke vorm was, worden ze als as meegevoerd door de wind, en dat is het dan.’ Hier wordt niet de klassieke Japanse invalshoek van de schoonheid van vergankelijkheid opgezocht, maar pure onderworpenheid aan het lot. Soms levert dat een rake passage op, zoals wanneer er boekverbrandingen plaatsvinden. De hoofdpersoon wordt na verloop van tijd moe van de hitte van de grote brandstapel, dus verhuist ze maar naar een kleiner vuur om het werk af te maken.

Er zijn allerlei vergelijkingen te trekken: met het geleidelijke, onstuitbare vergeten van de ziekte van Alzheimer, of met het leven onder een onderdrukkend regime. Op een gegeven moment zijn de uitwissingen dusdanig ingrijpend dat de mensen die nog kunnen herinneren makkelijk op straat herkenbaar zijn; de gedachtesprong naar de davidster is snel gemaakt. Maar op papier klinkt dit eenduidiger dan hoe het in De geheugenpolitie wordt verteld. Ogawa houdt het bij de prikkelende suggestie van het hoe en waarom.

Mooi is een aantal verspreide beelden: de sneeuw die maar niet stopt met vallen (gevolgd door het bericht dat de lente is uitgewist), het verlaten stadje waar de hoofdpersoon te voet naartoe gaat. Je denkt dat dat verlaten stadje iets belangrijks is, een plek die in zijn geheel is uitgewist, door sneeuwvlokken als gummen. Wat zou daar gebeurd zijn? Of neem een intrigerende opmerking van de redacteur: dat zelfs als de hele wereld verdwenen is, zijn verborgen kamertje met al zijn herinneringen zal blijven bestaan. Ogawa laat de dingen gebeuren, waardoor de vertelling zelf iets van een curieuze lijdzaamheid krijgt.