Klassiek: ‘Les cymbales sonores’

Vol en veel

Jan-Peter de Graaff, Les cymbales sonores © Donemus

De gaten in het door om-standigheden geïmproviseerde muziekaanbod moeten gedicht en zo ontstaat een veelbelovende ad-hocmarkt voor spannende gelegenheidsinitiatieven. Mathilde Wantenaar componeerde voor het Rotterdams Philharmonisch Orkest een Fanfare to Break the Silence, Jacob TV verklankte voor het Koninklijk Concertgebouworkest het post-coronagevoel in het nostalgische Who, What, When, Where, Why? En Jan-Peter de Graaff (1992), een van de interessantste jonge Nederlandse componisten, kreeg van het Radio Filharmonisch Orkest en chef-dirigent Karina Canellakis het verzoek om iets te schrijven voor het 75-jarig jubileum van het orkest en het Groot Omroepkoor. In zes weken ontstond op tekst van Psalm 150 Les cymbales sonores voor (groot) kamerorkest en koor, in de plaats van een andere lopende opdracht waarvan de te omvangrijke bezetting niet binnen de covid-marges paste. Het alsnog stevige kamerorkest van Les cymbales – vier hoorns, twee trompetten, twee trombones, uitgebreide slagwerksectie, harp en piano – kon blijkbaar net.

Zo vol en veel moest ook. Psalm 150 is een jubelstuk dat de Heer looft met bazuingeschal, met harp en luit, met klinkende cymbalen. Voor zijn ‘covid-editie’, knipoogt de partituur, gebruikte De Graaff een Franse vertaling die Les cymbales maakt tot wat het is. De prosodie van het Frans genereert een overvolle, escalerende stroom van vloeibare beweging in een zeer francofoon idioom dat de Dutilleux-, Debussy- en Ravel-bewonderaar De Graaff zichzelf met de paplepel heeft ingegoten. Wat zo ontstaat is een miniatuurmonument als een bonsaiboom met de majesteit van een oude eik, vol gestes die aforistisch duiden op de weidse ruimte van een groter stuk waarin deze muziek als een bouillonblokje zou oplossen.

De speelaanwijzing boven de partituur zet in drievoudig forte martiaal de toon: profound, sonorous. Deze componist denkt van nature orkestraal in volumes en dichtheden. De vloeiende, in kleur geboren, niet aan de zwaartekracht van een studeerkamerklavier getekende texturen bewegen zich als een golvende rollercoaster door de ruimte in een spel van instinctief overgeven en bewust escaleren. De Graaff komt van Terschelling, waar het altijd stroomt in licht en water. Terwijl de koorstemmen als zonnevlammen uit het roodkoperen orkest oplaaien zet de springvloed op. Vanaf de als ‘Rameau-esque’ betitelde passage op de regel ‘que tout se qui respire loue l’éternel’ beweegt het stuk zich met een langgerekt accelerando en een in de partituur gesuggereerde opstijgende beweging in drie stadia naar het slot toe. Eerst (‘climb and struggle’) in een worsteling met de versnelling, dan ‘at full speed, near lift-off’, ten slotte ‘flying above the darkness beneath’. Gods lof sprint in extase hemelwaarts met massale gewichtloosheid.

Wel wordt duidelijk hoe ongelukkig de covid-gerelateerde koor- en orkestopstellingen uitpakken voor klankbeeld en samenspel. Canellakis had er in de Derde symfonie van Sibelius, die wonderlijk verdwaalde Finse pastorale, voelbaar hinder van. Fraai van klank, stroef van beweging tastend naar een architectuur die zich bij Sibelius niet duurzaam concretiseert, omdat elke beweging op doorreis is. Misschien is het de onwennigheid na maanden zwijgen, maar luisteren wordt een soort akoestisch equivalent van dubbelzien. In de onvoorspelbare akoestiek van een grotendeels lege zaal klinkt alles zwemmerig. Zeker complexe, gelaagde werken als De Graaffs Cymbales komen zo gehavend uit de strijd.

Les cymbales sonores, terug te luisteren via nporadio4.nl