‘Vol majesteijt’

Het Rijksmuseum in Amsterdam bereidt een grote tentoonstelling voor over slavernij en slavenhandel. Ik voorspel dat dan ook de vraag aan de orde komt hoe normaal of toelaatbaar deze praktijken eertijds in Nederland werden gevonden, en daarbij kan de vervloeking die Bredero in 1615 uitsprak niet buiten beschouwing blijven:

Onmenschelyck ghebruyck! Godlóóse schelmery!
Datmen de menschen vent, tot paartsche slaverny!
Hier zynder oock in stadt, die sulcken handel dryven,
In Farnabock: maar ’tsal Godt niet verhoolen blyven.

De veroordeling van de slavernij als onmenselijk en goddeloos, niet alleen in Pernambuco (Farnabock) waar de Portugezen slaven haalden, maar ook in Amsterdam waar men mensen als paarden verhandelde, komt uit Bredero’s blijspel Moortje. Het citaat is – ook door mij – herhaaldelijk aangevoerd als getuigenis van de ook toen bestaande afkeer van slavernij en als tegenwicht aan het argument dat zulke misdaden nu eenmaal ‘naar de normen van die tijd’ als normale, verdedigbare handel bezien werden.

Het is tegen deze goedpraterij dat historicus J.M. Postma in zijn studie The Dutch in the Atlantic Slave Trade 1600-1815 de morele veroordeling door Bredero in stelling bracht: ‘Inhumane custom! Godless rascality! That people are being sold, like horselike slavery. In this city there are also those, who engage in that trade. In Farnabock, but God will know.’

Treurig toch, dat Bredero’s gedichten en theaterstukken zich noch in hedendaags Nederlands noch in het Engels laten vertalen zonder problemen met ritme en rijm, tenzij door dichters van een met Bredero vergelijkbaar kaliber, die zich voor deze taak nog nooit hebben aangediend.

Morele en sociale oordelen golden niet alleen binnen de toneelwerkelijkheid

Het citaat uit Moortje is onderwerp geweest van veel literair-historisch debat, waar Adriaan van Dis en vooral neerlandicus prof. Eddy Grootes zich in geweerd hebben. Grootes zette vraagtekens bij de kwestie of Bredero zijn toneelpersonages als spreekbuis gebruikte om zijn eigen standpunten aan het publiek te presenteren. Hij betwijfelde dat, omdat uitspraken van fictieve personages niet aan de auteur kunnen worden toegeschreven. Aan de andere kant golden indertijd conventies die de toeschouwers en lezers duidelijk maakten dat morele en sociale oordelen niet alleen binnen de toneelwerkelijkheid golden, maar ook bedoeld waren om stelling te nemen.

Ik was benieuwd hoe René van Stipriaan in zijn biografie De hartenjager, verschenen bij de herdenking van Bredero’s vierhonderdste sterfjaar, over deze kwestie oordeelt. Fulmineert Bredero zelf in Moortje tegen de slavenhandel of toont de uitbarsting alleen maar de hypocrisie aan van het personage Ritsart, een dubbelzinnige figuur die zelf niet wars is van vrouwenhandel. De biograaf laat het enigszins in het midden. Moortje is in zijn analyse een spel over de invloed op het menselijk gemoed van hartstochten die het verstand benevelen: ‘Moortje is vooral een spel van wanen, vergissingen en bedriegerij. Iedereen blijkt speelbal van zijn eigen begeerten.’ De dubbelzinnigheid neemt volgens mij niet weg dat Bredero aansloot bij een door zijn publiek algemeen gedeelde morele veroordeling. De calvinisten waren nog niet zo ver dat zij in de bijbel een rechtvaardiging wisten te ontdekken om de slavenhandel in overeenstemming met hun leer te brengen.

Van Stipriaan is in de biografie stelliger over Bredero’s eigen stellingname in andere kwesties: economische vluchtelingen, veroordeling van woeker en speculatie, tolerantie in de geest van Erasmus en Coornhert. Over de Spaanschen Brabander is, meer nog dan over Moortje, het nodige gepalaverd. Is de strekking ervan kritiek op de immigratiestroom waar Amsterdam begin zeventiende eeuw mee werd geconfronteerd en waar buitenlandse nietsnutten van profiteerden? Of draait het om een humoristische ontmanteling van de mythe over de aloude eenvoud en trouw van de Amsterdammers, terwijl het in de tijd dat het stuk speelt nog een achterlijke bende was? In zijn briljante interpretaties neigt de biograaf naar het laatste.

Hoe kan een moeilijk ontcijferbare en nauwelijks meer speelbare auteur vandaag de dag nog zo’n grote betekenis hebben? Dat is de vraag die Van Stipriaan beantwoordt en waar het ook om hoort te draaien. In de publiciteit over De hartenjager is er veel aandacht voor de veronderstelling dat Bredero zelf een eind aan zijn leven heeft gemaakt. Hij was in een diepe depressie beland nadat zijn aanbeden Magdalena Stockmans had gekozen voor een huwelijk met een rijke koopman. Hij walgde van een wereld waarin alles op geld waardeerbaar is, zoals spreekt uit het aangrijpende gedicht aan Magdalena: Oogen vol majesteijt. Een wereld waarin hij zijn liefde verdrongen zag worden door een geldverhouding. Een wereld zelfs waarin geld de enige calculus is geworden, die élke menselijke verhouding meetbaar maakt, de enige maat voor geluk.

We weten nog steeds meer niet dan wel over Bredero. Wat we weten is dat hij schreef in de geest van Erasmus. Hij was Amstelredammer (niet: Hollander, laat staan Nederlander), maar ook en vooral kosmopoliet, door Van Stipriaan bewonderd, vereerd en op waarde geschat.

Dit was de laatste column van Elsbeth Etty op deze plaats