POPMUZIEK: Relifolk

Vol overtuiging

‘What would people think when they hear that I’m a Jesus freak?’ vroeg de zanger van de Amerikaanse band dc Talk zich af op zijn enige mainstreamhit uit 1995. De groep positioneerde zichzelf sterk als ‘christelijk’ en bereikte daarmee vooral in die hoek een aardig groot publiek.

Ze wonnen in tien jaar zelfs vier Grammy Awards in de categorie ‘Rock Gospel’. Wie in het Westen zijn geloofsovertuiging meer als inspiratie dan als marketing gebruikt kan ook op langere termijn bekend of beroemd worden in de wereld van de ‘seculiere’ popmuziek.

Eugene Edwards van Wovenhand (gevouwen handen) trekt bijvoorbeeld al sinds rootsrockband 16 Horsepower (1992) de aandacht van een vrij breed publiek. Met een donkere mix van countryblues, folk en bluegrass en met strenge teksten die royaal putten uit het Oude Testament. Na bijna twintig jaar is de populariteit van Edwards geslonken, maar een naam in de alternatieve muziek is hij nog steeds. De dreiging in de muziek en de in kleine verhalen verpakte evangelische boodschap maken Wovenhands laatste plaat The Laughing Stalk opnieuw spannend voor de luisteraar. Op zijn smalle weg maakt Edwards zelfs een zijstap, want hij verruilt de traditionele aanpak met banjo, contrabas en akoestische gitaar deels voor een steviger insteek, met opvallende invloeden van hardrock en stemmige new wave. Een aangename verandering naar een groter geluid. Zo galmt het onheil je op Long Horn intrigerend tegemoet. Edwards begeleidt passend: ‘You don’t know me from Adam, down here in the lamplight, both of us are filthy… yeah and that’s just light.’ Joy Division-cover Closer laat nog eens horen hoe dicht de beklemmende sfeer van die band eigenlijk bij Edwards staat. De staccato-riffs van King o King zijn even rauw als energiek en het thema is vertrouwd: de mens is zondig en slechts boetedoening biedt verlossing. ‘The People… a vain thing’, concludeert hij weer eens treurig.

Het Britse viertal Mumford Sons (geen familieband, geen aannemersbedrijf) blijkt op zijn nieuwe plaat Babel ook nog steeds bezield door het geloof, maar wel met een heel ander uitgangspunt. God is liefde, is de naar eigen zeggen meer spirituele benadering van zanger en tekstschrijver Mark Mumford. Hij verkondigt en zoekt de liefde op bijna alle nummers. I know my weakness, I know my voice, but I believe in grace and choice, klinkt het luid gepassioneerd op opener Babel. Die overtuiging blijft overal aanwezig. Op hoogtepunt Below My Feet klinkt hij dankbaar en nederig: ‘Keep my eyes to serve, my hands to learn.’ Het is wat hij met de band voor de hele plaat wat braaf maar goed heeft gedaan. Succesvolle elementen van prijs­debuut Sigh No More (2009) zijn verder uitgewerkt en slim toegepast: de handige opbouw naar een climax, de mooie samenzang en de slimme hard/zacht-dynamiek. Net als bij Wovenhand zijn de liedjes groter gemaakt, breder opgezet en zo straks prima geschikt voor de grote stadions en concertzalen die Mumford Sons staan te wachten. Wel klinkt het hier en daar te veel hetzelfde of overdadig. Zo is het op single I Will Wait niet de enige keer dat de banjo’s je neurotisch om de oren vliegen of wordt bij Lovers Eyes wel erg dramatisch op de melancholie gespeeld. Juist bij iets meer ingetogenheid zoals op Lovers of the Light of Not with Haste hoor je hoe goed de band als liedjesmaker is. Ongetwijfeld dat ze met Babel veel nieuwe zieltjes winnen.


Mumford & Sons, Babel, label: Cooperative/V2; Wovenhand, The Laughing Stalk, label: Glitterhouse/Munich