Vol Wolcken

Waar Nederland dramatisch gebergte ontbeert, zorgen bij ons weer en wind en natuurlijk wolken voor een eigen meeslepende levendigheid. Zoals bij Philips Koninck.

De linkerhelft van het schilderij Ingang van het bos van Philips Koninck is een laag en verreikend landschap met de bochten van een rivier. De bewegingen van het glanzende water ritmeren het lage land, van voor naar achter, in passages. Karel van Mander, in het leerdicht Den grondt der edel vry schilder-const waarmee het Schilder-boeck (1604) begint, gebruikt daar het mooie woord gronden voor en, raadt hij de schilderjeugd, die moet je (in de opbouw van het schilderij) soo van d’een in d’ander laten strijcken/ Ghelijck ofter swierende aders cropen. De rivier kronkelt door het land en geeft het verschiet – maar heel geleidelijk en zo steels sluipend als een kruipende adder is het gras. Maar deze vergelijking van onze meester-schrijver, in de Nederlandse taal, over kunst citeer ik ook omdat in alleen al die ene spitsvondige zinsnede te lezen valt, en te bevroeden, dat het bij het schilderen van landschappen in hoofdzaak niet ging om topografische karakteristieken. Natuurlijk kwamen die er ook bij kijken. Kijk, daar ligt Haarlem bij de duinen, of ook: daar tussen de bomen is de toren van onze dorpskerk. Dat was zeker ook een aantrekkelijkheid waardoor op de vrije kunstmarkt van de zeventiende-eeuwse Republiek zulke schilderijen beter verkocht konden worden.

In de fantasievolle manier waarop Van Mander in het hoofdstuk Van het Landtschap over dat genre schrijft proef je dat het eigenlijk gaat om een mise-en-scène, of om een opbouw en vervlechting van landschappelijke motieven die het oog in het beeld moeten trekken, waar het dan kan ronddwalen als een wandelaar. Want de rechterhelft van Konincks schilderij wordt in beslag genomen door een groepering weelderige bomen – eiken, denk ik, aan hun gebladerte en ook de stevigheid van de stammen te zien. Daar zien we vanuit het schemerige, bruine licht tussen de stammen een zandweg, daar ook een paar koeien die door de boer gedreven voortsjokken. Uit het bos te voorschijn komend vangt de eerste, witgevlekte koe het helderder licht daar. Er staat, rechts van het pad, ook een jongetje te gebaren om ervoor te zorgen dat de koeien rechtdoor lopen. Dit is het enige wat er aan trage beweging gaande is; we kunnen het schilderij beter ‘uitgang van het bos’ noemen.

Maar over zulke anekdotes gaat het niet echt. Want uit het bos komend, kom je in een andere atmosfeer van licht terecht. Die is het ware onderwerp. Het schilderij is een vertoning van het zomerlicht van een waterrijk laagland met tussen groene bosschages heel het Hollandse repertoire van boerderijen, kerktorens en windmolens. In het midden, waar de rivier zich splitst en breed is, zien we in het rustige, gladde water de helderheid van de lucht weerspiegeld, het bleke blauw en de witte wolken. In de compositie raakt die helderste plek glanzend water onmiddellijk aan die plek waar het onder de eikenbomen het donkerst is. Daar, waar het grijswitte water en de donkerbruine bosgrond in elkaar samenkomen, ligt het atmosferische geheim van dit ontroerende landschap.

Wat volgens Van Mander de schilders ook met verve moesten leren uitdrukken waren sneeuw, hagel en regenvlagen, ijzel, rijp en smoorende misten droevich – als men de winter in zijn grijze schraalheid wil schilderen. In Holland wordt het landschap bepaald door veranderlijke weersomstandigheden. Waar ons land dramatisch gebergte ontbeert, zorgen bij ons weer en wind en natuurlijk wolken voor een eigen meeslepende levendigheid. In de Grondt wordt er ook nadrukkelijk aan herinnerd dat, volgens buitenlanders (dus Italianen) onze schilders geen mooi weer kunnen schilderen maar altijd grijzige vergezichten met de Locht altijt buyich en vol wolcken. Dat is zo omdat schilders de dingen altijd op de manier schilderen die hun visueel het meest vertrouwd is. Met dit schilderij heeft Philips Koninck een beeld gearrangeerd van, zou ik zeggen, een lome, Noord-Europese zomerdag, zorgvuldig opgebouwd met een buitengewoon alert oog voor het deinen van warm en bijna roerloos licht. Dat licht is nog doortrokken van de late zon over het lage land. Er drijven witte wolken – die dan, naar rechts, wegglijden achter de overdadige, bruingroene boomkruinen. Tegelijkertijd vormen die ook een soort hoog gewelf; ze geven, tussen de stammen, de ruimte van het bos haar diffuse, donkere schemer. Meer is het niet, maar in de modulatie van licht en kleur is het landschap onuitputtelijk.


PS Het schilderij van Philips Koninck dat ik maar Bosrand en vergezicht noem, hangt in het Rijksmuseum. Voor de meesterlijke tekst van Van Mander: Karel van Mander, Den grondt der edel vry schilder-const, uitgegeven met vertaling en commentaar door Hessel Miedema, Utrecht: Haentjes Dekker Gumbert, 1973