Volendam houdt niet van ‘freumd'n leu’

Een zompig dorp, tijdens de reformatie de moeite van het hervormen niet waard. In 1874 werd het alsnog door de grote wereld ontdekt. Sindsdien is er in Volendam veel veranderd, maar zuipen en ‘op kermis gaan’ doet men er nog als vanouds.

‘IK MOT SPEIGE’, mompelt een jongen van een jaar of twaalf voor een van de dertig kroegen op de dijk. Hij laat zijn zak friet vallen en kotst wat hij al op heeft voor de voeten van zijn twee vriendjes, die er wat bedremmeld naar staan te kijken. Een van hen heeft een reusachtige, met lucht gevulde hamer in zijn hand, waar hij zwakjes mee rondzwaait. Alledrie dragen ze plastic vikinghelmen.
Binnen staan driehonderd als sardines opeengepakte mensen heen er weer te wiegen, terwijl tweehonderd kelen een hit van Piet Veerman meebrullen, 'Sailing Home’. De andere honderd nemen net een slok bier. Alle aanwezigen lijken op elkaar, de mannen in spijkerbroek en een wild bedrukt overhemd, de vrouwen in jaren-tachtigdiscokleren. Men gaat volledig in elkaar op. Gedurende de vier dagen die de kermis duurt, lijkt - voor zover ze het nog niet waren - iedereen in Volendam familie van elkaar.
'WE HEBBEN EEN prachtig leven hier’, vertelt psycholoog Jaap Schilder bij een pilsje. 'Volendammers zijn van oudsher groepsdieren die niets liever doen dan met z'n allen drinken, feesten en verbroederen. Eenzaamheid bestaat hier nauwelijks. Door de grote families en het bloeiende verenigingsleven zit elke Volendammer als een spin in een enorm web van relaties. Tegelijkertijd betekent het dat de gemiddelde Volendammer niet zo diep nadenkt over zichzelf, maar zich laat leiden en dragen door de gemeenschappelijke cultuur: hard werken, goed feesten en je conformeren aan de Volendamse volksziel van “doe maar gewoon dan doe al je gek genoeg”.’
Alles van buiten het dorp wordt in het voor buitenstaanders vrijwel onverstaanbare dialect argwanend aangeduid met 'freumd'n leu’, een taalgrapje dat zowel 'vreemde lui’ betekent als 'vreemd en lui’. Schilder: 'Een nadeel van onze cultuur is wel dat Volendammers zich buiten hun dorp meestal nogal verloren voelen. Vandaar dus dat we met elkaar trouwen en hier koste wat kost willen blijven wonen. Dan ben je tenminste zeker van de drie Volendamse zekerheden: dat je leeft, dat je sterft en dat je begraven wordt in Volendam.’
Die zelfbewuste cultuur is te verklaren uit de marginale geschiedenis van het dorp. Eeuwenlang leidden de Volendammers een hard en schraal vissersbestaan, geisoleerd van de buitenwereld in een zompig moeras, onder de constante dreiging van een watersnood. Een miezerig dorpje dat tijdens de reformatie niet eens de moeite van het hervormen waard werd bevonden en een trotse katholieke enclave bleef in het protestantse Waterland.
MISSCHIEN ZOU Volendam nog steeds dat fiere en afgezonderde dorpje zijn geweest, als de Franse kunsthistoricus Henry Havard het in 1874 niet had bezocht. Havard stootte Volendam op in de vaart der volkeren door het in een van zijn boeken in lyrische termen te beschrijven als de ideale plaats om het onbedorven Nederland te schilderen. Het leidde ertoe dat het dorp een van de allereerste internationale kunstkolonies werd. De later over de hele wereld verspreide doeken van Franse, Duitse en Engelse romantische schilders zorgden ervoor dat de halve wereld nu nog denkt dat Nederlanders in pofbroek en op klompen rondlopen, een stenen pijpje tussen de tanden.
Vervolgens kwamen met de naoorlogse stroom massatoeristen de buitenwereld en de welvaart eindelijk naar Volendam. Maar hoewel het dorp in snel tempo uitdijde, bleef de aard van Volendam hetzelfde. Tijdens de kermis worden de oude veten tijdelijk begraven. Liefdes worden geboren, terwijl anderen sterven. Gevochten wordt er nog steeds nauwelijks, liever slaat men elkaar met plastic objecten op het hoofd.
En toch lijkt de kermis langzaam te veranderen. Steeds meer mensen gaan apart of in kleine groepjes de kermis op en vooral onder de jonge Volendammers lijken er meer spanningen te zijn. 'Vroeger was het leuker, saamhoriger’, zegt dan ook vrijwel iedereen.
Jaap Schilder legt de schuld bij de 'freumd'n leu’ die elk jaar in steeds groteren getale op de kermis afkomen. 'Die mensen van buiten kunnen gewoon niet feestvieren zoals de Volendammers. Je ziet ze vaak alleen een beetje tegen een muurtje hangen, waar ze de boel cynisch staan te bekijken. Zo verpesten ze de sfeer, vooral voor onze kinderen.’
VOLGENS DE 21-JARIGE Pauline hebben de spanningen echter een andere oorzaak: 'Het dorp wordt gewoon te groot. We zijn nu al met zijn zestienduizenden! Het oude gemeenschapsgevoel, gebaseerd op het feit dat iedereen elkaar kende, is langzaam aan het verdwijnen. Vooral de jongeren kennen elkaar niet zo goed meer en splitsen zich op in kleinere groepen met een eigen groepscultuurtje, dat harder is dan vroeger. Een beetje de grote-stadsmentaliteit. Ook is het drugsgebruik hier een probleem aan het worden. Vooral als je in het verkeerde groepje zit, is de sociale druk om hieraan mee te doen erg groot.’
Uit de jongerencafes aan de dijk drijven inderdaad soms flinke hasjdampen en er is bij de toiletten volop XTC te krijgen. Veel alarmerender is dat een groepje Amsterdamse Surinamers op een parkeerplaats 'wit’ en 'bruin’ staat te verkopen, hoewel ze daar niet al te veel succes mee lijken te hebben. Volendamse jongeren gaan zich toch hoofdzakelijk te buiten aan enorme hoeveelheden bier.
Maar ook de alcohol heeft zo zijn problematische kanten. Drie jaar geleden luidde wethouder Veerman-Tol van welzijnszaken al de noodklok over het sterk stijgende drankmisbruik onder jongeren, die zich volgens haar voornamelijk bezig houden met rondhangen en zuipen. Een half jaar later constateerde het rapport Jongeren in de kou inderdaad dat het gemiddelde alcoholgebruik van kinderen van twaalf tot vijftien jaar al op acht consumpties per dag stond, het niveau van een alcoholist. Voorts zou er sprake zijn van een toenemend aantal gevallen van vandalisme en het vroegtijdig afbreken van schoolopleidingen.
Het rapport legde de schuld bij de Volendamse levensstijl: die zou materialistisch, cultuurarm en drankzuchtig zijn. Veel ouders zouden het niet nodig vinden om in te grijpen als hun kinderen te veel drinken; dat deden zij immers zelf vroeger ook. Daarbij is het een oud Volendams principe om de schijn op te houden dat het met iedereen goed gaat, samengevat in het spreekwoord: 'Zolang het huis schoon blijft, klagen de moeders niet.’
EEN VEELGEHOORDE reactie op het rapport is dat Volendammers misschien wel een hoop kunnen drinken en niet zo hard willen leren, maar dat ze daarnaast ook heel erg hard kunnen werken. Inderdaad is er zo goed als geen werkloosheid en is Volendam tevens een van de rijkste dorpen van Nederland. Veel Volendammers hebben twee banen en het eigen huizenbezit bijvoorbeeld ligt boven de negentig procent. Verder is het zo dat de meeste jongeren, zodra ze een hypotheek hebben, opeens een stuk zuiniger en matiger worden.
Het grootste probleem van Volendam is misschien wel dat al haar beschikbare ruimte inmiddels zo goed als volgebouwd is. Daarnaast is het dorp sinds de nieuwe woonwet die een half jaar geleden van kracht werd, verplicht om alle nieuwe woningen te verkopen op de vrije markt, waardoor er steeds minder ruimte zal zijn voor de nog altijd snel groeiende groep jonge Volendammers en steeds meer voor de 'jassen’, de wat wantrouwig bekeken immigranten van buiten het dorp. Volendam is simpelweg uit haar oude, traditionele voegen gegroeid en haar toekomst lijkt te liggen in emigratie en langzame integratie met de rest van Nederland.
Het is een ontwikkeling die door de wat oudere Volendammers met enig angst en beven tegemoet wordt gezien. Kleuterleidster Eef Bond ziet nog wel een oplossing in het beroemde Volendamse solidariteitsgevoel: 'We kunnen onze kinderen toch gewoon opbergen in de woningen die er al zijn. Als we nou eens allemaal onze vlieringen zouden verbouwen tot woonruimtes! Verder moeten we er goed op letten dat de huizen van Volendammers die doodgaan in Volendamse handen blijven.’
Maar ook de Volendamse doden vreten ruimte. Binnenkort gaan voor de zoveelste keer weer een paar huizen tegen de vlakte omdat de begraafplaats moet worden uitgebreid. Want ondanks verwoede campagnes van de gemeente om het crematiecijfer op te krikken, is nog niemand afgeweken van de Volendamse traditie om begraven te worden. 'Op zaterdag is het hier net de Kalverstraat, dan gaan ze met z'n allen de graven bezoeken’, vertelt kerkmeester Woerlee. 'Die typisch Volendamse gezelligheid, dat wil men niet kwijt.’