Hoofdcommentaar

Volg het konijn!

De uitspraak van het Haags Gerechtshof inzake de Hofstadgroep is als het slot van Alice’s Adventures in Wonderland. Alice bevindt zich in een merkwaardige rechtszaak. Ze neemt een hapje paddestoel, waardoor ze begint te groeien. Ze stoot per ongeluk de complete jury omver. De tirannieke Hartenkoningin wil vervolgens iedereen en alles de doodstraf geven, maar dan waait het hele hof als een kaartspel uit elkaar, alles verandert in dode bladeren, en Alice wordt wakker. Er was geen hof, geen doodstraf, geen koningin. Er was ook geen beklaagde. Er is alleen de herinnering aan een paniekerig konijn, met wit haar.

De uitspraak van het Hof zet de Nederlander met beide benen op de grond. Er is geen Hofstadgroep. Er was geen terroristisch oogmerk. Het gooien van de handgranaat in de Antheunisstraat was een poging tot moord, maar geen terroristische daad.

De twijfel aan het terroristisch gehalte van de ‘groep’ bestond al bij de behandeling van de zaak door de rechtbank. De verdediging, maar ook de officier, Plooy, was er eerlijk over: ‘Er ís eigenlijk geen Hofstadgroep.’ De naam was ontstaan op de tekentafels van de AIVD, gebaseerd op een ambtsbericht waarvan de inhoud vertrouwelijk was – en bleef. Niettemin bouwde Plooy op basis van die houtskoolschets een groot bouwwerk. Een organisatie van radicale moslims, die regelmatig contact hadden, geleid door een fanatieke Syrische imam en een halve encyclopedie van geschriften en websites, dreigend met aanslagen om het werk van parlement en regering te ontwrichten.

Niet zo, zei het Hof. Het gebruik van de term Hofstadgroep deed vermoeden dat hier meer gaande was dan een groepje vrienden die af en toe bij Mohammed B. op de thee kwamen, maar dat vermoeden sneed geen hout. Er was geen organisatie, geen leiding, geen groep. De consequenties liegen er niet om. Vijf maal vrijspraak, twee veroordelingen wegens verboden wapenbezit. Twee leden van het gezelschap waren vanwege het ‘terroristisch oogmerk’ in 2006 nog veroordeeld tot achttien en vijftien jaar cel. Dat werd nu: vijftien jaar, en vijftien maanden.

Hier blijkt de Nederlandse rechtspraak robuuster dan misschien wel eens gedacht: het Hof hield het hoofd koel. Het lezen van fanatieke websites, het rondhangen in gezelschap van een radicale imam en het uitslaan van rare taal maakt iemand nog niet tot terrorist, evenmin als het bezit van een penis iemand automatisch tot verkrachter maakt. Het enkele bezit van een handgranaat maakt iemand tot crimineel, zeker, maar niet automatisch tot staatsvijand. De inflatie van het woord ‘terrorisme’ is door de uitspraak niet tot staan gebracht – voor Geert Wilders is elke crimineel van Marokkaanse herkomst per definitie een ‘terrorist’ – maar wel een slag toegebracht. En: het Hof stelde nog maar eens vast dat het hebben van ideeën, het lezen van boeken en het uitkraaien van onzin niet zomaar mag worden opgevat als bedreiging in strafrechtelijke zin. Het einde op het verbod op Mein Kampf komt daarmee ook in zicht.

Natuurlijk betekent de uitspraak niet dat er geen terroristische dreiging bestaat. De moord op Van Gogh wás een terreurdaad, en zo’n daad zal zich nog een keer voordoen, daar kunnen we donder op zeggen. Natuurlijk heeft de dreiging alléén al een negatieve invloed op de samenleving en het politieke bestel. De beperkingen die Geert Wilders in zijn dagelijks leven ondervindt zijn onacceptabel – en de voeding die die situatie aan zijn woede geeft, is navoelbaar. En natuurlijk is er ook reden om te zien of de juridische gereedschapskist voldoende gevuld is. Het begrip ‘organisatie’ heeft in het internettijdperk een ander karakter dan vroeger, en hetzelfde geldt voor ‘aanzetten tot haat’.

En toch: wij moeten niet banger zijn dan nodig. Er is evenveel reden om toe te zien op de praktijken van de Tawheed-moskee in Amsterdam als op de praktijken van de ‘motorclub’ Hells Angels, die hun onderlinge conflicten zo harmonisch oplossen, of de ‘supporters’ van voetbalclubs, die zo handig zijn met de kogelbrief en onder wier bezielend optimisme nu ook het vrouwenvoetbal een risicosport is geworden. Allemaal hebben zij in meerdere of mindere mate de potentie de samenleving te ontwrichten; tegen allemaal kan worden opgetreden zonder meteen de stormvlag van het terreuralarm te hijsen.

Met bange mensen is het kwaad kersen eten. Ze zien overal witte konijnen. Zij hebben geen boodschap aan de redenering van een gerechtshof, ook al komt die redenering op de nuchtere waarheid uit. Er schuilt een risico in de bereidwilligheid van politici en publicisten om toe te geven aan de – ongefundeerde – nervositeit van hun electoraat of hun lezers. Het is dan gemakkelijk gezegd dat het vonnis ‘onvoldoende helder is naar de samenleving toe’, alsof angst in de samenleving hoe dan ook tot een kranige veroordeling moet leiden. Dat is de logica van het heksenproces.

Je hoort nu eenmaal niet graag dat het monster onder je bed niet bestaat – Beware the Jabberwock, my son! The jaws that bite, the claws that catch! Je raakt aan dat soort spanning maar al te gemakkelijk verslaafd.