Tussen Ethiopië en Israël

‘Volgend jaar in Jeruzalem’

De ‘reddingsoperatie’ van de Falasha, Ethiopische joden, is al decennia een pijnlijke geschiedenis. Hoe vergaat het de circa vijftienduizend joden die in Ethiopië nog steeds wachten op een visum? Hoe rooien zij het die al in Israël wonen?

OVER DE AFKOMST van Ethiopische joden zijn onderzoekers het nog steeds oneens. Zeker is dat zij al heel lang in geïsoleerde dorpen in het noorden van Ethiopië woonden en dat ze dachten de enige joden op de wereld te zijn. Na eeuwenlange strijd eiste de keizer in de vijftiende eeuw dat de joden zich tot het christendom bekeerden. Toen ze weigerden werden ze uit de gemeenschap gestoten en verloren hun recht op land. Sindsdien werden ze Falasha - uitschot, zwervers - genoemd. Als pachters moesten ze werken voor landheren. Om hun schamele inkomsten aan te vullen, gingen ze pottenbakken, weven en smeden. Van oudsher koesterden ze de hoop naar Jeruzalem terug te gaan, naar het Beloofde Land.
Midden jaren tachtig, op de vlucht voor hongersnood en burgeroorlog, kwamen duizenden Falasha-immigranten via geheim gehouden vluchten onder de wet op terugkeer vanuit Soedan in Israël aan. In 1991 kwamen er nog eens vijftienduizend bij. De Falasha Mura - Falasha die onder druk tot het christendom waren bekeerd - bleven achter. Toch verlieten ook zij hun dorpen, in de hoop naar Israël te emigreren. De Israëlische overheid trok hun joodsheid in twijfel en liet hen mondjesmaat toe tot ze in 2008 de immigratie afsloot. Onder sterke druk komt de afgelopen maanden de uittocht weer op gang.
Het noorden van Ethiopië is het oorspronkelijke leefgebied van de Falasha. Zij zijn uit hun dorpen vertrokken. Er wonen nu christenen en Falasha Mura. In een gehucht met lemen hutten en zonder enige voorziening spreek ik Tegabie, een Falasha Mura. Waarom zijn zijn ouders christenen geworden? Tegabie: ‘Als zij land bewerkten, moesten ze de eerste oogst aan de landeigenaar afstaan. Als ze klei nodig hadden voor het pottenbakken, moesten ze het duur van hen kopen. Ze werden honds behandeld en ervan beschuldigd het boze oog te hebben. Begin twintigste eeuw, met de komst van missionarissen, werd opnieuw sterke druk op hen uitgeoefend om zich te bekeren tot het christendom. Ze gingen overstag om een sociaal leven te krijgen, om te kunnen trouwen met andere Ethiopiërs, om te kunnen boeren.’
Vijftien jaar geleden bekeerden veel Falasha Mura zich opnieuw: nu van christen tot jood omdat ze zich wilden voegen bij hun familieleden die eerder naar Israël waren gegaan. 'We voelen ons joods in hart en nieren’, zegt Tegabie.
Falasha Mura behoren tot uiteengevallen families: ouders, kinderen en kleinkinderen wonen in Israël. Een oude vrouw toont me het portret van haar zoon in Israël: 'Na het zien van mijn familie kan ik rustig sterven.’ Ethiopiërs omarmen verwantschapsnetwerken. Wie geïsoleerd is van zijn familie, zonder steun bij tegenslag, zal het niet redden.
Hoe kan het, vraag ik een jonge vrouw, dat haar moeder vijf van haar zes kinderen mee kon nemen en haar moest achterlaten? 'Ik was al volwassen, daarom stonden we apart geregistreerd. Mijn moeder mocht alleen de vijf jongsten meenemen. Haar werd beloofd dat ik snel na zou reizen.’ Niemand heeft een idee wat hun in Israël te wachten staat. 'Als onze familieleden bellen, huilen we alleen maar en vragen we om geld te sturen.’
De meeste Falasha Mura wonen niet meer in hun dorp, maar zijn vertrokken naar Gonder. Hier zijn ze een stap dichter bij Israël. Ze wachten al meer dan tien jaar op een visum. 8700 voldoen aan alle criteria om herenigd te worden met hun familie. 3300 andere aanvragen zijn vrijwel goedgekeurd. Van de ngo North American Conference on Ethiopian Jewry krijgen ze religieus onderwijs. Ze richten zich volledig op Israël, bezoeken trouw de synagoge en leven de sabbat strikt na. Nu zij het recht claimen naar Israël te gaan op basis van verwantschap staat er veel op het spel. Er is geen weg terug, Ethiopië heeft hun niets te bieden. Of zoals een van hen zegt: 'De joodse religie is voor ons een manier om te overleven. Een wanhoopsstrategie.’
Ook al zijn er volgens de Jewish Agency in Jeruzalem alleen Falasha Mura in Ethiopië, toch zijn er ook nog Falasha achtergebleven. Zoals Werkie (27 jaar), die uit het Simiengebergte komt. Toen in 1984 vrijwel alle bewoners de slopende voettocht ondernamen naar Soedan en van daaruit naar Israël vertrokken, bleef haar moeder die hoogzwanger was en geen kracht had, met haar kinderen achter. Christenen uit buurdorpen confisqueerden de verlaten hutten en het vee. 'Wij leefden geïsoleerd van de christenen, zij meden ons. Toen ik groter werd, wilde niemand met me trouwen. Ik vertrok en trouwde een christen die van verder kwam. Ik verzweeg mijn afkomst. Zeven jaar geleden werd mijn moeder door de Israëlische overheid gevraagd alsnog naar Israël te gaan. Haar broers en zussen hadden een verzoek ingediend. Zij hadden de tocht naar Soedan overleefd en waren in 1985 in Israël aangekomen. Mijn moeder was niet blij met de uitnodiging, ze had zich neergelegd bij het onvermijdelijke, de discriminatie. Ze wilde niet zonder haar kinderen weggaan. Op de Israëlische ambassade beloofde men dat haar kinderen binnenkort naar Israël zouden gaan. Wij, de kinderen, hebben haar ervan overtuigd dat het deuren voor ons zou openen. Ze is uiteindelijk gegaan. Mijn moeder ligt alleen nog maar in bed. Ik wil naar Israël om voor haar te zorgen.’
Werkie wacht sinds een paar jaar in Gonder. Ze neemt me mee naar haar kamer. De krotten die de Falasha Mura aan de rand van de stad huren, lijken veel op een vluchtelingenkamp. Haar buurvrouw geeft een afscheidsfeestje. Morgen gaan zij en haar gezin met 120 anderen naar de Israëlische ambassade in Addis. In afwachting van de reis naar Israël.

NIET ALLEEN in Gonder, ook in de hoofdstad Addis Abeba wachten duizenden Falasha Mura - soms al sinds 1991 - op een visum. Om de druk op te voeren, huren ze krotten nabij de Israëlische ambassade.
Toen ze nog in hun dorp woonden, kregen ze van een religieuze groep een brief waarin veel moois over Israël stond. Er waren ook ngo’s die hun aanspoorden naar Addis te komen: ze zouden onderwijs, religieuze scholing, voeding en medische zorg krijgen. Ten slotte drongen familieleden erop aan naar Israël te komen.
Een paar jaar geleden zijn de hulpverleners vertrokken en zijn de Falasha Mura afhankelijk geworden van remittances uit Israël. 'We hebben alles achtergelaten, we kunnen geen kant op. Iedereen, behalve God, is ons vergeten. God heeft ons naar Jeruzalem, naar het land van onze vaders geroepen, hij wil ons daar verzamelen.’
De Israëlische ambassade jaagt ze weg zodra ze in de buurt komen. Gemeenschapsleider Tilahun zegt dat het zijn taak is de mensen te stimuleren hoop te houden op een uitweg. 'Die hoop komt uit Israël waar rabbi’s, wetenschappers en families demonstreren.’
Wat verwachten de Falasha Mura van Israël? 'Israël is de hemel! Er is hulp aan ouderen, er is onderwijs. Het is er zoveel beter dan het dagwerk, het bedelen en de prostitutie hier’, zegt een jongere.
Herhaaldelijk probeer ik een reactie van de Israëlische ambassade te krijgen. Na systematisch geen antwoord te hebben gekregen, ga ik ernaartoe. Iemand van de beveiliging zegt off the record dat niemand een interview wil geven. Dat de Falasha Mura een zeer delicaat politiek onderwerp is, dat er ondanks de komst van de bussen met Falasha Mura uit Gonder nog onenigheid binnen de Israëlische regering is over hun immigratie. Dat er veel woede is in de Israëlische gemeenschap over de komst van nog meer Ethiopische joden.

ISRAËL MOEDIGT joodse immigratie, aliyah, aan. Sinds 1948 zijn meer dan drie miljoen immigranten teruggekeerd naar Israël. In naam van de overheid haalt de ngo Keren Hayesod geld binnen om het uitverkoren volk naar het Beloofde Land te brengen.
Immigranten gaan in Israël eerst naar absorptiecentra om Hebreeuws te leren en zich voor te bereiden op integratie in de Israëlische maatschappij. De Ethiopiërs verschillen echter sterk van andere immigranten: vrijwel allen zijn analfabeet en de voorzieningen in het hightech Israël zijn hun compleet vreemd. Absorptiecentrum Mevasseret Zion ligt nabij Jeruzalem in een middenklassewijk. Hier krijgen twaalfhonderd nieuwkomers tien maanden les in Hebreeuws en in het alledaagse leven. Kinderen gaan naar religieuze (kost)scholen. De Jewish Agency is verantwoordelijk voor hun huisvesting en training.
In het absorptiecentrum kondigen zich de eerste problemen aan: huiselijk geweld, echtscheidingen, ontspoorde kinderen. Leon Levitas, manager bij de Jewish Agency: 'Een van de oorzaken is de empowerment van vrouwen. Komend uit een patriarchale cultuur grijpen zij hun kans. Het lukt hun eerder dan hun man om een baan te krijgen als werkster of babysitter, ze oefenen het Hebreeuws in de praktijk en beslissen waaraan ze hun geld besteden.’
Veel mannen zijn werkloos, verliezen hun status en zelfvertrouwen, raken gefrustreerd en gaan drinken. Berhanu, een veertiger, woont al jaren in het absorptiecentrum. Hij is gescheiden van zijn vrouw, die een zelfstandig leven heeft opgebouwd. 'Ik was gewend mijn vrouw te slaan, maar dat pikte ze niet meer. Ze heeft een baan, kleedt zich goed, draagt make-up. Ik vertrouw haar niet meer. Met mijn kinderen heb ik ook problemen. In Ethiopië staan volwassenen binnen een gezin centraal, hier de kinderen. Mijn orders hebben geen enkele waarde meer. Toen ik mijn kind sloeg, belde het de politie en belandde ik een paar dagen in de gevangenis.’ Kinderen pikken het Hebreeuws en de Israëlische levensstijl snel op en vinden hun ouders dom.
Negussie, leraar in het centrum, zegt dat er veel misverstanden zijn door het grote cultuurverschil. 'Laatst stond ik in de bus op voor een oudere vrouw. Vervolgens schold de vrouw me uit! In Ethiopië draait alles om respect. In Israël voel je voortdurend een hoge bloeddruk. Ze laten je nooit uitspreken. Ze zijn narcistisch en ruw. Ik vind het erg moeilijk om me om te vormen tot een zelfingenomen mens. Toen ik hier kwam, dacht ik dat wij uitverkorenen waren, en dat de Israëliërs nog beter waren. Het is een grote teleurstelling.’
Bovendien steekt het dat hun joodsheid - de reden van hun komst - door Israël in twijfel wordt getrokken. Dat kwam flagrant tot uiting in 1996 toen het Bloedschandaal speelde: bij toeval werd ontdekt dat het bloed van Falasha die bloeddonor waren stiekem werd weggegooid omdat het bij voorbaat werd verdacht van hiv-besmetting.
In de bus op de terugweg zegt een Israëliër, wijzend naar een Ethiopiër op straat: 'Ze zijn zo zwart als mijn schoenen. Ze zijn zo primitief als Tarzan, als de Arabieren. Ze zetten hun schoenen in de koelkast, zo dom zijn ze.’

VELEN BLIJVEN niet slechts één jaar, maar jarenlang veilig en wel in het absorptiecentrum. Eenmaal in de maatschappij blijkt driekwart van de ruim 110.000 mensen het niet te rooien. Dat geldt voor de eerste en de tweede generatie. De overheid betaalt 95 procent van de (goedkope) huisvesting en helpt bij het zoeken naar werk. Ondanks mogelijkheden voor bijscholing en vaktraining kiezen de meesten voor een kortetermijnoplossing: ze gaan werken als bewaker of leven van de sociale dienst. Ook onder afgestudeerden is grote werkloosheid: ze dringen niet door in het old boys network van de Israëliërs. Jongeren keren zich af van hun ouders, laten de school erbij zitten en laten zich in met drugs en criminaliteit.
Gemeenschapsleider Abraham: 'Ethiopiërs voelen zich in Ethiopië meer verwant met blanken dan met de rest van Afrika. Pas in Israël worden ze “zwart”. Veel jongeren belanden in een identiteitscrisis en pikken met name de Afro-Amerikaanse levensstijl op, waardoor de kloof met hun ouders nog groter wordt.’
Hoewel veel volwassenen vasthouden aan het joodse geloof blijken anderen hun toevlucht te zoeken tot de orthodoxe kerk of de Pentecostal-gemeenschap. In de zelfverzekerde Israëlische maatschappij zijn ze een sta-in-de-weg. Velen nemen hun toevlucht tot stille sabotage, een strategie die ze al in Ethiopië gebruikten om zich te weren tegen vijandige christelijke buren. Of zoals een Ethiopisch spreekwoord luidt: 'De wijze man buigt laag naar de grote lord en laat zachtjes een scheet.’
Ze vermijden integratie en houden in het 'uitgestelde thuisland’ vast aan het samen koffiedrinken, injera eten en traditionele feesten. Integratie geven ze - tegen een hoge prijs - op. Er is geen weg terug: de ontwikkelingskloof met Ethiopië is ontmoedigend groot. Hun dagelijks leven staat in het teken van wachten op hun familieleden die in Ethiopië zijn achtergebleven.
Gemeenschapsleider Abraham mobiliseert hen voor een demonstratie op Pesach. Tegenover het kantoor van de premier en het ministerie van Absorptie komt een groepje van dertig Ethiopiërs samen. Er is geen publiek. Als er eindelijk een reporter komt, staan ze met hun familiefoto’s voor een tafel met een rituele sedermaaltijd en vragen op bescheiden toon om de pesachbelofte waar te maken: als familie samen Pasen doorbrengen in Jeruzalem. 'Next year in Jerusalem.’

IK GA OP ZOEK naar uitzonderingsgevallen. Ruim drieduizend Ethiopiërs studeren aan een college of universiteit. Al in Ethiopië had hun familie een relatief betere positie, omdat vader bijvoorbeeld geestelijk leider was, of stimuleerden de ouders hun kinderen naar school te gaan. Weer anderen werden, eenmaal in Israël, aangemoedigd door een verre verwant die er al langer woont. Zoals Tsaga Melaku, directeur van Television Channel One. Zij verzorgt uitzendingen in het Hebreeuws en in het Amhaars. 'Je hebt hier alle mogelijkheden. Ik geloof in democratie en onderwijs en in kansen voor vrouwen, iets wat er in Ethiopië totaal niet is. Ik herinner me de discriminatie in Ethiopië maar al te goed. Het is moeilijk om het stereotiepe beeld dat Israël van Afrika heeft te doorbreken. Dat kan alleen door keihard te werken. En door te tonen dat je je Israëlisch voelt én dat je in hart en nieren joods bent.’
Pnina Tamano, journalist bij Channel One, geldt als hét rolmodel op het televisiescherm. Ze was drie jaar toen ze in 1984 in Israël kwam. 'Ik sprak Hebreeuws tegen mijn ouders, terwijl zij Amhaars tegen mij spraken. We communiceerden langs elkaar heen. Mijn moeder heeft me wel altijd gestimuleerd om naar school te gaan. Voordeel is dat ik een Israëlisch temperament heb. Omdat ik goed kon zingen, was ik op school populair. Ik vocht voor mijn rechten en tegen discriminatie: zwart is hier het label voor dom en arm. Als tienjarige vroeg ik de schooldirecteur om korting, omdat mijn ouders de bus niet konden betalen. Als student vocht ik tegen stigmatisering en werd ik woordvoerder van de Ethiopiërs. Zo kwam ik bij de radio terecht.’ Haar doel: invloed hebben in de Knesset.
Steven Kaplan, professor Afrikaanse studies en religie aan de Hebrew University in Jeruzalem: 'Een opvallende ontwikkeling is dat één op de twintig Ethiopiërs - met name vrouwen - buiten de groep trouwt. Geschoolde vrouwen willen niet meer voldoen aan de hoge verwachtingen van een Ethiopische man en schoonmoeder om een goede Ethiopische vrouw te zijn. Deze kans voor vrouwen zou in Ethiopië ondenkbaar zijn geweest.
In 1991 heb ik de Jewish Agency gewaarschuwd om geen onderscheid te maken tussen de Falasha en de Falasha Mura, omdat iedere Ethiopiër die naar Israël komt het probleem van achterblijvende familieleden met zich mee brengt. Verwantschap heeft een morele én een strategische kant, het wordt gedefinieerd en hergedefinieerd en is bovendien cultureel bepaald. In 1984 dachten we dat de Ethiopische joden een relatief kleine goed gedefinieerde groep waren. Maar de grens bleek vloeibaar, waardoor er nog eens 85.000 bij kwamen. Het is te laat om Falasha en Falasha Mura van elkaar te onderscheiden.’
Tamano is het met het Kaplan eens. 'Israël is onze identiteit geworden. Dat geldt voor beide groepen.’
Met de komst van de nieuwe Israëlische regering vorig jaar werd de aliya voor Ethiopiërs heropend. Dit jaar immigreren duizenden Ethiopische joden. Doel van de overheid is om eind dit jaar definitief een punt te zetten achter hun pijnlijke geschiedenis. Kaplan - en met hem vele anderen - gelooft er niets van: 'Er zullen altijd familieleden in Ethiopië blijven die hun recht op immigratie claimen. Ik denk dat niemand meer gelooft dat we een verloren stam redden: we brengen hier mensen naartoe omdat die alles achter zich hebben gelaten en geen andere mogelijkheid meer hebben.’

Dit artikel kwam tot stand met subsidie van het NCDO