Volgens het calvinistische boekje

J.J. Voskuil, Het Bureau 4. Het A.P. Beerta-Instituut, uitg. Van Oorschot, 987 blz., paperback Ÿ 75,-, gebonden Ÿ 105,- ..LE HET STOND AL in de krant v¢¢rdat het boek daadwerkelijk in de winkel lag: de nieuwe Voskuil is uit! Het acht-uurjournaal van vrijdag 23 januari liet de ‘stormloop op de boekhandel’ zien. Radio 1 zond voor dag en dauw een verslag uit van de ‘rij wachtenden’ op de stoep van een bekende hoofdstedelijke boekwinkel. Die winkel had op de etalageruit aangekondigd een half uur eerder open te gaan. Voskuil-verslaafden konden het boek nog voor het begin van hun kantoordag in bezit hebben. Zo kon gebeuren wat Voskuil met zoveel misprijzen in zijn megaroman beschrijft: heel wat ‘kantoorbedienden’, om dat typische Voskuil-woord te gebruiken, deden niet wat ze moesten doen in de baas zijn tijd en waarvoor ze betaald krijgen: ze drukten zich en stortten zich op zijn boek.

Er werd eind januari nogal wat ‘afgevoskuild’. Een week voor het verschijnen van deel vier interviewde NRC Handelsblad de uitgevers van de 5500 bladzijden tellende roman. Op hun sterfbed, zo leerden we daaruit, vragen mensen om inzage in het manuscript van de nog te verschijnen delen: eerst Voskuil uit, dan sterven. De uitgevers kunnen dat verzoek niet honoreren, ze willen hoe dan ook niets verklappen van wat nog komt, behalve misschien dat de legendarische meneer Beerta nog blijft leven tot 1985 - maar ja, dat weet de echte Voskuil-adept allang, want dat is het sterfjaar van P.J. Meertens, de man op wie Beerta is ge‰nt. De uitgevers vertellen wÇl - saillant detail, maar ja, de voskuilogie bestaat uit saillante details - dat Voskuil zijn boek heeft geschreven op de achterkant van papier van zijn kantoor. Daarop staat een schaduwtekst: snippers notulen en verslagen die letterlijk terugkeren in de roman.
Ook de recensenten waren er als de kippen bij. Op de dag van verschijnen stonden grote besprekingen van het boek in de kranten. Binnen twee weken waren er zestienduizend exemplaren verkocht en was een vierde druk in de maak. Let wel, dit was, net als de aankondiging van deel vier, voor veel kranten voorpaginanieuws.
Als je de recensies leest, begrijp je al die ophef niet. Niet dat de kritieken negatief zijn. Helemaal niet zelfs. Je hebt eerder het idee dat een vast legertje critici zich met net zoveel overgave op de nieuwe Voskuil werpt als de 'gewone’ verslaafden. Je begrijpt alle ophef niet als je in de beschouwingen leest dat in het nieuwe deel 'alles als vanouds’ is, dat er 'weinig nieuws onder de zon’ is, dat 'veel vaststaat en voorspelbaar’ is, maar dat de 'variaties eindeloos’ zijn, dat het kortom nog steeds van hetzelfde laken een pak is in Het Bureau.
Inderdaad, je hoeft deel vier maar open te slaan en je belandt wederom in een vergadering van de Commissie, wederom voorgezeten door Kaatje Kater, die dezelfde stopwoorden en -lappen gebruikt als in de delen ÇÇn, twee en drie. 'Ik bedoel maar’, zegt ze graag 'geamuseerd’, en 'ik wil maar zeggen’ en 'enzovoort, enzovoort’. Naaste medewerker Bart Asjes is een even grote muggezifter en scherpslijper als in alle voorafgaande delen. Directeur Balk slaat zoals altijd zijn ene been over zijn andere been om ongeduldig met zijn voet te wiebelen. Er worden van meet af aan weer pijpen gestopt, gerookt en uitgeklopt, kopjes koffie volgeschonken, naar lippen gebracht en op schoteltjes teruggeplaatst. Er wordt weer vergaderd en gekibbeld over de meest onnozele onderwerpen. Er worden weer weinig enerverende studiedagen georganiseerd en congressen bezocht.
Het is verbijsterend, althans voor mij, dat tienduizenden lezers verslingerd zijn aan een ontmoedigend dik, zevendelig boek over een kleurloze man met een kleurloze levenswandel die op een kleurloos kantoor werkt te midden van kleurloze collega’s. Een boek dat geen verhaal of intrige kent en waar ook literair weinig opwindends in gebeurt. De stijl is even kleurloos als de personages. Er bestaat waarschijnlijk geen wijdlopiger boek in de wereldliteratuur - de uitgevers laten graag trots weten dat Het Bureau de omvangrijkste roman in de wereldgeschiedenis is -, geen boek met meer herhalingen en geen schrijver die minder kan condenseren en verdichten.
DE VERSLAVING aan Voskuil is al vaak tussen neus en lippen door vergeleken met de verslaving aan soaps op televisie. Als je daarover doordenkt, besef je dat Het Bureau net als een soap verslavend is juist omdat een onveranderlijke wereld wordt gepresenteerd. Net als een soap bestaat de roman van Voskuil uit een snoer van korte, op elkaar lijkende scŠnes. Zoals je makkelijk de draad weer oppakt als je een soapaflevering hebt gemist, kun je eenvoudig pagina’s van Het Bureau overslaan.
Het kantoor van Voskuil is even benauwend als de wereld van de soap: er lijkt geen ontsnappen uit mogelijk. Zoals in een soap vooral pratende hoofden traag als vissen over de beeldbuis bewegen, zo bestaat Voskuils roman voornamelijk uit dialoog. En net als in een soap zijn Voskuils personages types, karikaturen zo je wilt. Je hebt de man met de zouteloze kantoorhumor, die 'onderbroek’ echoot als iemand het over 'onderzoek’ heeft en 'billentuin’ als iemand 'bullettin’ zegt. Je hebt de bitse ouwe vrijster. De ziekmelder. De betweter. De trage. De ambitieuze. De Prinzipienreiter. 'Mijn grootste bezwaar is dat jij overal chemie van maakt’, verwijt een medewerker Voskuils alter ego Maarten Koning in deel drie. 'Het lijkt soms wel of mensen voor jou chemische stoffen zijn die je net zolang door elkaar klutst tot je de meest gunstige reactie hebt.’
Het is het principe van de soap: de personages blijven hetzelfde, met anderen gaan ze net als chemische stoffen voorspelbare reacties aan, de omgang van de personages berust op een eeuwige herhaling van zetten met slechts kleine variaties. Om het wat cru te zeggen: de mannen en vrouwen en jongens en meisjes in een soap zijn op alle mogelijke manieren op elkaar verliefd geweest (de variatie); en al die liefdesrelaties kennen een overeenkomstig verloop (de voorspelbaarheid). Het spreekt voor zich dat die voorspelbaarheid rustgevend en geruststellend werkt. De wereld lijkt er een moment kenbaar door. Het is sowieso een herkenbare wereld die in soaps wordt gepresenteerd. Het verschil is dat de televisiesoaps 'bigger than life’ zijn, terwijl de kantoorsoap van Voskuil juist 'smaller than life’ is. Hoe oer-Hollands de plaatsjes ook zijn waar de Nederlandse soaps zich afspelen - ÇÇn bruin cafÇ, ÇÇn door Jan des Bouvrie ingericht hotel, verscheidene doorzonwoningen -, de liefdes, ruzies, werkconflicten, wraakacties en doden zijn meestal dramatischer dan in de werkelijkheid. Huurmoordenaars, ontvoeringen, bedrijfsspionage, travestie - kom er maar eens om in een Nederlands provinciestadje. De uitvergroting geeft je als kijker het gevoel dat het in je eigen leven gelukkig niet zo erg is gesteld.
Bij Voskuil is het juist anti-dramatisch. Niet het drama, niet de betekenisvolle momenten uit het leven krijgen de nadruk, maar de grijze en onopvallende. De figuren bij Voskuil zijn niet uitzonderlijk, ze zijn ook geen nietige anti-helden, ze zijn alleen maar onbenullig. Voskuil laat het Maarten Koning zelf zeggen als Bart Asjes hem in deel drie angstig vraagt of hij geen roman over hen in petto heeft: 'Daar hoef je niet bang voor te zijn. Daar zijn jullie te onbelangrijk voor.’
Voskuil vergroot uit door de kleinste dingen groot gewicht mee te geven. Hoe onbelangrijk ook, je leert de miniemste tics van Konings collega’s kennen, hun kleinzieligste reacties, hun opwinding om niks. Het effect is hetzelfde als bij de soap. De wereld die je wordt voorgespiegeld is herkenbaar, maar je kunt tegelijk opgelucht adem halen: zo erg staat het er met mij niet voor. Hoezeer je je ook identificeert met hoofdpersoon Maarten Koning, de man die alle machinaties en benepenheid doorziet en als geen ander uitdraagt dat het werk op kantoor nutteloos is en het leven zinloos, hoezeer je je ook met hem identificeert, je distantieert je ook van hem. Wie blijft er nu dertig jaar op hetzelfde bureau werken? Maarten Koning is zonder twijfel een van de laatste Nederlandse werknemers die door te blijven zitten waar hij zit het gouden jubileumhorloge heeft verdiend.
HERKENBAARHEID is in meer opzichten de sleutel van het succes van Het Bureau. Het is niet alleen zo dat het repeterend schrijverschap van Voskuil de sleur van het dagelijks leven waarheidsgetrouw weet op te roepen, Het Bureau is ook heus werkelijk echt gebeurd. Achter het uitgebreide romanlichaam hangt dan ook een lange sleep van reacties die benadrukken dat het boek veel Wahrheit en weinig Dichtung bevat. Er zijn pelgrimages gepubliceerd naar het P.J. Meertens-Instituut, het bureau waar het in het boek om draait. En jawel, er wordt opgelucht in geconstateerd dat het bureau van Voskuil er nog staat, net als de mahoniehouten kolos - het 'pijploze orgel’ - van Beerta. (Ergens anders viel weer te lezen dat het Letterkundig Museum tevergeefs heeft geprobeerd Beerta’s bureau te verwerven.) Je kunt je voorstellen hoe Voskuil met zijn collega’s door boekenkasten heen communiceerde. 'Er is gelukkig niks verzonnen’, laat een journalist een mede-pelgrim verzuchten.
Vrij Nederland publiceerde een wie-is-wie, waarin wordt opgemerkt dat directeur Jaap Balk in het echt dan wel anders heet, maar net zo ongedurig met zijn voet wipt als de romanfiguur. De man die achter Ad Muller schuilgaat, is weliswaar ouder geworden, maar verder lijkt hij nog sprekend op de beschrijving die Voskuil van hem geeft. Ook de andere feiten kloppen als een bus met de realiteit zoals die was. Zelfs de ontwikkeling van het vakgebied volkskunde zoals door Voskuil weergegeven, zo blijkt uit een artikel in Literatuur, komt volledig overeen met de historische feiten.
Er ontspon zich zelfs een hele discussie op de opiniepagina’s van de kranten over de vraag of de schrijver al dan niet het recht heeft zijn omgeving zo genadeloos op papier te laten stollen. De huidige directeur van het P.J. Meertens-Instituut sprak daarover klare taal: 'Deze exercitie is uit moreel oogpunt verwerpelijk. Ik vind het een persoonlijke afrekening, een therapeutische onderneming over de ruggen van anderen.’ Helemaal hilarisch werd het toen in werkelijkheid als het ware Het Bureau deel acht werd geschreven: de kranten berichtten dat directeur Van Marle op non-actief werd gesteld omdat hij de roman van Voskuil als argument gebruikte om reorganisaties door te drukken.
Het zijn primitieve, buitenliteraire reacties die veel zeggen over het verlangen van lezers naar uniciteit. Het is hetzelfde verlangen naar echtheid dat ze in de rij doet staan voor I.M. van Connie Palmen en dat van de autobiografische romans van Maarten ’t Hart, Adriaan van Dis, A.F.Th. van der Heijden, Jan Wolkers en Gerard Reve zo'n succes maakte. In alle interviews onderstreept Voskuil het: hij heeft niets verzonnen. Hij en Maarten Koning zijn ÇÇn en dezelfde man. Het Bureau moest geschreven omdat hij op een dag door zo'n verpletterende migraine werd overvallen dat hij wel schoon schip moest maken. Er moest een probleem worden opgelost, er moest verantwoording worden afgelegd.
Die onontkoombare authenticiteit, de verzekering dat het allemaal echt is gebeurd en dat er daarom rekenschap van moest worden gegeven, zorgt dat je anders, meer betrokken leest. Het Bureau is, net als al die andere autobiografische geschriften, een onverbloemde uitnodiging tot herkenning. Voskuil houdt de lezer de spiegel voor die hij zichzelf niet voorhoudt. Al doen we het misschien niet zo extreem als Voskuil, we ervaren allemaal dat ons werk nutteloos is en het leven zinloos. Voskuil legt niet alleen rekenschap af voor zichzelf, hij doet het ook, plaatsvervangend, voor zijn lezers.
ER IS NOG IETS met de herkenning. Keer op keer als er een nieuw deel van Het Bureau verschijnt, verzekeren de critici dat Voskuils kantoor een microkosmos is die een subliem beeld geeft van de macrokosmos die Nederland is. In wezen, zo valt in steeds andere bewoordingen te lezen, is Voskuils roman een schildering van de Nederlandse maatschappij van na de Tweede Wereldoorlog, een soort literair-antropologische studie naar arbeid en sociaal verkeer in ons land. De recensent van NRC Handelsblad ging in zijn bespreking van het laatste deel zo ver dat hij Het Bureau, analoog aan de Great American Novel, die gedroomde roman die zowel tijdsbeeld als zielespiegel van het Amerikaanse leven moest zijn, bestempelde als 'De Grote Nederlandse Roman’. Wetenschappelijk ambtenaar Maarten Koning was de Elckerlyc, het toonbeeld van Hollandse plichtsbetrachting, steilheid, arrogantie en tolerantie.
Als Het Bureau een beeld geeft van Nederland, dan is dat een beeld dat voor het oprapen ligt. Het is een overbekend standbeeld zogezegd. Zoiets als de constatering dat de Nederlandse volksaard lijkt op het grauwe en gelijkmatige Nederlandse weer. Want als de roman van Voskuil iets is, dan is het ÇÇn grote ode aan de pretentieloosheid en ambitieloosheid. Een lofzang op het aloude Nederlandse gezegde: 'Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.’ De ambtelijke punctualiteit die Maarten Koning betracht, zijn ijzeren discipline, zijn arbeidsethos, zijn afkeer van het maken van carriŠre, zijn adagium dat je je werk niet leuk mag vinden, zijn weigering om een proefschrift te schrijven omdat dat pretentieus is, zijn overdreven plichtsgevoel, zijn gebrek aan savoir faire en zijn verkramptheid in menselijke contacten, zijn loodzware moralisme en weerzin tegen macht - Het is allemaal volgens het calvinistische boekje.