De romancier

Volkomen maf, volkomen logisch

Vanaf het begin van mijn leven als volwassen lezer was Rudy Kousbroek, samen met Kees Fens, de Nederlandse essayist naar wiens krantenstukken en boeken ik het gretigst uitkeek. Aanvankelijk zal ik veel maar half en half begrepen hebben, maar dat was genoeg: zijn intelligentie, eruditie en humor deden de rest. Later, toen ik het wel allemaal begreep, bleek ik het vaak maar half en half met hem eens.
Kousbroeks atheïsme was me te stijfkoppig, hij miskende de antropologische essentie en de sociale en culturele prestaties van de godsdiensten. Ook was het voor mij minder evident dat Popper het laatste woord had in filosofische kwesties, dat alles wat zelfs maar in de verte rook naar structuralisme, marxisme of psychoanalyse metafysische abracadabra was. En dat we de totale vernietiging van de aarde alleen konden voorkomen door technologische vooruitgang vond ik op z'n minst dubieus, de blinde vlekken van de bètamensen leken me zeker zo rampzalig als die van de alfamensen, er nog van afgezien dat ik die starre tweedeling altijd onzinnig heb gevonden.
Maar Kousbroek overdreef met verve. Zijn weerzin moet hem tot het (freudiaanse!) inzicht hebben gebracht dat de waarheid alleen nog schuilgaat in de overdrijving. Met genuanceerde kritiek op sport en mode, praatjesmakers en politici (‘Behangselpapier. Onbeduidende koppen, met geen andere eigenschap dan dat je ze al vaak hebt gezien’) bleef je binnen de codes, en die verachtte hij zonder pardon. De overdrijving komt uit de pen van een gevoelig man, getergd als die is door een gevoelloze realiteit. Kijk dan, lijkt hij te zeggen, het is veel erger dan je denkt!
Kousbroek was dan ook op z'n best als waarnemer van een kwetsbare wereld, als scherpzinnig duider van foto’s van dieren, verdwenen bouwwerken, oude apparaten, auto’s en schepen, wonderbaarlijkheden van elke soort. Het verdriet om (en het verlangen naar) die werelden, vooral die van Indonesië, heeft zijn blik gescherpt voor al het mooie dat door gebrek aan zorg en liefde, je kunt ook zeggen: als gevolg van nonchalance, smakeloosheid en domheid, is verdwenen. Onverholen minachting legde hij aan de dag voor culturen die het oude en beproefde niet koesteren, allereerst 'onze wereld’, waarin 'alles wat mooi, lief en kwetsbaar is de nek wordt omgedraaid door de commercie’.
'In Nederland is aan cultuur weinig behoefte’, luidde de titel van het dankwoord dat hij uitsprak bij de uitreiking van de P.C. Hooftprijs 1975. De belangrijkste schuldige van die cultuurloosheid was volgens Kousbroek het onderwijs. Daarin werd de leerling almaar 'centraal gesteld’ (let wel: dit was decennia voor de invoering van tweede fase en studiehuis die dat 'centraal stellen’ wettelijk regelden), met als gevolg dat hij al gauw geen klap meer uitvoerde. Verplicht lezen was er niet meer bij, de verbale begaafdheid van de leerlingen lag dan ook ver onder het Franse niveau. De vereiste taaldiscipline zou hun trouwens met de Nederlandse literatuur ook maar moeilijk kunnen worden bijgebracht, want Nederlandse romanciers rommelden maar wat raak, tot het schrijven van een behoorlijk geconstrueerd, kloppend verhaal waren ze doorgaans niet in staat.
Om te tonen hoe dat dan wel moest had Kousbroek een daverende verrassing in petto. Tussen mei '75 en maart '76 publiceerde hij in NRC Handelsblad een soort beeldroman in feuilletonvorm (onder pseudoniem: Fred Coyett. Het uiterst grillige verhaal was niet te volgen, ik vrees dat zelfs de welwillendste lezer afhaakte. Gelukkig verscheen het in 1981 als boek. Het is Kousbroeks eerste en enige roman, hoewel die genreaanduiding er een is bij gebrek aan beter. Het is ook het eerste boek dat ik van hem besprak, dertig jaar geleden. De titel: Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam.
Het is een complex, volkomen maf maar ook volkomen logisch en kloppend verhaal, gebaseerd op een aantal gebonden jaargangen van een geïllustreerd weekblad uit de tweede helft van de negentiende eeuw, die hij (in het spoor van de bewonderde surrealisten) op een Parijse vlooienmarkt kocht. Zijn vierjarig dochtertje, dat in een van die boeken de gravures bekeek, wilde weten wat daar allemaal gebeurde. Het viel niet mee, aldus Kousbroek, bij die door elkaar gegooide gravures een chronologisch en tot in de details kloppend verhaal te improviseren, maar, constateerde deze lezer tot zijn niet geringe verbazing, het was hem wel degelijk gelukt.
Het komische van Vincent is dat de auteur zich wel aan de plaatjes houdt, maar dat hij doet alsof hij de codes daarvan niet kent. Toch liggen die er dik bovenop: het zijn derderangs gravures, pathetisch, sentimenteel, bevolkt door toneelfiguren die het hele repertoire van gestileerde en gecodeerde theatrale gebaren, houdingen en gelaatsuitdrukkingen demonstreren. Hij kijkt dus met de naïeve blik van zijn vierjarige dochtertje van toen, van iemand die de tekens 'verkeerd’ interpreteert of aan betekenisloze bladvulsels een centrale, het verhaal voortstuwende betekenis geeft. Kijken is daarom even belangrijk als lezen: de tekst neemt alle vingerwijzingen op, bedoelde en vooral niet-bedoelde. Dat maakt Vincent onvoorspelbaar en humoristisch. En natuurlijk geeft het de auteur alle ruimte om anathema’s uit te spreken over alles wat hem niet bevalt, zoals de academische mirakeltaal van semiotici à la Julia Kristeva.
In mijn bespreking schreef ik dat het boek thuishoorde in een Franse traditie - Roussel, Perec, Queneau, auteurs die net als Kousbroek geobsedeerd zijn door de puzzel én de machine. Opzienbarend was die opmerking niet: Kousbroek had immers eerder een congeniale vertaling gemaakt van Queneau’s Stijloefeningen (1978) en de invloed daarvan stak hij nooit onder stoelen of banken. Maar hij was wel blij met mijn bespreking en schreef me dat het zijn dierbaarste boek was (dat zei hij ook later in het openbaar nog een paar keer), maar dat de Nederlandse lezer kennelijk te serieus is om deze serieuze lichtvoetigheid te kunnen waarderen.

Rudy Kousbroek, Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam, Meulenhoff 1981, 266 blz.